Anno 1919, op de 11de januari, mijn zus, mijn jongste broer en ik lieten Pittem achter ons om op bezoek te komen in mijn verwoeste parochie Dikkebus. Te Kortemark stapten we op de lijn van Ieper. Rond Hooglede waren er hier en daar al gronden die bewerkt waren maar in Staden was dat niet langer het geval. We zagen van langs om meer verwoesting. We kwamen voorbij Stadenberg. Langs beide zijden van de ijzerweg lag het vol abris. Van nu voort was de grond zodanig doorwoeld door de bombardementen dat men noch hagen, noch beken of grachten kon ontwaren. We bevonden ons nu in de statie van Westrozebeke. Maar welke streek! Wel vier keer meer obussen dat op de slechtste plekken van Diksmuide.
En zo ver onze ogen kijken konden zagen we overal en langs alle kanten hetzelfde eentonig akelig gezicht. Putten, putten vol water, hopen en bermen aarde, onregelmatig door elkaar nog erger dan de duinen van de zee. We zagen nergens nog gebouwen, zelfs niet langer puin. Slechts hier en daatr een afgeschoten boom als een stomme toeschouwer van die levenloze streek. Enkel aan de noordkant wat verhakkelde staken. Alles wat er restte van het vermaarde bos van Houthulst. Maar overal in het rond gebroken of achtergelaten oorlogstuig, geweren, kanonnen, wagens en rond de statie van Westrozebeke zelfs veel tanks. Verder tenten, trapwegels. Nergens waren er nog loopgraven te zien, ze waren allemaal kapotgeschoten. We naderden Langemark. Noord van de ijzerweg toonde mijn broer Remi ons de plaats waar ze gezeten hadden tijdens de Duitse aanval van 17 april 1918. Ze zaten op een hoogte en zagen de Duitsers in de laagte in dikke drommen op zich afkomen. De Belgische kanonnen, mitrailleurs en geweren vuurden verschrikkelijk. De mannen bleven op hun post en de vijand werd teruggeslagen.
Anno 1919, op de 11de januari, bleef de trein stilstaan in Langemark. Was dit de statie van Langemark? Maar wie zou dat kunnen geloven? Als dit de statie was dan moest de dorpsplaats zich wat verderop bevinden. Maar daar was niet het minste spoor van. De grond was hier vermoedelijk zeven of acht keer doorwoeld. Men zou vlugger geloofd hebben dan dat het hier in vroegere dagen land of weide was dan dat er zich hier vier jaar geleden nog een groot schoon dorp bevond.
De dorpsplaats van Boezinge was al even onvindbaar. Mijn broer wees naar een grote abri op zowat 150 meter van de ijzerweg. Volgens hem waren dit de overblijfselen van de kerktoren en dat was alles wat er nog restte van Boezinge. Hier stapten we af. Het was 10u45. We hadden wat gegeten op de trein want we hadden nu een verre reis te doen. Door deze woestijn te voet op weg naar Ieper. We stapten langs een eenzame baan met geen enkele woning. We bemerkten de opeenvolgende schuilplaatsen aan de linkeroever van de Ieperlee. De enige soldaten die we op onze weg ontmoetten waren mannen die aan de kerkhoven werkten. Ieper zag er verschrikkelijk uit maar toch minder slecht dan ik verwacht had.
’t Is te zeggen dat er nog meer puinen overgebleven waren dan ik gedacht had. Ik bemerkte rond de statie nog een paar huizen die nog zouden kunnen hersteld worden. Toch was het bijzonder pijnlijk om aan te zien hoe al die schone monumenten nu vergruisd waren. De hallentoren stond er nog tot op een hoogte van 25 meter. Er waren nog enige stukken van de Sint-Maartenskerk recht gebleven. Van de Sint-Pieterskerk was er nog het meest van over. Men zei dat er te Ieper reeds twee huisgezinnen woonden langs de kant van het zothuis. Ik ontmoette er geen andere burgers dan twee velomannen, geladen met velobanden die ze uit Frankrijk geblauwd hadden. Ze leken niet zeer op hun gemak en vroegen me de weg naar Kortrijk.
Anno 1919, op de 11de januari, van Ieper naar Dikkebus stapten we samen met Julia en Flavie Opsomer die ook afgekomen waren om de streek te bekijken. Het was overal dezelfde wildernis. Op de plaats zag ik amper drie à vier huizen die konden hersteld worden. De Chinezen waren bezig met de vensterkassijnen uit te breken van het huis van Alouis Borry om te verbranden. Ze hadden een groot kamp op en voor de weide van Remi Onraet. Het schijnt dat ze dan geen ander werk deden dan alles te gaan afbreken wat er dan nog recht stond om het dan in barbaarse leute in brand te steken. Van de kerk staken er enkel nog twee of drie ’tuiten’ uit. De rest lag plat. Het kerkhof was de meest gebombardeerde plaats van de gemeente. Ik zag ten hoogste maar twee of drie kruisen meer, en dan nog langs de noordkant.
