banner
okt 20, 2018
2267 Views

Maartens geitebok

Written by

Het verhaal dat volgt, hoorde ik vertellen van mijn grootmoeder· Melanie Peperstraete-Candaele. Ze woonde waar miJn zus Maria nu nog woont: Nieuwstraat 11, Westvleteren, op de Vijflijnenhoek, in de volksmond ook Bukhoek en Gilven Henhoek geheten.

banner

Het verhaal dat volgt, hoorde ik vertellen van mijn grootmoeder· Melanie Peperstraete-Candaele. Ze woonde waar miJn zus Maria nu nog woont: Nieuwstraat 11, Westvleteren, op de Vijflijnenhoek, in de volksmond ook Bukhoek en Gilven Henhoek geheten.

De naam Bukhoek zal wel ontleend zijn aan het feit dat op die wijk zowel geitebokken, zwijneberen als hondereuen hun dienst deden: zwijneberen had je bij de familie Boone, geitebokken bij de familie Maertens, schuin over Boone, maar dat huis is nu verdwenen en voor goeie rashonden, o.a. Groenendaal, kon je terecht bij de haringpiet Marvaille in de rij van Frik Lajeune, Pierre Djake in het kleine voetwegje dat langs Boones land liep, door een poortje in mijn grootvaders weide belandde en vandaar langs de dischhofstede van Hameeuw op de Krombeeksteenweg uitkwam, niet ver van Decadts molen.

Vanwaar de derde benaming ‘Gilven Henhoek’ stamt, blijft me een raadsel. Mijn grootmoeder was blind en lam. Mijn zus heeft ze tien jaar lang verzorgd: van 1918, jaar waarin mijn grootvader Pieter Peperstraete stierf tot aan de dood van mette Melanie in 1928. Mette wou nooit alleen zijn, waarschijnlijk uit angst voor haar geld, dat ze altijd bij zich had onder haar lange rokken. Daar mijn zus de zaterdagnamiddag in het bakhuis doorbracht, moest ik bij oma gaan zitten en luisteren naar haar vertellingen ofwel voorlezen uit ‘De Poperingenaar’.

Zoals mijn grootmoeder dat zelf deed, leg ik het verhaal direct in de mond van hem die het beleefde: mijn grootvader, Pieter Peperstraete. Iedereen zei tegen hem: Pietje Winter. Zijn moeder was een Dewinter en zijn vader was daar ingetrouwd. Ook de kinderen werden nog af en toe zo genoemd en zelfs de kleinkinderen. Cyriel Gruwez b.v. zei tegen mij: de jongste van Achiel van Pietje Winters.

’t Was in de maand juli en stikheet. We hadden ons hooi gekeerd en geopperd in Westvleterenbroeken en een beetje veel van Nevejans bier gedronken. Ik lag te draaien en te keren in mijn bed op de voutekamer, te zweetpuffen en te zuchten. Na een uur of twee sakkeren en niet kunnen slapen, zeg ik ‘Melanie, ik zal voor een uur gaan vissen in de Mareputten bij Floren Decroos; ondertussen zal het wat verkoeld zijn’. Zo gezegd, zo gedaan. Ik nam mijn vispers en deed mijn peurhaak gereed en ik was weg.

(De ‘mareput’ waar Pieter en Achiel Peperstraete het over hebben, is heel waarschijnlijk een oude ‘marelput’. In 1498 is er te Westvleteren reeds spraak van een ‘marlepit’ in ‘den Wouterhilshouck’. Ook K. D e Flou vermeldt een ‘Marelput ‘ (1907 ) en een ‘Marelst uk ‘ (1910 ) t e Westvleteren. Hij merkt daarbij op: ‘alle marelputten, ofwel nog als put bestaande, ofwel in meersch, land of tailliebosch veranderd, Zijn gewezen mergelkuilen, fra(ns) marlière en marnière.’). De mareput waar mijn grootvader het over heeft, bevond zich een honderdtal meters over het huis Decroos, maar aan de andere kant van de straat, aan de overkant van Willy Lams zaailand. Die put is nu gedempt. Hij zat gedeeltelijk verborgen achter kreupelhout en behoorde bij de akkerlanden van de boerderij Quaghebeur.

