Vandamme met zijn grove leugens
Vandamme houdt woord. Winkels en magazijnen worden leeggeroofd, goederen en voorraden weggesleept. De generaal eist een oorlogsschatting van 1 miljoen pond en in afwachting van die betaling dienen vier prominente gijzelaars in hechtenis te blijven. Dat zijn de heren de Latre, Vermeesch, de Moucheron en Bernier-Mestdach. Ze geven hun vrijheid op en vertrekken de volgende dag naar Duinkerke en van daar leiden de Fransen hen naar de vesting van Rijsel. Ze zullen er tot de 8ste juli van 1794 gevangen blijven.
Generaal Vandamme laat het volgend verslag van de inname van Veurne voorlezen op de conventie in Parijs; ‘Ik ben deze morgen om 1u uit Duinkerke naar Veurne vertrokken. Ik verdeelde mijn leger in twee delen, het ene trok naar de Duinkerkse poort, het andere leger naar de poort van De Panne. Generaal Paugerat, aan het hoofd van 4.000 mannen zou Veurne langs een andere zijde aanvallen. De aanval werd om 5u ingezet en hoewel de vijand goed versterkt en in groot getal was, dreven wij hem uit de stad, het zwaard in de rug. Enige benden vervolgen hen nu nog: 100 slaven van deze dwingelanden zijn op het slagveld gebleven, 60 zijn er gevangengenomen.
Drie uitwijkelingen zijn in onze macht gevallen. Gij weet wat ik er mee doe. Ik geef mij de moeite niet van de krijgscommissie over hun lot te doen beslissen: mijn pistool en mijn zwaard maken er kort spel mee! Morgen zal ik Nieuwpoort innemen en overmorgen Oostende.’ De generaal vervolgt zijn verslag met een kanjer van een leugen; ‘in Veurne is geen plundering begaan, de republikeinen vragen enkel om te vechten en te overwinnen!’. Hij eindigt tenslotte als volgt: ‘Terwijl ik Oostende te lande zal aanvallen, moet Castaignies de stad langs de zee beschieten. Ik hoop dat men mij binnen acht dagen zal zeggen dat er een schone haven “was” te Oostende. Ik ledig de geldkoffers van de dwingelanden en niet tevreden met deze belasting, leg ik een voorraad aan tegen de winter zodat het leger niets zou kosten aan de republiek. Leve de vrijheid!’.
Overstroomd door het ziltige zeewater
Zijn verslag toont hoe fanatiek en scrupuleus Vandamme door de Westhoek raast. Nu ja, zijn voorspelling om in één beweging Nieuwpoort en Oostende te overmeesteren is in elk geval een miskleun. Hij begint inderdaad de volgende ochtend aan het beleg van Nieuwpoort en beschiet de stad dag en nacht, een beschieting die duurt tot op 30 oktober. Maar de keizerlijke troepen houden moedig stand. Dankzij het openen van de sluizen en het onder water zetten van Veurne-Ambacht dwingen ze de Fransen zelfs tot de aftocht. Die overstroming is dan wel een geluk voor het behoud van Nieuwpoort, Oostende en het Brugse Vrije.
Aan de andere kant brengt het water natuurlijke enorme schade aan voor de Veurne-Ambachters die hun vruchtbare bouwlanden en weiden een hele winter overspoeld zien van het ziltige zeewater. Ze beseffen nu al dat ze de volgende jaren niet aan oogsten zullen moeten denken. Een verslag van de heer Marrannes aan de Belgische Staten schildert de erbarmelijke toestand in het Westland: ‘de 21ste november 1793 zijn de Fransen vertrokken uit Alveringem, Wulveringem, Vinkem, Oeren, Sint-Rijkers, Izenberge, Hoogstade, Gyverinkhove, Pollinkhove enzovoort, nadat ze 73 dagen aldaar hun verblijf gehouden hebben en een extraordinaire schade aldaar gedaan hebben, dewelke dan maar vertrokken en nu waren tot Leisele en Houthem en daaromtrent.’
