’t Is te fète honderd jaar geleên. Petrus Maes, mijn grootvader langs moederszijde, woonde op een klein doeningske, op een boogschote van Westvleterenkerke, in ’t midden van de broeken. Rondom in ’t water lijk op een eiland binst de winter en in de zomer in een zee van groenigheid, zoverre als jen ogen dragen.
Sedert enige dagen heeft men in de Reninge (Broek) ganse troepen wilde zwanen bemerkt die de streek overvliegen, en zich in de meersen neerzetten.
Het verhaal dat volgt, hoorde ik vertellen van mijn grootmoeder· Melanie Peperstraete-Candaele. Ze woonde waar miJn zus Maria nu nog woont: Nieuwstraat 11, Westvleteren, op de Vijflijnenhoek, in de volksmond ook Bukhoek en Gilven Henhoek geheten.
Tot aan de oorlog 14-18 waren de oude sluizen te Nieuwpoort aan de monding van de Ijzer veel te smal om in tijden van aanhoudende stortregens het water van Ijzer en bijriviertjes tijdig te kunnen slikken. Dikwijls in maart-april, ook al eens in september-oktober, altijd zeker in de winter bij het smelten van de sneeuw, zette de Krekelbeek geheel de vlakte onder water tussen Diksmuide, Esen, Zarren, Handzame, Werken en Vladslo; een blanke zee!