banner
dec 28, 2020
901 Views

Wanneer ik door West-Vlaanderen slenter

Written by
banner

Ik ben al meer dan anderhalf jaar weg gebleven uit Poperinge en beslis om daar eindelijk iets aan te doen. 31 januari 2015. Zaterdagmorgen halfzeven. ‘Notices Historiques sur La Ville de Poperinghe’ van historicus Jean-Jacques Altmeyer en volume 2 van de complete Cantata van Johan Sebastian Bach staan zijde aan zijde in poleposition om me de volgende weken op weg te sturen naar de bronnen van mijn buurstad.

Ik heb het boek jaren geleden en blad na blad gefotografeerd in het Ieperse stadsarchief. Op de titelpagina figureert de handtekening van Alphonse Vandenpeereboom. Dit Franstalig boek uit 1840 zal me gidsen door het verleden van Poperinge en dompelt me op slag onder in de geest van de toen 36-jarige Altmeyer. Ik laat hem meteen aan het woord. Houd er rekening mee beste lezer, dat wat nu volgt, geschreven is kort na de onafhankelijkheidsverklaring van België. De sfeer van de Westhoek bijna 200 jaar geleden is nu en dan bijna fysiek aanwezig tussen de pennenvruchten van mijn metgezel.

Zijn getuigenissen van toen worden meteen mijn verslag van 2015. Zijn ik-persoon wordt mijn ik-persoon. Enfin; zo neem ik het me toch voor. Benieuwd of me dat ook zal lukken. Als ik door West-Vlaanderen slenter, wordt ik overvallen door een onbestemd gevoel van melancholie en treurnis. Veel plaatsen zijn vereenzaamd en verlaten. Terwijl ze vroeger weelderig, vol leven en zwanger waren van de drukte en van de animositeit. Vandaag heeft een sombere stilte de plek ingenomen van de gezellige drukte van de ambachten en van de vrolijkheid van de feesten die zich ooit afspeelden binnen de stadsmuren van Ieper, Brugge en zo veel andere merkwaardige steden.

De thuis van duizenden volders
Ooit was dit de thuis van duizenden volders en wevers die hier comfortabel woonden, behoorlijk gevoed en goed gekleed waren. Hun ambachtelijke kunsten brachten een bloeiende handel naar Vlaanderen. Zilver van Polen, hermelijn van Bulgarije, druiven van Portugal, wol van Engeland, was van Rusland en zo veel meer. Na dat wulps succes is alles stijl naar beneden gedonderd. Brugge doet me anno 1835 eerder denken aan het Pompeii van de middeleeuwen. En waar moet ik naartoe met Damme en met Poperinge? Damme was ooit het middelpunt van de exclusiefste purperen stoffen.

Van de plaats waar vroeger schepen van over de hele wereld aanmeerden, is niet veel meer overgebleven dan een stoffig en miserabel dorp dat volledig verzand en ingedijkt is. En dan is er Poperinge. Hier op de grens van de kasselrijen van Veurne en van Cassel en op twee locaties ten zuiden van Ieper, ligt Poperinge. Van zijn oorspronkelijke pracht resten er nog drie mooie kerken en een ruime marktplaats. Twee keer hebben de vlammen deze stad verteerd tijdens de middeleeuwen. In de dagen dat Poperinge nog deel uitmaakte van de Vlaamse hanze en toen nog gestoffeerd was met 17.000 textielarbeiders. Nu wonen er in heel groot-Poperinge nog amper 10.000 inwoners. Er zijn maar weinig geschiedkundigen die zich bezig hebben gehouden met Poperinge. Zelfs de kronieken van Sint-Bertinus zijn karig met informatie. En toch zijn er weinig Vlaamse steden waarvan er zoveel documenten zijn overgebleven.

Poperinge, eigendom van Sint-Bertinus
Het lijkt me een uitgelezen moment om die oude geschriften uit te pluizen en zo de oudste Poperingse geschiedenis boven water te halen. Mijn kennismaking met die oude documenten is trouwens geheel toevallig gebeurd. Een jaar of twee geleden bracht ik enkele dagen vakantie door bij mijn vriend Charles Van Renynghe die burgemeester is van Poperinge. Tijdens de periode van de Franse revolutie die ook woedde over Vlaanderen, heeft hij er voor gezorgd dat Poperinge niet geplunderd werd.

En nadien heeft hij zijn best gedaan om Poperinge uit een diepe malaise te halen met de oprichting van een muziekvereniging, een middelbare school, een college en een tekenacademie. Een vluchtig onderzoek van de lokale archieven levert tot mijn verwondering belangrijke historische vondsten op. Wie had ooit kunnen denken dat ik die zou vinden in een plaats als Poperinge? Het depot van de stukken is helaas een echte puinhoop. De Belgische autoriteiten zouden beter al de lokale geschiedkundigen stimuleren om alles hier op een rijtje te zetten. Tijdens mijn kort verblijf in Poperinge ga ik in elk geval eens snuisteren in de schat aan documenten.