Op 15 oktober overwint Jourdan de bondgenoten in Wattignies aan de zuidkant van Rijsel. Daardoor rukken nu diverse legerbenden op om bezit te komen nemen van al de plaatsen tussen Menen, Waasten en Poperinge. Op 22 oktober verschijnen de Fransen voor Ieper die ze gedurende twee dagen beschieten. Tijdens die periode krijgen de Ieperse bezetters extra versterking en houden ze de stad met 7.000 mannen bezet. Ze wagen een uitval door de Bellepoort en ontmoeten de vijand bij Dikkebusvijver. Na een hevig gevecht moeten de Oostenrijkers met het nodig verlies van krijgers naar Ieper terugkeren. De 29ste slagen ze wel in hun opzet om de Fransen te verdrijven. Ook in Poperinge en Menen is er sprake van een bezetting door de geallieerden.
Op het platteland is het niet beter
11 november 1793. Generaal Vandamme verovert nog maar eens Poperinge en de omliggende dorpen en blijft er twee weken lang gelegerd. Het magistraat begroot de schade van hun verblijf op een half miljoen. Allemaal met toestemming of in opdracht van Vandamme. In de Sint-Janskerk maken de Carmagnolen een stapel van al het hout dat ze kunnen bemachtigen en nadat ze er het vuur in hebben gestoken lopen ze naar de markt met de boodschap dat de kerk in lichterlaaie staat. Een getuige vertelt achteraf dat het vuur vanzelf zal uitdoven. Op het platteland is de situatie niet beter.
Op 14 november rond 9u in de ochtend krijgen ze in Haringe het bezoek van de Fransen. Hun bevelhebber stuurt enkele mannen naar de hofstede ‘Het Blauwhuis’ om er een wagen op te eisen die voor de kerk moet gevoerd worden. Kapelaan De Caestecker wordt na zijn mis verrast door twee Franse legeroversten die hem en zijn koster Van Trecht oppakken en daarbij het bevel geven om alles wat draagbaar is en enige waarde bezit op de wagen te laden. De twee klokken worden op staande voet van hun gestel geworpen en vallen door het gewelf van de kerk. Die bewuste klokken zouden momenteel nog aan te treffen zijn in Bergues.
De bevelhebber in Haringe zwaait met een bevelschrift van Vandamme dat hij alle schilden en gedenktekens van de edele families van de muren der kerk moet verwijderen en vernietigen. De buit in de kerk is best matig. De kerkgewaden zitten al lang op een veilige plaats verborgen en zullen veel later terugkeren. Bij de boeren is er ook al niet veel meer overgebleven om te stelen. Wie nog iets bezat aan vee of roerende goederen is er al lang mee op de vlucht geslagen van zodra de ‘nations’ de Heybeke passeerden.
Daags nadien, rond 22u komt een bende van ongeveer 100 Fransen uit Hondschote naar Roesbrugge op zoek naar een nachtverblijf. Wat best een probleem is want er staan hoop en al maar een twintigtal huizen recht na de vorige verwoesting. Geen slaapplekken en ook zo goed als niets om te jatten, de gasten vertrekken teleurgesteld, maar niet zonder hun frustraties te laten gelden door het huis van de Oostenrijkse ontvanger Gringoir, de bouwvallen van de kapel en de houtstapel van bakker Viane in brand te steken.
Twee dagen later zien ze diezelfde mannen terug op de uitkant van Beveren-aan-den-IJzer die grenst aan de Ijzer en aan Roesbrugge. Ze breken er enkele huizen af en gebruiken het puin om een verschansing te maken. Een plaats waar de Fransen meteen een kanon opstellen dat wijst in de richting van de Poperingestraat. Gelukkig breekt de winter aan. De kou verplicht de Franse benden om hun plunderingen uit te stellen en te gaan overwinteren in hun legerplaatsen te Rijsel, Cassel, Bergues en Duinkerke. Onze landlieden die van alles beroofd zijn lijden die winter koude en gebrek. Ze zien het jaar 1794 met angst tegemoet.
–
Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


