Het jaar 1111. Boudewijn VII heeft ternauwernood de leeftijd van achttien bereikt wanneer hij aan […]
Wees voorzichtig, schend haar niet bevuil de natuur niet plant maar bomen laat ze groeien […]
Anno 1928, begin november zou men beginnen aan het leggen van de vloer in de […]
Hoe onze eerste moeder Eva de spraak kreeg Vader Adam, zaliger memorie, toen hij Eva […]
Ieper bezit zeker wel de schoonste en aangenaamste wandelingen van uren in het ronde. en […]
Als Allerzielen zachte begint, volgt er al zere regen en wind.
November is de kleinzeune van september, de zeune van oktober en de voader van de winter.
Oktober nat en koele, de winter zochte en zwoele.
Houd’n de bomen hun blaren lang, wees dan voor een strenge winter bang.
Gift de herfst veel mist en neveldoagen, in de winter zal de sneeuw u ploagen.
Twee Amerikanen waren eens samen aan het vertellen over de streek waar ze woonden.
De kriekroode zunne
zinkt zachtjes in ‘t nest
Eggewaartskapelle maakte vroeger deel uit van de parochie van Steenkerke. Maar rond het jaar 1100 woonde daar een rijke ridder, een zekere Egalfridus die daar een kapel stichtte voor zijn gerief en dat van zijn volk.
Als men vroeger bomen uithakte, liet men de rolders (aarsgat van uitgeroeide boom) in de grond zitten en de armen of de werklieden mochten ze komen uithalen.
‘In het jaar 1601 woonde op de parochie Koekelare aan de kant van Eernegem een landsman die geboren werd aan de Leie in Ariën waar hij al zijn eigendommen kwijtgespeeld was. Hier leefde hij armoedig. Twee melkkoeien en hele dagen hard werken volstonden maar net om zijn vrouw en kinderen te kunnen onderhouden.
Op den 12 sporkele 1587, (NB: februari = sprokkelmaand) vrijdag zijnde, zoo zijnder gevonden drie doode lichamen van landslieden, alwaer den eenen hiet Jan Hutte, landman en pachter in Zillebeke, en d’ander twee waren van Houthem, en waren wel xiiij dagen geleden vermoort geweest van Oostendenaers, om dies wille dat zy gevangen zijnde geen rentsoen ofte luttel wilden geven; zijn gevonden geweest ontrent Zillebeke-Meulene, door de groote menigte van vogelen die in ’t zelve braemstuk uyt en in vlogen, zoo dat sommige landtslieden die daer passeerden zeiden : « Laet ons gaen sien wat caronerie dat daer licht. »
De wouden van Vlaanderen, hun ontstaan en hun verdwijnen