banner
feb 15, 2025
289 Views
Reacties uitgeschakeld voor Waarom spreken we eigenlijk Vlaams?

Waarom spreken we eigenlijk Vlaams?

Written by
banner

Waarom spreken we in Vlaanderen Vlaams, en waarom spreken de Walen en de Fransen Frans? Boeiende materie waar ik wel wat meer wil over weten. De meeste geschiedschrijvers zijn ervan overtuigd dat de Romanisering in West-Frankrijk er pas op een laat tijdstip gekomen is. Ze hebben het over de streek tot aan de Kwinte (de Canche) en zelfs verder tot aan de Somme die absoluut sterk Germaans moet geweest zijn. Van Es zit met een pak vragen. Hij vindt het merkwaardig dat Vlaanderen, oorspronkelijk een klein gebied tussen Brugge en Duinkerke zich op termijn zal uitbreiden tot over de Somme. Dit gebeurt door de expansiepolitiek van zijn eerste graven. De Franse koningen zullen achteraf de kwijt gespeelde gebieden voor een deel weer recupereren. In de praktijk komt het er op neer dat Picardië zich zal uitbreiden tot de noordelijke regio van de Somme. De grenslijn tussen het Vlaams en het Frans bevindt zich toen dus in het hartje van Picardië.

Maar laat me toch maar beginnen bij het begin. Met de komst van de Germanen naar Gallië. Eerst en vooral is er natuurlijk de naam van Gallië zelf. Caesar geeft volledig onterecht de naam van ‘Galliërs’ aan al de mensen die wonen in het gebied tussen de Pyreneeën, de Atlantische oceaan tot aan het noorden. Een algemeenheid die ferm van de pot gerukt is. In het zuiden van het latere Frankrijk leven de Aquitani, in het centrum de Galli. Ten noorden van de Seine zijn het de Belgen. Drie volkeren met hun eigen taal, wetten en zeden. Daarnaast blijkt dat er al Germanen (onder hen ook de Kimbren) leven in de Elzas, in de Ardennen, Brabant en Limburg. Die moeten er al leven een eeuw voor het begin van de nieuwe tijdrekening.

Het jaar -100. In die regio leven er geen Galliërs. Dat alles ten westen en noordwesten van de Po geïdentificeerd kan worden als één groot Gallië is doodgewoon een verzinsel van Julius Caesar. Ik richt me op de Belgen. Die leven in de tijd van de Romeinen boven de Seine en later – dankzij de expansiedrang van onze eerste graven – schuift die grens naar het zuiden, tot aan de Loire. De Belgen zijn grotendeels afstammelingen van de Germanen. Ze leven hier trouwens ook samen met echte Germanen. Zoals de achterhoede van de Kimbren en de Teutonen die hier de voorraden bewaken wanneer hun legers naar Verceil en Aix trekken waar ze in het jaar -100 een nederlaag aan hun broek gesmeerd krijgen van de Romeinen. Achteraf zullen diezelfde Kimbren en Teutonen zich voorgoed vestigen in het gebied waar later Tongeren zal ontstaan.

Er leven nog andere Germaanse stammen in de regio van de Belgen. De Paëmani, Eburones, Condrusi, Segni. De Nervi en de Treviri bestempelen zichzelf ook als Germanen. Veel geschiedkundigen zijn van mening dat de Germanen al rond -500 het dal van de Rijn bereikten. Tot in Koblenz zaten ze al. En dat is ook het geval met het dal van de Maas tot aan Maastricht en verder tot aan de Schelde in Antwerpen. Vandaar ook hun conclusie dat de Belgen voor een flink deel afstammen van de Germanen. De bewering van Caesar dat de Belgen de dapperste van de Galliërs waren houdt dan ook geen steek. De Belgen zijn in die dagen gewoonweg geen Galliërs. Spijtig genoeg neemt onze vaderlandse geschiedenis die gefantaseerde bewering klakkeloos over. De strijders hier zullen ongetwijfeld indruk gemaakt hebben maar waren wel geen Galliërs. Naast de Galliërs en de Belgen zijn er de Liguren of de Liguriërs. Een Indo-Europees volk die zich volgens Wikipedia al heeft gekoloniseerd in een groot deel van West-Europa.