Er was maneschijn en de sterren zaten te fonkelen aan de hemel. Toen ik aan Maertens kwam, sprong de geitebok op en begon te mekkeren. Hij was gestaakband achter hun huis op een klein lapje grasland.

Die geitebok kende me goed, want, als ik mijn land bewerkte vlak voor het huis van Maertens, was hij meestal gestaakband langs de straatkant en dikwijls trok ik een melkdistel uit of wat ander kruid om het hem te geven. Likkebaardend at hij het dan op van uit mijn hand.

Nu snokte hij uit al zijn macht aan zijn ketting; hij blaatte en sprong in het ronde. Ik gaf er niet veel acht op en stapte door. Toen ik aan Gruwez’ dreef gekomen was, hoorde ik hem plotseling achter mij komen huppelen met zijn ketting tussen zijn poten. Ik probeerde hem terug naar zijn huis te jagen, maar het hielp niet. Hij bleef daar als aan de grond genageld staan een mekkerde meewarig ‘Mee-ee, mee-ee, mee-ee!’

Hoezeer ik ook met mijn handen zwaaide en dreigde, het baatte allemaal niet: hij bleef daar staan mekkeren als van de hand Gods geslagen. Toen ik aan het kruispunt gekomen was van de Nieuwstraat met de Kruisdreef, was hij daar plotseling weer vlak achter mij. Ik werd kwaad en riep ‘Nu is het genoeg, vent ! Je vindt de weg naar je huis niet meer terug als ja nog verder meeloopt!’

Ik kraakte een schietgebed of twee, gaf hem een paar klappen en een lichte trap tegen zijn achterwerk, terwijl ik aldoor maar riep: ‘hup, hup, gauw!’ En waarachtig! Hij maakte eerst een paar scheve sprongen, liet een rare schreeuw horen en liep toen terug, terwijl zijn lange ketting door het mulle zand van de straat sleepte. Ik was blij dat ik van hem verlost was, want ik zag me daar al zitten vissen met die vuile stinkerd naast me!

Zo arriveerde ik met mijn visgerei aan de mareput. Ik installeerde me daar op een hoopje hooi. Floren Decroos had de graskanten afgemaaid en geopperd en zo vond ik een zacht kussen om op te zitten. Ik wierp mijn peurhaak in het water en wachtte geduldig tot ik beet zou krijgen.

Het water van de put gaf zijn koelte af aan de omgeving. Het was er heel wat frisser. Ik genoot er van de mooie zomerse nacht. De maan gluurde door het hoge kreupelhout aan de overkant. De muggen hielden een zoemend dansconcert. Ik loerde naar mijn dobber boven het effene, roerloze wateroppervlak. In het lis zat er een waterhoen te broeden. Eerst was het voor mij weggevlucht, maar toen het merkte dat ik daar zo stil en braaf bleef zitten bij mijn vispers kroop het voorzichtigjes weer op zijn nest van gevlochten lis op de bruingespikkelde eieren.

Geen werk dat meer aandacht en meer wilskracht vraagt als vissen met de lijn. Je moet ononderbroken, uren aan een stuk, je blik toegespitst houden op datzelfde kleine dobbertje vlak boven het water en je moet blijven hopen dat het plotseling zal gebeuren dat er een snoek of een baars of een paling toebijt en dan moet je paraat staan om de lijn omhoog te rukken en de vangst op het droge te zwaaien in de graskant.

Hoelang ik daar in die julinacht heb zitten staren zonder dat er iets gebeurde, weet ik niet… Ik had er ook geen benul van hoe laat het ondertussen geworden was. De moeheid van een hele lange godganse dag werken aan mijn hooi in de Westvleterse broeken onder een vlammende zonnehitte begon op mij te wegen. De nachtelijke koelte deed me oneindig veel deugd.

