banner
mei 7, 2021
1072 Views

Verblijfplaats Pupurningahem

Written by
banner

Al vijf eeuwen zijn de Romeinen heer en meester over België. De Frankische vorst Claudion, die de voogdij over ons land krijgt tussen het jaar 428 en 447, slaagt er in om de macht en in invloed van Rome in de streek grondig af te bouwen. België is na zijn bewind niet langer Romeins maar wel degelijk Frankisch gebied geworden.

De chefs van een reeks Frankische clans kunnen zonder verdere noemenswaardige Romeinse tegenstand hun pas veroverde gebieden onder elkaar verdelen. Een voorganger van de eerste forestier van Vlaanderen, Falander, is getrouwd met Blesinde, de dochter van de Frankische. Claudion dus en die schenkt het gebied van Poperinge aan zijn schoonzoon Falander. De Frankische familiechef Pupurn besluit zich te vestigen in het gebied van Falander, ergens op de kruising tussen de Fleterna rivier en de heerweg Cassel-Torhout. Langs die weg zullen later Steenvoorde, Poperinge, Elverdinge en andere dorpen ontstaan.

De as Cassel-Torhout doorsnijdt vele kilometers verder naar het noorden het immense woud van de regio van Torhout. Overal in de buurt wonen er nu Frankische immigranten. De nakomelingen van de Frank Elfraad leven in Elverdingahem. Het volk van Vlamert heeft zich gevestigd in Vlamertingahem en de kinderen van Pupurn zorgen er voor dat hun verblijfplaats Pupurningahem gaat heten. Het gebruik van het achtervoegsel ‘hem’ bewijst dat we te maken hem met de Franken. Of de Elfraads, de Vlamerts en de Pupurns de namen waren van clans, is voer voor discussie. Eeuwen later. Als we geschiedschrijver Jacobus Malbrancq mogen geloven in zijn ‘geschiedenis van de Morinii’ is Pupurningahem in de 7de eeuw het domein van Regentrude, de kleindochter van Russilo, een Frank afkomstig van Bourgondië.

Regentrude trouwt met Walbert die graaf is in Arcques en die bovendien een heerlijkheid bezit in de nabijheid van Sithiu, dat later in de geschiedenis de naam van St.-Omer zal krijgen. Hier in dit Sithiu speelt een zekere Bertinus een belangrijke rol die wezenlijk zijn impact zal krijg op de groei en de geschiedenis van Poperinge en de Westhoek. Anno 2014 zijn de namen van Bertin en Bertinus nog altijd prominent aanwezig in en rond de stad van Poperinge. Voldoende redenen om eens op zoek te gaan naar de man. Wie is Bertinus? Waar komt hij vandaan?

We vertrekken naar het jaar 590. Naar Luxeuil-les-Bains in het Franse departement Haute-Saône. Niet zo ver van Zwitserland. De heilige Columbanus, een Ierse monnik en missionaris van het Keltische christendom, sticht er met zijn elf gezellen een klooster in een voormalig Keltisch heiligdom dat in 451 was verwoest door de Hun Attila. Ze bouwen er de abdij van Luxeuil, een klooster waar ze een leven leiden dat gedomineerd wordt door bijzonder strenge kloosterregels. Conform de voorschriften die rond 405 door de heilige Eremiet van Alexandrië werden vastgelegd.

Het is een leven van dagelijks vasten, bidden, werken en lezen. Het koorgebed is lang, het stilzwijgen eeuwigdurend. Die strengheid voelen de oude Germanen als een uitdaging. Het wordt al spoedig de meest welvarende abdij van Gallië. In 603 komt Columbanus in aanvaring met koningin Brunhilde van Austrasië en hij wordt verbannen. De abdij blijft echter goed functioneren onder zijn opvolgers, zoals bijvoorbeeld de heilige Eustatius van Luxeuil. Ze stichten verscheidene nieuwe kloosters en adviseren bestaande kloosters bij hun ontwikkeling.

