Bedenkingen over ‘blauw’
Wij moderne mensen kennen allemaal het woordje ‘blues’ – en in Haringe kennen ze zelfs ‘Blauw-blues’ – en soms vraagt een mens zich dan af- heeft dit echt iets met ‘blauw’ te maken?
En zo zat ik op zekere dag – in de Leuvense Universiteitsbibliotheek, in het tijdschrift ‘Annales de la Société d ‘émulations de Bruges’ te kijken. En daarin vond ik in de jaargang van 1889 een deel onder de titel ‘Contes Populaires: coutumes religieuses et superstitions ‘.
Ondanks deze Franse titel zat hieronder dan weer een artikel in het Vlaams: ‘Verzamelinge van Westvlaamsche volksspreuken ‘ dat simpelweg bestond uit een lijst West-Vlaamse gezegdes.
In die lijst – nu meer dan honderd jaar oud – zaten enkele heel mooie spreuken. Zo bijvoorbeeld: het rosteel hangt er nog al hoge – wat zoveel betekende als het is er slecht in de kost – dus om er te eten.
‘Die voor een blanke geboren is, en zal tot de stuiver niet geraken’ – heeft niets te maken met rassendiscriminatie. Een ‘blank’ was één van de kleinste munteenheden – nog kleiner dan een stuiver.
Ook heel mooi – voor een ‘hoogveerdig’ iemand – is: ‘Hij peist dat de keizers katte zijn nichte is, en hij en is geen familie van de steert’. En voor iemand die tot niets verplicht was tegenover iemand anders, zei men: ‘Die niet besnot en is, en moet zijn neuze niet vagen.’ Over iemand met blozende kaken zei men: men zou een sulfer ontsteken op zijn kaken.
En voor iemand die vrij was – zei men – ’t is een veugel op een tak! – maar dat hoorde ik de laatste tijd nog zeggen.
Maar wat mij ook opviel was dat er in verschillende uitdrukkingen blauw voorkwam.
Hij zal er blauwe schenen lopen – wat zoveel betekende als – hij zal slecht varen – is duidelijk en slaat gewoon op de kleur blauw. Net als de nog steeds gebruikte uitdrukking: hij is blauw van de kou.
Net als de uitdrukking – ze lopen er zo dikke als de blauwe honden – wat ook wel op de kleur zal slaan.
Maar wat te denken van de volgende gezegdes:
De uitdrukking ‘hij heeft een blauw peerd’ wilde blijkbaar zeggen; dat hij geen paard had. Hij naait met blauwen twijn – betekende dat hij een bedrieger was.
Hij heeft u blauwe blommekes opgevest – betekende ook zoveel als dat hij jou bedrogen had of leugens verteld had; net als ‘hij heeft u blauwe doekskes opgehangen.’
Als iemand de schole geblauwd had – betekende dit dat hij uit de school weg was gebleven. Nu werd mij opeens duidelijk waarom men in de streek voor ‘smokkelen’ het woord blauwen’ gebruikt, en voor een smokkelaar – een blauwer. Smokkelen is uiteindelijk een soort bedrog – iets wat slecht is.
Hij heeft ‘de blues’ – hij voelt zich slecht – zou dan in het West-Vlaams tot ‘hij heeft ‘den blauwe’ – kunnen omgezet worden. ‘Blauw’ betekent blijkbaar steeds iets slecht.
Plaatst dit een uidrukking als ‘hij heeft blauw bloed’ misschien toch in een ander daglicht?
–
Uit Doos Gazette van 2005 – met mijn oprechte dank aan Guido Vandermarliere –


