Smerige woorden ku’j niet ongedaan moaken. – ’t Is toch wel wreed dat de letter […]
Twee drinkebroers die blijkbaar een lading te veel ophadden, zaten samen in ‘De Volle Zon’. Ze zagen er bepaald triestig uit.
’t Begon te donkeren en Bruintje Berlaert, een oude boswerker, kwam van den Torrebusch gegaan nar huis tewege.
– Up elk potje past een ulleke
– Zet j een zaete en smoord een puupe
– Aele voern teegn wind
– De poot’n van zien gat loopn
Hoe meer da’j zaagt en hertefret, hoe langer da’j moe leven.
E probeerde te peinzen, mar d ‘er gebeurde nieten.
Hoe rapper da’j stapt hoe kleiner da’j zijt.
Ge kunt het niet al hebben in ’t leven, waar zou je ‘t trouwens al leggen?
Hij is al zo subtiel lijk e vliegende brieke.
Ze heeft meer roempels dan ’t gat van nen olifant.
E’n is zo verward lijk Adam up moedertjesdag.
E’n is o zo nerveus lijk nen kalkoen up kerstdag.
Pieter Vermeersch, een doodbraaf man die langs de Elverdingse kalsijde woont, was zo gevaarlijk ziek dat men het nodig oordeelde hem de heilige sacramenten te moeten toedienen.
Man: maar vrouwtjelief, ‘mag’ ik nen keer tot aan de herberg gaan om een pintje, ik zal seffens weer zijn en zal u niet lang alleen laten.
Als oude mensen beginnen te dromen
dat het leven is zoals de hemel het beschikt heeft,
is het heerlijk als zij een huis binnenkomen
waar het klokje tikt als het thuis getikt heeft.