‘k Peinsde wel dat er iets haperde, zei Klaai en hij schepte een pad uit zijn pap.
–
Al dat wachten dient tot niks, zei Kies en hij trouwde op twee en zeventig.
–
Wat een geluk, zei de schouwveger, en hij viel uit de schouwe in een smoutpan.
–
Gedane zaken hebben geen keer, zei Smul, en zijn geld was op.
–
Ik zal er wel komen, zei Klink en hij schoot vliegen met een tweeloop.
–
Alles op tijd en stond, zei Cissen en hield zijn Pasen op Drie-Koningen
–
’t Moet niet altijd ’t zelfde zijn, zei de zot en hij hing zijn hemd over zijn broek.
–
’t Is al effen, zei Kamiel en zijn huis was afgebrand.
–
Men vindt meer huizen dan kerken, zei Theunis en hij wierd op straat gezet.
–
Alles moet buigen voor ’t mensdom, zei Sarel Lappers en hij stekte zes keer naar een peme.
–
Wie weet, waar men paling vangt, zei Pee, en hij zette zijn ruike in een wagenslag.
Article Categories:
Verweerde spreekwoorden