Opnieuw een bevestiging dat er tussen 2000 en 1000 voor de nieuwe jaartelling ooit één gemeenschappelijk taalgebied ontstaan is over heel West-Europa, Groot-Brittannië incluis. De massa aan plaatsen, plaatsen aan het water bezitten hier nog altijd één gemeenschappelijk kenmerk: een dubbele ‘l’ in de naam. Ik denk aan ‘Bruxelles’, ‘Lille’, ‘Kemille’, ‘Ijsel’, ‘Hilleveld’, ‘Gullegem’ en duizenden anderen. Van Es heeft het dus over mijn fameuze Indo-Europeanen. De Liguren. Hij plaatst hun komst rond -1500. Een algemene volksverhuizing vanuit Klein-Azië waarbij de Liguren via de Balkan de Rijn en Engeland bereiken. Ze gaan zich settelen tot in Nederland. Vijfhonderd jaar later worden ze door de Kelten uit noordwest Europa verdreven en gaan zich daarna noodgedwongen vestigen in de buurt van Marseille en in de Ligurische Alpen. De dubbele ‘l’ in Marseille zal dus ook hier geen toeval zijn.

De vernoemde Kelten worden rond -1000 aangetroffen ten zuiden van de Pyreneeën waar ze bekend staan als Zee-Kelten. Ze onderscheiden zich van de Galliërs die in feite toen nog hun bovenburen zijn. Van de Liguren is bekend dat ze klein van stuk zijn, rondhoofdig, met donkere haren, donkere ogen en een donkere huidskleur. Ik herken er mezelf in. Ze worden omschreven als zijnde van het Alpine ras, genoemd naar de Alpen. En van de Liguren is ooit geschreven dat de Alpinen uit Klein-Azië waren. De latere Fransen omschrijven de Alpinen onterecht als zijnde een Keltisch ras. Zijzelf stammen af van de Galliërs. De lichaamsbouw van de Alpinen komt vooral voor in het zuidwesten en dat laat de Fransen veronderstellen dat ze gelinkt kunnen worden aan de Spaanse (zeg maar Keltische) bevolking daar. En dan zijn er natuurlijk de Germanen. In de tijd van Caesar leven ze vooral in Duitsland en in Nederland. In België worden ze ook al opgemerkt. Er is hier onder meer sprake van de Nemetes en de Triboci, in de Elzas leven er Vangiones.

De Romeinse historicus Tacitus beweert rond het jaar 100 bij hoog en bij laag dat de Germanen afstammen van de godin der aarde ‘Twisto’ of ‘Tuïsto’ (vandaar trouwens het woord twisten of ruzie maken). Die Twisto zou volgens hem trouwens ook ‘Mannus’ gebaard hebben. Die bewuste Mannus zou de eerste Germaan geweest zijn. Oorspronkelijk zou de term ‘Mannus’ synoniem staan met ‘mens’, maar later zullen het Engelse en Nederlandse ‘man’ en het Duitse ‘Mann’ naar Mannus verwijzen. Mijn mannetje zorgt voor drie zonen. De afstammelingen van die zonen zullen met verloop van tijd zorgen voor drie bevolkingsgroepen. Germaanse stammen met de voor mij onbekende namen als de Ingaevonen. de Herminonen en de Istaevonen. Ze leven respectievelijk aan de kust, in het centrum en in het oosten. Later zullen jongere stammen zoals de Marsi, de Gambrivi, Suevi en Vandali zich ook gaan beschouwen als nazaten van Mannus.