Ik vernam dat er dan drie huisgezinnen op Dikkebus terug waren. Jules Ooghe en Henri Saelen waren teruggekeerd in oktober en Jules Maerten in december. Van Dikkebus gingen we naar De Klijtte. We zagen er hetzelfde droevig tafereel. In de stal van de Tivoli vonden we burgers thuis, het waren de eerste. We verwarmden er onze koffie en aten onze boterhammen op. Van daar ging we naar de Hoekskens naar Westouter. Aan de Scherpenberg zag ik in de gracht twee dode paarden liggen met het harnas aan. Westouter was erg toegetakeld maar hoe dan ook in betere staat dan Dikkebus en De Klijtte. De kerk was langs alle kanten doorschoten maar naar mijn oordeel was ze wel herstelbaar. Op Westouter leefden dan 400 à 500 inwoners, meestal op de Brabant.
Anno 1919, op de 17de januari, werd het postbureel van Vlamertinge opnieuw ingericht in herberg ‘De Strooien Hen’, Grote Branderstraat. Postmeester Odiel Lanssens liet ondertussen een houten tent bouwen in de hofweide van Jozef Veys-Goethals, op het hoeksken. Vanaf 24 april 1919 zou het postbureel overgebracht waren in die tent. Behalve Vlamertinge werden ook Elverdinge, Brielen, Ieper, Dikkebus, Voormezele en Zillebeke ook enige tijd door het postbureel van Vlamertinge bediend. Halverwege het jaar kreeg Elverdinge zijn eigen postbureel en op 12 augustus 1919 zou het postbureel van Ieper heropend worden.
Anno 1919, februari, Boezinge. Emiel Tytgat en zijn zoon Kamiel vonden bij hun terugkeer naar Boezinge niets meer terug van de woning waar ze voor de oorlog hadden gewoond. Toch konden ze er min of meer de plaats van vaststellen. Ze brachten de nacht door in een abri omdat het …te laat was om naar de vluchtelingenplaats terug te keren. Toch mocht niet iedereen zomaar terugkeren. Er moest eerst een aanvraag gebeuren en een toelating komen van de ‘Office de Repatriement’ te Parijs. En dat kon best duren want men moest eerst bewijzen dat men een woning ter beschikking zou hebben. Emiel Tytgat kon dat allemaal aan den lijve ondervinden.
Hij bouwde met enkele planken en balken een soort schuilhut zodat hij zijn familie kon laten overkomen. Daardoor kon zijn zoon Urbain met een vluchtelingentrein vanuit Frankrijk met een vluchtelingentrein overkomen naar België en vervoegde hij zijn broer Kamiel als de volgende Boezingenaar. Het was een helse reis geweest tot hij uiteindelijk op de juiste trein naar Kortrijk kon reizen. Op een zondagmorgen einde februari zag hij eindelijk de puinen van Ieper, aan het station was er geen kat te zien. En dan maar naar Boezinge….De hele dag bracht de ’tjolare’ door met het zoeken naar zijn vader en broer in een oord dat ooit nog Boezinge was geweest. Om 18u doolde hij nog altijd rond door de wildernis. Hij ontmoette er geen mens, tot hij uiteindelijk bij zijn terugkeer uit ‘Het Voske’ het hok aantrof waar zijn vader en broer huizenierden. Het wenen stond hem nader dan het lachen. Gedurende veertien dagen hadden ze in dat hol gewoond, overdekt met golfplaten met aarde erbovenop.
Er was geen enkel venster, de deur was een soort plankier uit een andere abri die rechtop gehouden werd met een stut. Een kaars was de enige verlichting. Het probleem was om aan voedsel te geraken. Om de twee dagen konden ze brood halen in ….Poperinge! Om daar te geraken was een fiets de eerste vereiste. Voor 300 frank kon vader Tytgat er een op de kop tikken. Broer Kamiel was chef-kok van vak maar kon zonder grondstoffen niet veel recepten uitproberen. Ze moesten het water uit de bomputten scheppen en eerst ferm koken. De koffiebonen maalden ze door ze op een plaat uit te gieten en er dan met een fles over te rollen. In Poperinge konden ze ook een soort vleeswaren kopen van het Amerikaans hulpfonds dat naar hun president ‘Wilson-vet’ werd genoemd. Het bestond uit een laagje mager vlees met heel veel vet er aan. Dat vet was volgens Urbain eerder geel dan wit, zelfs de muizen wilden er niet van eten.
–
Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ – werk in opbouw