De autoriteit van Luxeuil is toonaangevend in heel Francië. Hier ligt trouwens de bron van de verdere evangelisatie van Gallië. Bekende missionarissen van de abdij van Luxeuil zijn; Sint-Acharius, Sint-Ansegisus, Sint-Aubertus, Bertinus van Artesië, Sint-Mommelinus, Sint-Odmar (Sint-Omaars), Sint-Eustachius, Sint-Remaclus en Sint-Walaricus (de heilige Valeer). Vooral Bertinus en Odmar zullen zo hun invloed laten gelden op de Westhoek. We gaan terug naar de origines van Bertinus. Hij is de man die we moeten hebben. Bertinus wordt tussen 600 en 610, als zoon van een christelijke adellijke familie, geboren in het Zwitserse Konstantz.

Bertinus is pas zeven jaar als hij geïnspireerd wordt door zijn dorpsgenoot Odmar die ingetreden is in het klooster van Luxeuil. Samen met zijn vrienden Mommelinus en Ebertram besluiten ze alle drie om hun leven te wijden aan de verering van de christelijke leer. Ze doen hun intrede in het klooster van Luxeuil.

De abdij kent een enorm succes en het aantal monniken groeit in minder dan vijftig jaar aan tot vijfhonderd stuks. Dagobert, de toenmalige koning van het Frankenrijk, is bekommerd om de verspreiding van het christendom onder de Franken, de Friezen en de Saksen. Het barbaarse heidendom van de oude geschiedenis heeft al te veel gezorgd voor oorlog, ellende en miserie en met die nieuwe godsdienst kunnen de mensen stukken beter in het gareel gehouden worden. Het belang van het christendom voor een land zonder oorlog betekent zonder meer een uitdaging.

Er wordt veel tijd en energie gestopt in de kerstening van de bevolking. In 637 vraagt hij aan bisschop Acharius van Doornik om een geloofsverkondiger te sturen naar die meestal nog heidense bewoners. Acharius is zelf monnik geweest in Luxeuil en heeft er Odmar gekend. Hij hoeft er niet lang over na te denken en hij suggereert om Odmar aan te duiden. Walbert, de abt van Luxeuil en koning Dagobert gaan akkoord met het voorstel. Ze sturen Odmar naar Terenburg (Terwaan), de vroegere hoofdstad van de Morinen. Odmar komt er aan in 639. Aanvankelijk verkondigt hij het evangelie als een gewone monnik, maar na enkele tijd wordt hij door de bisschop van Reims tot bisschop gewijd.

De invloed van het bisdom van Terenburg strekt zich uit over de hele Westhoek. Die Westhoek moeten we ons voorstellen als zeer bebost, moerassig, weinig bebouwd en bevolkt door Salische Franken, en aan de kust vooral door Saksen en Friezen. Het is overwegend een plattelandsbevolking met enkele grootgrondbezitters die beschikken over één of meerdere villa’s. Hofsteden. Zo heeft de grootgrondbezitter Adroald er een twintigtal van die villa’s. De grootgrondbezitters heersen over de bewoners die hen de naam ‘comes’ of graaf toekennen. Ze leven van de landbouw, veeteelt, jacht en visvangst.

De Morinen zijn een ruw en heidens volk dat leeft volgens de Salische wetten. Oog om oog en tand voor tand. Er is sprake van schedels die met ijzeren voorwerpen ingedeukt worden, van kwetsuren die de hersenen bloot leggen, van hersenen die onder één slag uitspatten, van ingewanden die, na slagen door speer of mes toegebracht, uitpuilen, van het gebruik van giftige pijlen. We zien vrouwenroof, diefstal met geweld, inbraak, verkrachting, vergiftiging, manslag. Er is dus nogal wat werk aan de winkel voor onze Odmar.

Uit deel 1 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Tags:
· ·
Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *