Velen leerden hun toekomstige levenspartner kennen op hun werk. Een boerenmeid liep veel kans om met een boerenknecht aan te pappen, want ‘soort zoekt soort’. Een jonge meid kon ook wel een oogje laten vallen op een rijke boerenzoon (en zijn fortuin), maar de ‘schoonouders te wege’ (aanstaande schoonouders) staken daar wel zo vlug mogelijk een stokje voor, opdat er ‘geen ongelukken zouden gebeuren’!
Dat het niet al suiker en zeem is in het huwelijk, dat wist Narden van Sussens warempel goed. Narden had thuis nooit erg veel te zeggen gehad en meestal gestaan waar dat de borstel staat.
Petrus Vraeghe, Pier Paelinck in de wandelinge, was de jongste uit een bende van acht. Broers en zusters waren allemaal uitgetrouwd en voor hun eigen.
Boertje Pé, die op een klein gedoenselke woonde, kwam zijn vrouw te verliezen. Ze was nog niet koud, toen meneer de pastoor reeds ten huize kwam.