Poperinge, waar kom jij vandaan? Poperinge noemde oorspronkelijk Pupurningahem en die naam evolueerde verder tot Poperingahem en Poperinghem. Onder de Merovingers werd het uitgestrekte domein eigendom van de abdij van Sint-Bertinus in St.-Omer. Dat moet gebeurd zijn in het jaar 658. Of was het 668? Graaf Walbert, een figuur van koninklijken huize, schonk in die dagen het klooster van Arkes (villa Arcarum en later Arques) aan de proost van Sint-Bertinus. Met inbegrip van het hele gebied van Poperinge.

De abten spelen God over Poperinge
De villa ‘Pupurningahem’ situeert zich langs de grote Romeinse heerweg. De plek zelf zit diep verscholen midden in één groot uitgestrekt bos. Karel de Kale bevestigt in 877 officieel dat Sint-Bertinus eigenaar is van Poperinge. De opeenvolgende abten van St.-Omer zwaaien de volgende eeuwen de scepter over het Westhoekdomein. Ze worden hierbij ondersteund door de reeks Vlaamse graven die de revue passeren en die in de loop van de jaren ook zelf actief zijn in het bestuur van Sint-Bertinus. De abten laten zich de grafelijke bescherming welgevallen. Voorzien van staf en mijter en beladen met goud en juwelen spelen ze God over het jonge Poperinge.

Alleen de bisschop heeft nog een grotere macht. Vanaf de 6de eeuw laten ze al in toenemende mate hun invloed gelden op de Westhoek. Ooit leefden ze onthecht, bescheiden en in eenzaamheid weg van de wereld. Daar is van langs om minder van te zien. De nieuw verkozen abten gaan de boer op. Gedaan met contemplatie en eenzaamheid. Ze verschijnen op de politieke en religieuze scene waar ze grote diensten bewijzen aan de kerk die zich nog in zijn puberteit bevindt. Godsbelijdenis zal eeuwen aan een stuk geld in het bakje brengen. Veel geld. De Sint-Bertinusabdij profiteert mee van de domheid van de mensen en wordt decadent rijk.

De monniken zwemmen in het geld en in de privileges. De abten lopen zijde aan de zijde met de bisschoppen. Naar hun stem en die van de andere abten in Vlaanderen wordt geluisterd. Poperinge ligt niet bij de achterdeur van St.-Omer en zo wordt beslist om een afzonderlijke priorij te stichten die de zaken in het domein moet beheren. Een soort bijhuis. Een filiaal van de multinational Sint-Bertinus. De ‘chief executive officer’ van die dagen wordt als ‘prior’ omschreven.

De stad groeit als kool
Hij vervangt de abt en handelt in zijn naam. Enkel de zaken van groot belang worden nog beslist vanuit het moederhuis. Hoewel vaderhuis misschien een beter gekozen naam zou zijn. Het toekennen van lokale rechten is bijvoorbeeld strikt voorbehouden aan de abt van St.-Omer. De prior zorgt er enkel voor dat zijn beslissingen worden uitgevoerd en gerespecteerd. Poperinge groeit als kool. In 1147 is de plek al uitgegroeid tot stad. Voor wie er woont en zich wil komen vestigen, komen er voorrechten en vooral reglementen waar iedereen zich aan dient te houden. Statuten van de multinational. Het jargon van de middeleeuwen heeft het over een ‘keure’ en het is de graaf die beslist of steden al dan niet een keure mogen bezitten.

De eerste Poperingse keure komt er in datzelfde jaar 1147. Met toestemming van de abt van Sint-Bertinus uiteraard. Het is een kopie van het exemplaar die de mensen van Veurne hebben ontvangen van graaf Dirk van de Elzas. Filips van de Elzas doet er 40 jaar later nog een schepje bij. Poperinge leeft en bruist en krijgt voortaan zijn eigen markt en de exploitatierechten om handel te drijven via het water. Tussen Poperinge en de IJzer wordt er werk gemaakt van een kanaal. Langsheen het traject komen er houten constructies, ‘overdrachten’ en ‘dobbele kraenen’ die zwaarbeladen boten moeten helpen loodsen tot in de stad. Het verval van het water is maar zus en zo en zonder die kunstgrepen zou het onmogelijk zijn om via het water handel te drijven met de buitenwereld.

De steden zorgen voor nieuwe gemeenschappen
Rudolf, de heer van Reningelst, regelt het in 1197 dat ook Reningelst via Poperinge verbonden wordt met Nieuwpoort. Vanaf het jaar 1000 blijft trouwens niets zoals het was in Europa. De opinies en de zeden van de mensen ondergaan grondige wijzigingen. Het fenomeen van de steden steekt de kop op. In het prille Vlaanderen zien we hetzelfde gebeuren. De opkomst van onze steden heeft duidelijk zijn oorzaken. Eerst en vooral heeft de Romeinse bezetting die verschillende eeuwen geduurd heeft zowat het eigen cultureel erfgoed gewist. De mensen kunnen niet langer terugvallen op hun oude tradities want die zijn er niet meer. Ze zijn niet meer bang om te vechten voor hun zelfbehoud en hun zelfstandigheid.