Van Es gelooft dat Tacitus de oudste overlevering en de spelling van de stammen vrij correct heeft neergeschreven. Een andere Romeinse letterkundige, Plinius de Oudere, heeft ondertussen al een andere indeling van de Germanen klaar. Hij verdeelt ze in vijf groepen. De Vandali (Burgudiones, Harini, Charini, Gutones) die vermoedelijk in het oosten leven. De tweede groep zijn de Ingaevonen (Cimbri, Teutones, Chauci) gekend als volkeren die aan de kust wonen. De derde groep Germanen; de Istyaeones (Sigambri) wonen aan de Rijn. Centraal vindt men de Hermiones (Suebi, Hermunduri, Chatti, Cheruaci) en ook de Peucini-Bastarni. De oprukkende Romeinen zorgen voor heel wat volksverhuizingen van dat zootje aan stammen. Ik weet het, beste lezer; allemaal ingewikkelde toestanden met moeilijke namen. Ik probeer ook nog de bomen doorheen het bos te zien en deze materie te transformeren tot een min of meer verstaanbare tekst. Tijdens de eerste eeuwen van de Romeinse dominantie in West-Europa rukken de Istyaeones verder op naar het westen en dat verklaart meteen de druk van de Germanen in de tijd van Caesar. Die heeft het in zijn geschriften over al die onderlinge verhuizingen.

Ik beperk me tot de gebeurtenissen in de buurt van het Belgisch grondgebied. Onder de verdreven volkeren bevinden zich de Ubii, de Menapii, de Texuandri, de Chatti en de Batavi. Caesar laat de Ubii toe in de streek van Keulen nadat ze hun Germaanse nationaliteit hebben afgezworen. Dat geldt ook voor de Menapii die verhuizen naar de regio van Brabant. Ze krijgen er een korte tijd later ook het gezelschap van de Texuandri. Plinius de Oudere situeert de Menapii al ten westen van de Schelde. Rond -13 verhuist een tak van de Chatti uit Hessen naar onze regio. De Chatti beloven aan de Romeinen als tegenprestatie om voortaan hun bondgenoten te zijn. Ik denk meteen aan de Catsberg, Cadzand en de kattenstoet van Ieper die op vandaag nog altijd herinneren aan de komst van die Chatti meer dan tweeduizend jaar geleden. In de Betuwe (Gelderland in de oosten van Nederland) komen de Batavi zich vestigen. Nog voor het jaar nul wordt ook de komst van de Usipetes, Tencteri en Sugambri gesignaleerd.

Tijdens het bestuur van Caesar bezitten de Nervii gebieden tot aan de Schelde. In het westen wonen hun buren, de Morini. Na de komst van de Menapiërs, de Usipetes en de Batavieren wonen die laatsten tot aan de toenmalige monding van de Oosterschelde. De Menapii zitten geprangd tussen de Nerviërs en de Morinen waardoor de Morinen noodgedwongen verhuizen naar West-Vlaanderen. In die tijd zitten de Romeinen stevig in het zadel en zijn ze er in geslaagd hun bestuurlijke indeling op te leggen aan de bevolking. Het ‘Gallia’ van de Romeinen raakt zo ingedeeld in verschillende Romeinse provincies. Aquitania, twee Galliae, Belgica (ten noorden van de Seine) en twee Germaniae. Die twee Germaanse gebieden zijn Germaniae Superior met grote gebieden van het latere Frankrijk en Zwitserland. Germaniae Inferior bevat het latere Duitsland, de Ardennen en het oosten van Nederland tot in Nijmegen. In de loop van de Romeinse dominantie zal de oorspronkelijke indeling verder verfijnd worden en zal het Gallia van Caesar ingedeeld worden in zeventien provincies samen met de zeven van Hispania en de vijf van Brittannia. Ze zullen allen in één grote prefectuur samensmelten met Trier als hoofdstad die daardoor zal uitgroeien tot de grootste stad boven de Alpen.

