Aanschouwt mij, hier en daar,
die bende Casselkoeien;
die, louter bruin van haar,
als zoveel blommen bloeien
Je ploegt enje plant, je zoait enje moait,
’n tyd knoagt an jun leven ol buten en ol binn’n
Een pulle dikke soepe en een seule errepels
En een more kaffie waeren Boerinnes spel
Bij het lezen van ‘Tooveraars en Zwarte Katers’ komt mij een historietje te binnen, authentiek waar gebeurd. Mijn moeder was geboortig van ’t Ruiseleeds Veld, en achter haar huis lag een kleine terp, door de mensen van het gehucht ‘den Berg’ genaamd.
Mijn vader werd geboren te Zonnebeke in 1844. Hij ging naar school, als men dit zo mocht noemen, tot aan zijn elf jaren. Dus tot na zijn eerste communie. Hij kon dan een weinig in de gazet lezen en wat schrijven zoals men sprak.
De krinkelweg
die naar de Moeren leidt
verglijdt in ’t vlammend rood
Vrouw vermoordt haar man met een kapmes
Het was maandag na kleinen tuindag (kermis) van het jaar 1521. Drie jonge dochters, Magdalena Ghijselin, Lucia Larmeson en Maxima Vanden Driessche, als buurmeisjes verenigd, en door de koelte van de vallende avond uitgelokt, wandelden langzaam door de stad. In de Tempelstraat gekomen zijnde, ontmoetten zij aldaar een klein paard, dat zonder leidsman was en scheen te dwalen. Dit beest was zo wonderlijk schoon, aardig en bevallig van gedaante, dat de drie maagden bleven stilstaan om het te bezichtigen.