Een boer had eens warmoes gegeten
waardoor hij kreeg grote kak,
en nu zijnde neergezeten
in het kakhuis met gemak,
Een goed mens is iets heel eenvoudigs
Voor iedereen die het voor de wind gaat
en voor degene die alles in de wind slaat.
Tijd heeft een geur
ik heb hem zelf
geroken toen mijn vader
het liet zien
Vrieskou, die moordzuchtig woei. Eindelijk warmte, als vreugde-beving.
De lucht verschrompelt
tot flitsen van haat en woede
die vandaag het hart verschroeit
van zij die het met de ogen moeten aanschouwen.
Vuur en as die kronkelen en schreeuwen naar de hemel.
Er viel ne keer een blaadtje op het water
Elk hart zal wel een orkaan zijn
en elke ziel een zee van sterren.
Je geest een meteoor,
losgeslagen door zijn zwaartekracht.
Te allen tijde is de mens genegen geweest om in de geheimen van de toekomst door te dringen. In plaats van het verleden met ernst te overwegen, en daaruit nuttige lessen voor het vervolg te trekken, ziet men hem steeds ijdele pogingen aanwenden om hetgeen, dat nog moet geschieden, te raden.
Als oude mensen beginnen te dromen
dat het leven is zoals de hemel het beschikt heeft,
is het heerlijk als zij een huis binnenkomen
waar het klokje tikt als het thuis getikt heeft.
De stoomkoets… hier komt ze aangevlogen
Ontzaglijk snellend op haar baan.
Zij briest en bruist en dampt ten hoogen,
En voert haar trein met trotsheid aan.
Dixmude, hef de kreet der blijheid!
De stoomkoets is de macht der vrijheid
Die gij thans vieren moogt en moet.
Zij brengt u ’s konings afgezanten,
Zij komt den boom der welvaart planten
Zingt, klokken! daver wellekom groet!
Tusschen bolloars, an ’n boörd van ê woaterpit wist ik vroeger ên huerke stoan Stroöi […]