Hun vrijheid vinden ze van langs om meer in de schoot van nieuwe gemeenschappen die bepaalde rechten toegeschoven krijgen van de graven. Ook in Poperinge komt het volk in opstand om de nodige gemeentelijke vrijheden uit de brand te slepen. In 1147 ontstaat er een rebellie van de Poperingenaars tegen de Sint-Bertinusabdij. De wapens zullen niet neergelegd worden tot dat de heer abt bereid is om te luisteren naar hun bekommernissen. De graaf van Vlaanderen ziet zich verplicht om tussen te komen in de bloedige gebeurtenissen van die dagen. Zo krijgt de stad dan toch zijn eigen grondwet.

Het is voorwaar een harde maatschappij
In 1208 wordt die voor alle geruststelling nog eens door de abt en de graaf bevestigd en verlengd. Plechtige beloftes van de abt zijn het. Hij zal de goede mensen van Poperinge beschermen in hun rechten. De amman, de hoogste rechter van de stad, kan niet langer naar eigen willekeur goederen en eigendommen afnemen van de stedelingen. Voortaan dient hij hiertoe toelating te hebben van een magistraat. Als hij het toch riskeert, zal hij zijn functie moeten neerleggen en zal hij een boete moeten betalen van 3 pond. Elke beschuldigde zal voortaan zijn oordeel ondergaan in het bijzijn van de abt en krijgt zijn straf van gezworenen. Hij of zij zal nooit langer gestraft worden dan oorspronkelijk voorzien.

Alle goederen die aangeslagen worden door de amman dienen opgeslagen te worden in de abdij in St.-Omer tot dat de beschuldigde zijn straf heeft uitgezeten. Alleen het hof van Sint-Bertinus is bevoegd om klachten van schepenen en gezworenen te behandelen. Onderhandse transacties van gronden en woningen kunnen niet langer. Alle aktes dienen geofficialiseerd te worden door de centrale abdij. Als twee inwoners met elkaar op de vuist gaan, zal de aanstoker de kosten betalen. De doodstraf wordt ingevoerd voor moordenaars. Ten minste als de beschuldigde niet wordt vrijgesproken door de rechtbank.

In dat geval kan de dader vrijuit gaan. Als de straf effectief uitgesproken wordt, rest er nog een laatste strohalm voor de gestrafte. De vuurproef. Blootsvoets over een bed van gloeiende kolen stappen of een gloeiende ijzeren staaf met de blote handen vastnemen of meer van die plezante bedoeningen. Bezwijken tijdens deze onmenselijke proeven staat synoniem met de doodstraf die er dan onmiddellijk op volgt. Voor wie zich sterk houdt, wacht de vrijheid. Dat allemaal volgens de keure van 1147. Het is voorwaar een harde maatschappij.

Vrouwen die met elkaar vechten
In een nieuwe versie van 1232 wordt er wat geschaafd aan het strafrecht. De beschuldigde komt vrij als vijf juryleden, de keurheren of de ‘choremanni’, hem onschuldig verklaren. Als de jury twijfelt, is het aan de acht getuigen, de ‘compurgatores’ om hun oordeel uit te spreken. In alle gevallen heeft de beschuldigde het recht om te komen aandraven met eigen getuigen. De verschrikkelijke vuurproef geldt niet alleen voor moordenaars, maar iedereen die bestraft wordt voor diefstal, laster en gokken, weet wat hem of haar te wachten staat. Vrouwen die met elkaar vechten, zijn al helemaal uit den boze. Direct een dubbele boete met een minimum die nooit lager zal uitvallen dan 3 pond, een bedrag dat in de 12de eeuw als een maximum boete aangestipt staat.

Vreemdelingen die zich in Poperinge komen vestigen, moeten na een tijdje hun trouw zweren aan de keure. Als ze dat weigeren, moeten ze 10 sols betalen aan mijnheer de abt en worden ze achteraf dan toch nog verplicht om die eed af te leggen. Vlaanderen ontpopt zich ondertussen als het centrum van de handel in West-Europa, met activiteiten die zich uitstrekken tot in Spanje, Italië en Rusland. Frankrijk en Engeland zijn trouwe handelspartners. De handelslobby die de Vlaamse textielproducten promoot, wordt vanaf de 12de eeuw omschreven als de Vlaamse hanze en die maakt op zijn beurt onderdeel uit van de hanze van London. Zeventien steden maken deel uit van de internationale hanze. Historicus Warnkoenig heeft ze allemaal opgelijst. Voor Vlaanderen lees ik Rijsel, Ieper, Douai, Arras, Doornik, Gent, Brugge, St.-Omer, Montreuil, Diksmuide, Belle, Poperinge en Orchies.

Uit deel 5 van ‘De Kronieken van de Westhoek’

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *