We kennen nog allen de sprookjes uit onze kinderjaren waarin dieren handelend optreden en vertrouwelijk met de mensen omgaan.
Hond in volkszeg en spreuken uit de omstreken van Brugge
We kennen nog allen de sprookjes uit onze kinderjaren waarin dieren handelend optreden en vertrouwelijk met de mensen omgaan. Zelfs brandt de uitdrukking nog op onze lippen: Dat is zeker gebeurd ten tijde dat de dieren spraken? Wij vinden het ook doodgewoon dat een meester van zijn hond getuigt: ‘Die beeste en heeft maar de sprake te kort’. Hoe vertrouwd het volk is met het doen en laten van sommige dieren, möge blijken uit de hiernavolgende zegswijzen – alles afgeluisterd – in gewone gesprekken.
De trouw van den hond is spreekwoordelijk geworden. In ’t Frans wordt hij zelfs ‘Fidèle’ gedoopt. Wij hoorden hem elders ook kameraadschappelijk ‘vriend’ noemen.
Een kindje of vrouwtje die iemand overal trouw naloopt: ’t Is gelijk een hondje.
Een verkept dingen: Is bedorven gelijk een schoothondje.
Doch de mensch toont zich niet al te erkentelijk voor zoveel trouw, want: ‘Die een hond wil slaan, vindt altijd een stok’, om te beduiden hoe gemakkelijk men een voorwendsel vindt om iemand kwaad te doen.
‘Hij trekt zijn steert in’, als iemand gevoelt dat zijn handelwijze of gezegde ongewenst is.
Zijt ge ergens ongunstig gekend: ‘Gezien gelijk een hond in den hutsepot’, of als variante: ‘Nog slechter behandeld dan een hond’, want ‘Die hond is, moet de benen knagen’.
Als gij gevoelt dat gij het gezelschap stoort: ‘’k Viel daar binnen gelijk een hond in een kegelspel’, Anderen nemen het met een lachertje op: ‘Zeg, ’t was honden buiten!’
’t Moet zijn dat de hond niet altijd buiten gejaagd werd: ‘Zulk (slecht) weêr, g’en zoudt er geen hond deure jagen’.
Uit welk een innig meevoelen ontstonden de spreuken: Ziek zijn gelijk een hond,
of:
Klagen gelijk een hond,
ook nog:
Zoo moe gelijk een hond, dat is kortweg: doodmoe.
Wie gemakkelijk opschiet en met grote woorden dreigt:
‘Bassende honden bijten niet’.
Van een kort gekeerd, bitsig mens:
’t Is altijd bijten en bassen,
of:
’t Is gelijk een hofhond.
Dat bijten en bassen op eenzelfde persoon zou van een engel een duivel maken: ‘Als ze altijd op dezelfde hond bassen, hij maakt hem kwaad’.
Wie gezien is als ’t vijfde wiel aan een wagen kan met bitterheid zeggen: ‘Ja, ‘k heb ook nog iets te zeggen als de grote hond gebast heeft’.
Schoolgaande knechtjes zingen onderweg in koor: Pier pak jen hond vast dat hij niet en bast!
Zoekt ge tevergeefs naar iets dat ‘blakke bloot’ ligt:
‘Dat het een hond ware, hij zou u bijten’. Om te zeggen dat ze ‘in elkaars rapen zitten’: Twee honden aan een been komen zelden overeen.
Waar het werk niet opschiet of tegen stroom gewerkt wordt:
‘Met onwillige honden kan men geen hazen vangen’.
Degene die zijn mening niet vrij kan of mag uitdrukken, is ‘gemuilband’.
Gelukkig die ver van de overheid leeft, want: ‘Hoe nader de hond, hoe nader de bete’.
Van iemand die te keer gaat als een bezetene: ‘’t Is gelijk een razende hond’,
of: ‘Zijt ge van een wroeden hond gebeten dan?’
Als ge te laat komt aan tafel: ‘Ge zult den hond in den pot vinden’.
Dubbelganger: ‘De kat in uw telloore vinden’, en nog een derde variante: ‘Ge zult met de pottebakkers eten’.
Een goed gekende spreuk: Al dat ge spaart uit uw mond is voor de kat of voor den hond.
Wie de slechte hoedanigheden van zijn ouders vertoont: ‘Hij heeft het van niet verre gedeeld – hij heeft het van geen honden gedeeld’.
Wie alles ontdekt en achterhaalt: ‘Loopt rond al snuffelen gelijk een speurhond’.
En als gij er het fijne van weet: ‘’k Weet wel waar dat den hond gebonden ligt’.
Waar alles overhoop ligt: ‘’t Is gelijk een hondennest.’
Wordt iemand zenuwachtig aangespoord om zich te haasten: ‘Je moet mij niet aanjagen gelijk een hond.’
Om te zeggen dat het onmogelijk waar kan zijn, dat het ‘Van dat Waregems waar is’: ’t Is gebeurd in ’t land van de kallebassen, waar dat d’hondjes met hun sterretje bassen.
Dat is zoveel te zeggen als: ‘Ge zijt aan ’t drukken (zonder inkte)’ of: ‘’t Staat in een boek zonder blâren’
In de beleefdheid komt de hond ook van pas. Als ge op de vraag: ‘Wie?’ kortweg antwoordt: ‘Ikke’:
Ik, zei den hond, en hij beet in zijnen steert.
Vraagt ge onbeleefd weg: He-e?
‘Den hond heet Kadee’, of: Wadde? (Wat?)
Een stuk van een padde
Een stuk van een puid,
Lekt den hond zijn teel uit.’
’t Wordt ook nog grover gezegd;
Wadde? (Watte?)
Watte? Neen wulle
Om je bakkes te vullen.
Een Vlaming hoort ook niet graag in ’t Frans bedanken:
Zegt ge merci…?
Den hond heet Merci,
ofwel: ‘Merci is opgehangen, maar zijn broer leeft nog.’
Over huwelijksvoornemens sprekend:
Geluk met de teef, zei Meuleman,
En hij gaf zijn dochter te huwen.
Van iemand die ge met weinig paaien kunt:
‘Hij is gezet gelijk een hond met vlooien.’
Zo zegt men ook: Die met den hond gaat slapen zal zijn vlooien betrapen.
De hond geraakt maar niet vergeten, al is hij dood.
‘Wegen gelijk een doôn hond’, van iets dat zeer zwaar is om dragen.
Als ge het eerste het gereedste neemt dat bij de hand ligt: ’t Zal meer bijten of niet, zei de vent, en hij smeet met een doon hond naar zijn wijf.
Een Variante voor: De kleren maken den man, en die z’heeft doet z’aan:
‘De krulle van den steert,
Is ’t fatsoen van den hond’,
’t is te zeggen: Men moet naar behooren het uiterlijk bezorgen.
–
Magda Cafmeyer in Biekorf 46 van 1940-1945



Grappig om te lezen! Als mijn moeder echt kwaad is, zegt ze altijd: “godvernondemiljaardedju”
Een superleuke vloek die ik ondertussen ook al overgenomen heb haha