In de negenentwintig provincies voeren duces (hertogen) en comites (graven) het bevel. In dat grote noordelijke gebied wordt met verloop van tijd het Christendom ingevoerd. Met rond het jaar 300 al bisschoppen te Trier en Keulen. In 350 sticht Servatius het bisdom Tongeren. Die stad blijft door de Romeinen bezet tot in de vijfde eeuw wanneer ze dan zonder slag of stoot achtergelaten wordt. Van Es maakt van de gelegenheid gebruik om zich te focussen op het vertrek van de Romeinen. Veel historici situeren het afscheid rond het voor hen catastrofale jaar 406 wanneer de Germaanse stammen in massa over de Rijn trekken terwijl ze zelf opgejaagd worden door de Hunnen. De voorbije eeuwen is er altijd wel trammelant geweest tussen de Germanen en de Romeinen waarbij de Italianen gewoonlijk aan het langste eind trokken.

Veldheren en keizers in spe hebben lauweren nodig en ze zorgen er zelf wel voor dat er positief geschreven wordt over hun bestuur en hun krijgsprestaties. Wie kan per slot van rekening precies weten wat waar of niet waar is? Niemand kan nagaan wat er zich in de realiteit afspeelt aan de grenzen. De overwinningen waarover ze schrijven; wat zijn die waard? Zelfs de machtige Caesar ziet zich al vroeg verplicht om opdringerige Germanen toe te laten op zijn grondgebied. Hij legt ze misschien wel voorwaarden op. Maar laat veel van die zogezegde overwinningen maar voor wat ze waard zijn. Tijdens de daaropvolgende drie, vier eeuwen zien we voortdurend nieuwe stammen die toegelaten worden, zelfs nadat ze verslagen werden.

Na duidelijke en afdoende overwinningen worden er veel mannen gedood, tot slaaf gemaakt en voor de wilde dieren geworpen. Maar ik mag niet vergeten dat Rome zware belastingen eist doorheen zijn hele grondgebied. Taksen die de provincies uitputten en die in Gallië op veel plekken zorgen voor ontvolking. Dat is op zich al een reden om vreemdelingen op het grondgebied toe te laten. Volkeren die verslagen zijn, ‘laeti’, Laten, zeg maar horigen die hier moeten komen werken op de akkers. De immigranten worden verplicht om de versterkingen aan de grenzen te onderhouden en te herstellen waar nodig.

Zo gemakkelijk gaat het allemaal niet voor de Romeinen. Het pas veroverde Westfalen zijn ze al weer kwijt in het jaar -9. Hetzelfde geldt voor Friesland in het jaar 58. en er volgen nog veel andere voorbeelden. Het verslag heeft het ook over het westen van Vlaanderen en Nederland. Het hele gebied is zo lek als een zeef en haast oncontroleerbaar voor de Romeinse bezetter. Plinius de Oudere heeft het over twee duineneilanden enkele kilometer ver in zee. Hij heeft het over Flevum en Helinium, twee meren tussen opgehoopte duinen ergens in de Noordzee ten noordwesten van Frankrijk. Die eilanden zorgen er voor dat Brittannië min of meer in de buurt van onze contreien blijft. Boulogne wordt in die tijd omschreven als Gesoriacus. Caesar maakt er melding van. Hij heeft het over de Morini die kort voor zijn tijd nog uitgeweken zijn naar Brittannië en later teruggekeerd zijn onder de naam van Brittanni. Later zal Gesoriacus zich afscheiden van het grondgebied van de Morini.

Het blijft een komen en gaan van Germanen in de Romeinse provincies. De Sugumbri in de buurt van de Rijn, de Saksen tussen Westfalen en Twente. Die doen mijn schrijver denken aan de Merovingers en hun koning Merovech. En wat te denken van Clovis die bij zijn doop de naam Sigamber meekrijgt? Hoewel in die tijd de algemene naam van de Franken gebruikelijk is geworden? Waarom gaan de namen van de afzonderlijke Germaanse stammen over op de algemene naam ‘Franken’? De verklaring is vrij simpel. Door het verval in Rome komen veel vrije Germanen zich vestigen in Gallië, naast de bestaande horige rasgenoten die hier een ondergeschikte rol spelen ten dienste van de Romeinen. De enen zijn dus vrij en de anderen feitelijk slaven. De naam ‘Frank’ onderscheidt de vrije Germanen van de Laeti.

Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 7
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.