Geen markten zonder ezels. – Waar veel volk is zijn er mensen die zich laten foppen.
De herberg is de grote school van het zedenbederf. Het is daar dat de jongeling, die nauwelijks de schoolbanken verlaten heeft, het eerst en het meeste slechte klap hoort, het is daar dat hij de lichte vrouwspersonen tegenkomt die hem zijn eerlijke schaamte doen verliezen.
‘Met al die kinders’, zegt Madeleine, ‘ge zoudt er met geen stok door slaan. Ik weet oprecht niet waar eerst aan begonnen.. De een roept alhier; de ander jankt al ginder.
‘E zit mi ze kop in ze schoôt’.
‘E zit in de patatten’.
‘E leeft tegen ze goeste’.
Nen zot is entwie die in een donker huis jaagt achter scheeten.
Vandage is den laatsten dag van joen leven. Voor ’t moment toch nog.
Ge moet niet peinzen op al de miserie die nog overblijft, moar over al ’t schone da nog moet komen.