De drankzucht ligt aan de basis van menig Veurns gezegde, maar wie niet eenmaal in zijn leven dronken is geweest, werpe de eerste steen.
Hoewel dit geen specifieke zegswijze is, wilde ik toch niet nalaten die even aan te stippen. Dr. Leon Dewulf (Poperinge) maakte me ooit erop attent dat hij tijdens een huisbezoek in de omgeving van Abele een patiënt hoorde zeggen dat de wind in het ‘kaloonegat’ zat.
Zo verward zijn lijk ne zuigeling met honger en dorst in een topless bar.
Hij is al zo content lik een zwijn in de mooze.
Hij is al zo welgekomen lik een schete in een telefoonkotje.
Eén haartje maakt geen permanente (uit één feit kan men geen algemene conclusies trekken)
Kwade klokke, kwade klepel (zulke ouders zulke kinderen)
De paster doet geen twee missen voor ’t zelfste geld (ik zal het geen twee keer zeggen)
De paster zegent zijn zelven het eerst (iedereen zorgt eerst voor zichzelf)
Hij is van ’t jaar elve, hij houdt het liever zelve (hij is erg gierig)
’t Is ’t er een van ’t jaar nul (hij is ferm uit de mode)
Dat is op geen blauwen steen gevallen (dat zal ik onthouden)
De stenen vragen geld (er is altijd en overal te betalen)
Handen van de bank, ’t vlees is verkocht (lachend gezegd van iemand die een verloofd meisje ten dans vraagt)
Ze goan mank aan ’t zelfste been (ze hebben hetzelfde gebrek)
‘k goan het deur de billen jagen (ik ga het opeten, verteren of verkwisten)
Hij heeft natte voeten (hij is dronken)
Etwien ’t ei uut ze gat vragen, (iemand uithoren)
–
En n’is zo plat of e fige. (vals, kruiperig, vleierig)
–
Dinne doen (dwaas doen)
–
Iemand ‘bie ’t veertienste zetten’ = Iemand ‘bie de buk doen’ (in ’t ootje nemen, foppen)
‘k Peinsde wel dat er iets haperde, zei Klaai en hij schepte een pad uit […]