Soms viel mijn hoofd op mijn borst en ik moest me inspannen om mijn ogen open te houden. Maar ik ging niet naar huis omdat ik nog niets gevangen had. Dat was nog nooit gebeurd! Al zo dikwijls had ik hier beet gehad en dat duurde nooit langer als een paar uur…..

Maar wat hoorde ik daar plotseling? Een klaaglijk gekerm van ergens vlakbij drong tot me door. Ik had al de moeite van heel de wereld om mijn doodmoede ogen wijd open te spalken en eens goed rondom mij te kijken. Na een poos ontgaf ik het mij dat ik iets gehoord had. Misschien was het maar inbeelding. Toch keek ik met meer als gewone aandacht overal tussen het struikgewas, voor mij, links van mij en rechts van mij tussen de takken van het struikgewas.

Toen ik na een tijd helemaal niets opmerkte, werd ik allengerhand door allerlei nare gedachten bestormd. Misschien, wie weet, kwam het gekerm van uit het diepste diep van het water. Ik dacht aan wat Melanie me haast telkens zei als ik kwam vissen: ‘Je moet oppassen,’ zei ze, ‘dat je niet te dicht bij het water gaat! Het is een vreselijk diepe put en je weet dat Dinges daar verdronken is. Oppassen, Pieter!’

Grootmoeder noemde me de naam van die vroegere drenkeling, maar die ben ik vergeten. Ik moet weer half en half weggedut zijn, maar na een tijd werd ik weer wakker. Er drong een veel luider klaaglijk gekerm en geschrei tot me door. Een gekerm dat deze keer herhaald werd en dat bleef aanhouden. Ik wreef de slaap uit mijn ogen, ging wat meer rechtop zitten boven op mijn oppertje hooi en wat zag ik daar vlak voor mij aan de overkant van het water. Juist in het verlengde van mijn vislijn. Niet te geloven!

Een grote witte geitebok staart me aan. Twee grote, kromme hoornen heeft hij en een lange sik. Hij roept. Het kwijl loopt uit zijn mond en hij glarieoogt. Het is een angstwekkend schouwspel in die klaarlichte maannacht.

Is dat Maertens geitebok? Het is niet mogelijk dat hij me tot hier gevolgd is en in plaats van op de straat in Peule Quaghebeurs bieteland terechtgekomen is!

Kijk, kijk! Hij wil naar me toekomen, maar geraakt precies niet goed vooruit. Nu staan zijn voorste poten al aan de rand van het water. ‘Pas op! ‘ roep ik, ‘Je zult verdrinken stommerik! Ezel! Ga terug!’

Ik wil een brok aarde nemen en ermee naar hem gooien om hem weg te jagen, maar mijn hand is als
verstijfd. Ik krijg nergens een brok klei los. Ondertussen is die witte lelijkaard opnieuw beginnen blaten en schreien. Altijd hoe langer, hoe luider. Ik ben nooit een bangerik geweest, maar nu gaat het me toch door merg en been. Ik heb het ondertussen ook koud gekregen; ik zit hier immers in mijn zomerse werkkleren in de koud geworden nacht. Mijn dobber en mijn vislijn zijn allang mijn aandacht kwijt. Die is immers toegespitst op die drommels geitebok, die precies behekst en bezeten is en vannacht bij mij wil zijn. Hoeveel moeite het hem ook kost.

Maar is dat wel Maertens geitebok? Hoe meer en hoe langer ik dat witte gedrocht bezie aan de overkant van het water, hoe groter het mij voorkomt. ‘Nee, dat is geen gewone geit,’ zeg ik halfluid tegen mezelf. Dat wangedrochte lijkt me wel drie keren zo groot te zijn als een geit. Een reuzekop met reuzehoornen en een sik van ik weet niet hoelang. En zulke grote ogen. Snuffelend is hij een meter ver in het water gekomen en hij knabbelt daar wat aan het lis.

