Alle baten helpen, zei de boer, en hij trok van de kat een haar uit […]
Hoe dikker ’t gat hoe groater de broek. Ge moet uplett’n van ’t achterste van […]
Gelijken aan Het is een kuiken van de oude haan. ’t Iz e kieëk’n van […]
’t Is een baanvrouwe. – Vrouw die zich thuis verveelt, haar huis ontvlucht en op […]
In het leven van een mens kunnen een aantal belangrijke perioden worden onderscheiden: geboorte, jeugd, vrijen en trouwen, oud worden en sterven. Bij al de fasen van zo’n leven heeft de volksmens generaties lang nagedacht en gefilosofeerd.
Bedenkingen over ‘blauw’ Wij moderne mensen kennen allemaal het woordje ‘blues’ – en in Haringe […]
bedrogen zijn; kzin ik bien buk ezèt
bij een dondervlaag met zonneschijn: t’ is kerremesse in d’ helle
de gevolgen van iets dragen: potje brik, potje betoaln
regenworm: tettink
rolluiken: lattestoors
reflectoren: katogen
remmen: freings
rits: tieritte
d’ Er op los goan lijkt Stoffel op ze katte (onbezonnen en geweldig te werk gaan)
Werken gat uit, gat in (zonder orde)
Naaien met ê zoaterdagsteke (rap, zorgeloos en met grote steken)
Trouwen en is geen kinderspel:
al die trouwen, ze weten ’t wel!
–
Trouwen is leutig,
spijtig van d’achtersmake
–
Trouwen is wel
maar niet trouwen beter
Onder grijze haren schuilen
dikwijls blonde gedachten.
Kleedt nen ezel in ’t satijn,
en ’t zal nog nen ezel zijn
Geen krieken zonder stenen,
geen vlees zonder benen,
geen mannen zonder willen,
geen vrouwen zonder grillen.
In Vlaanderen werd en wordt 1 april ‘Verzenderkensdag’ genoemd. We kennen geen typisch dialectwoord waarmee dit gebruik wordt benoemd. De Engelsen integendeel kennen een gelijkaardige variante, nl. ‘All fools’ day’. De persoon die men beet nam werd een ‘Aprilgek’ of een ‘Aprilzot’ genoemd.
Daar is geen beter bate
als gezonde middelmate
en die ’t midden houden kan
houdt het beste, wijf of man
Een vertrouwelijke verzuchting: ‘Ge moest ’n keer in mijn schoens zitten!…’ ge zoudt nog anders klagen.
’t Is geen vetlap vandaag (het weer is regenachtig)
Ik ga geen Blankenbergse rekening maken (niet nodeloos uitweiden)
Werken dat zijn hart watert
Ik spring niet lijk hij gaapt
’t Is beter een veugel in de hand als twee op d’haeghe.
Wat baat de keerse en bril, als den uyl nie zien en wil.
Dat in de middeleeuwen en nog lang daarna lijfstraffen meermaals gepaard gingen met de een andere straf, waardoor de veroordeelde in zijn eer werd aangetast of aan de bespotting van zijn medeburgers prijsgegeven, is algemeen bekend.
Het is met dat lastig wijf altijd eieren of jongen (ze is nooit tevreden)
Op eieren zitten: op hete kolen zitten.
Hij zit op iets te broeden
Hij blijft op eieren zitten (hij durft niets vragen)
Je gif’t ’n veel te vele voet (je geeft hem veel te veel zijn zin)
Je moet er joen voet’n an voagen (trek het je niet aan)
’t Hangt mijn voet’n uut (ik ben het moe)
Hèn is de voet’n uut (hij is vertrokken)
Zijn noagelbak is stief èdind (hij heeft niet veel geen tanden meer)
Hoe oud ziejje? E joar oeder of min taans!
Nog 5 weken en dan is het Pasen, misschien toch al eens repeteren. We beginnen met eieren te goochelen….
’t Is ol butter oan de golge èplakt.
Hebben is hebben en krygen is de kunste.
’t Is ol moeyelyk oude aepen te leeren greezen.
Ol hout en is gè tummerhout.
Olle boate halpt, zei de muis, en hè piste in de zee.
De zot snijdt zich met zijn eigen mes en maakt zich dronken met zijn eigen fles
Het zijn niet al geen koks die lange messen dragen
Zorg goed voor de minuten, de uren zullen wel voor zichzelf zorgen
Men ziet wel aan de stront wien dat er de mispels gegeten heeft
Eén haartje maakt geen permanente (uit één feit kan men geen algemene conclusies trekken)
Kwade klokke, kwade klepel (zulke ouders zulke kinderen)
De paster doet geen twee missen voor ’t zelfste geld (ik zal het geen twee keer zeggen)
De paster zegent zijn zelven het eerst (iedereen zorgt eerst voor zichzelf)
Vuile monden, vuile gronden (aan een slechte taal kan men een slecht mens herkennen)
Een gesloten mond vangt geen vliegen (zonder werken zal men de kost niet verdienen)
Van nen stijfkop en ne zot vult den advocaat zijn pot (vermijd processen)
Ziekten komen te peirde en gaan te voete weg (het duurt zijn tijd om te herstellen van een ziekte)
’t past lijk nen hoed up nen borstel (het past in het geheel niet)
Hij heeft een borstelsteirt ingeslokt (hij is lang en mager)
Hij heeft in de seule gestampt (hij heeft een flater begaan)
Handen van de bank, ’t vlees is verkocht (lachend gezegd van iemand die een verloofd meisje ten dans vraagt)
Ze goan mank aan ’t zelfste been (ze hebben hetzelfde gebrek)
‘k goan het deur de billen jagen (ik ga het opeten, verteren of verkwisten)
Hij heeft natte voeten (hij is dronken)
Het hoofd scharten zonder jeuken (zich in verlegenheid bevinden, radeloos zijn)
Hij heeft het hoofd van een geirnoare (hij heeft niet veel verstand)
Hij heeft een hoofd lijk een ijzeren pot (hij heeft sterke hersenen)
Hij kamt hem het hoofd met een stoel (hij rost hem af)