28 mei 1291 is een niet onbelangrijke datum voor de orde van de tempeliers. Er […]
Wonderdokteurs, wel jongen, Burgrave (Deburgrave), dat was een. Dat was een geestelijke die zijn kap over de haag had gesmeten en dat was een dokteur.
Wider weunden hier niet verre van de vaart en up en avond komt er hier e wuvetje binnengelopen tenden (buiten) asem en al roepen “’t Is daar e verkeer, en ’t ruttelt met ketens, ’t is de waterduvel, ’t is de waterduvel.”
Je kunt een gat in je kous hebben, je kunt een gat in je kop hebben, je kunt een knoopsgat hebben, je kunt in een verlaten gat wonen, je kunt al een gat in een hoop kolen zien, de wind kan uit het verkeerde gat waaien, je kunt een pint in een zwelg door je keelgat gieten, je kunt je vrouw in de gaten houden en ’t gat (bodem) van je bloempot kan zelfs uitvallen.
Het was in de andere oorlog, een nicht van mij die betoverd geweest is, nè. En zij hielden café en ’t was een hofstede. En er gingen daar regelmatig bezoekers alzo, nè, om pinten te drinken en al. En er was daar een wijf dat alle dagen ging achter melk. En op een zekere dag, zij had chocolade gegeven aan haar, om op te eten.
A-t Ons Heere in ’t begin hier de wêreld schiep,
Hêt-ie, binst dat Adam ne keer neere lag en sliep,
Stilleweg een bêtje aan zijn karkas gefrutst,
En haastig ’teerste vrouwmensch in mekaar geprutst.
Van als Clemences tweede kindje een half jaar oud was, kwam ’t ziekelijk. ’t Teerde lijk geheel uit en ’t krees altijd. Dat was lijk geen schreien, maar lijk klagen, krijsen. En Clemence kreeg lijk benauwd en ze zei tegen haar vent: ‘Zouden we altemets niet naar de paters gaan?’ ‘Maar’, zei haar vent; ”t gaat algelijk zo slecht niet, ge gaat toch zo onnozel niet doen zeker?’