Door het zilveren maneschijnsel zie ik nu ook zijn spiegelbeeld in het water. Nog veel groter en veel gevaarlijker! Ik begin te beven en te bibberen over heel mijn lijf. Ik twijfel er geen ogenblik meer aan dat de duivel in die reuzegeitebokverschijning gevaren is! Of de gekwelde geest van die man die hier in het diepe water terechtkwam of moedwillig erin sprong! De zielen van de mensen die een gewelddadige dood stierven, vinden geen rust in het hiernamaals en blijven op deze wereld rondwaren op de eigenste plaats waar het drama gebeurd is.

Inderhaast scharrel ik mijn visspullen bijeen en al wat mijn benen reppen kunnen spoed ik me naar huis, maar nog altijd voort hoor ik dat erbarmelijke gejank van uit het kreupelhout bij de put. Precies het geklaag van een beest dat op sterven ligt! Een ogenblik blijf ik stilstaan om te luisteren. Misschien, misschien heeft het beest iets ingeslikt op Peule Quaghebeurs zijn land!

Het gebeurt toch ook bij koeien dat er een stuk biet of een raap in hun keelgat blijft zitten en dat je een sonde nodig hebt om die brok door te steken. En ik die bij de boeren bekend sta als een halve veearts en overal geroepen wordt als er met de beesten iets hapert, ik ben hier nu als een laffe bangerik op de vlucht geslagen.

Of misschien is het beest met zijn lange ketting vernesteld geraakt tussen het kreupelhout! Maar ik hoef niet lang te tobben, want als ik al peinzend en prakkezerend aan Gruwiers weide gekomen ben, hoor ik weer de geitebok achter mij. Hij hijgt van het lopen en van het sleuren aan zijn zware ketting tussen zijn poten. Hij komt naast me lopen en zijn gemekker klinkt nu niet meer zo bangelijk. Eerder vreugdevol.

Net als van iemand die eindelijk uit een zware beklemming verlost is. Hij is doodgelukkig dat ik niet meer tier en niet meer vloek tegen hem en niet meer met mijn vispers zwaai. ‘Ga nu maar naar je kot’ zeg ik als we aan Maertens woning gekomen zijn, maar hij blijft me volgen tot aan het hekken van mijn weide en het scheelt weinig of hij springt mee naar binnen. Hij blijft staan mekkeren aan het hekken tot ik in mijn huis binnen ben, precies of hij me uitnodigt op een volgende nachtelijke trektocht.

Veel later heb ik aan mijn vader, Achiel Peperstraete, eens gevraagd wat er daarvan waar was van die nachtelijke geitebokkenhistorie. Hij beaamde het bovenstaande verhaal ongeveer zoals zijn moeder het mij verteld had, maar hij had vooral de interpretatie onthouden die zijn vader eraan dacht te moeten geven. ‘Mijn vader is er van de mare bereden geweest’, zei hij en toen ik wilde weten wat dat wel betekende, bekeek hij me sceptisch en vroeg : ‘Wat leer je dan wel op dat college in Poperinge?’

Nog veel andere toeren heeft die geitebok uitgehaald. De Maertens zijn er wat mee tegengekomen! Als ze hem vastbonden, snokte hij zich los. Lieten ze hem los in zijn hok lopen, dan had hij het in een handomdraai gevonden om zelf de deur te openen. Ik heb het een keer met mijn eigen ogen gezien hoe hij in één enkele wip van boven op het afdak sprong en vandaar parmantig over het strooien dak wandelde tot helemaal boven aan de nok.

Daar knabbelde hij de grassprietjes af die op de vorst gegroeid waren. Een andere keer zat ik te pensejagen ginder ver bij Floren Delie en Abrahams achter Henri Versaevels bossen. En wat zie ik daar almeteens? In de klaarte van mijn lichtbak stond die zottekloot van een geitebok te dansen en rare sprongen te doen ! Ik geloof niet in toverij, maar met die geitebok was er toch iets speciaals aan de hand. Iets heel speciaals!

– Naverteld door Julien Peperstraete in ‘Vlietmara’ Heemkring van Vleteren van 21 maart 1981 –

Article Categories:
sappige vertellingen
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *