De stoomkoets… hier komt ze aangevlogen
Ontzaglijk snellend op haar baan.
Zij briest en bruist en dampt ten hoogen,
En voert haar trein met trotsheid aan.
Dixmude, hef de kreet der blijheid!
De stoomkoets is de macht der vrijheid
Die gij thans vieren moogt en moet.
Zij brengt u ’s konings afgezanten,
Zij komt den boom der welvaart planten
Zingt, klokken! daver wellekom groet!
DE IJZEREN SPOORBAAN
ingehuldigd te Dixmude, op den 9 Mei 1858.
–
Door
Vrouwe Van Ackere, geboren Maria Doolaeghe
–
Vooruit! riep tot de slapende aarde,
De geest die volksbeschaving wekt.
En Fulton, dien onze eeuwe baarde
Had de almacht van den stoom ontdekt.
Daar zeilt het schip, daar ijlt de wagen
In vliegensvlucht rond de aard gedragen,
En ’t volk verstomt voor d’edlen vond,
Die trotse bergen ondermijnen,
Der steden afstand deed verdwijnen,
En rijken met elkaar verbond.
–
Hij bloeit en groeit op onze gronden
De landbouw, erfelijke schat.
Die zalver van de diepste wonden,
Die vader onzer bakermat.
Hij pronkt hier op zijn milde koeien
En ossen die lot reuzen groeien;
Hij reikt den handel hier de hand
En breidt zich voor het zonnedagen
Een werkkring uit met wel behagen
Zo in als buiten ’t vaderland.
–
Hoort gij ’t gebons der mokerslagen
Op ’t gloeiend staal? Hoort gij ’t geknar
En ’t daverend krassen van den wagen
Die aanrijdt nevens koets en kar?
’t Is marktdag : ’t volk doorgolft de straten.
De ploegen dorsvloer zijn verlaten,
Het schip lost vlas-en korenvracht.
En fier bespannen wagens rollen
Ter marktplein die ’t met kuipen vollen,
Waarin de gouden boter lacht.
–
Zij komt! Zij rolt de statie binnen,
Haar strooien wy gebloemt en groen;
Haar vieren duizend huisgezinnen
Met zegeboog en mei festoen.
Niet achteruit wil ’t volk hier deinzen,
’t Wil als verlichte Belgen peinzen,
’t Wil met den geest der eeuwe voort.
Luid spreekt die geest in d’ijzren wegen
Verbreidend huis- en handelszegen
Vooruitgang is zijn machtig woord!
–
o Kleine stad buigt ’t hoofd niet langer:
Het uur van uw verheffing slaat,
De tijd van kunst en kennis zwanger,
Wierp in uw grond zijn vruchtbaar zaad.
Is de oude vesting neergevallen
Die ’t oorlogsdonder eens deed knallen:
Uw bolwerk is uw spoorweg thans.
Bevoorrecht naast de grootste stede
Geniet gij ieder gunst en vrede
o Puike bloem in Westvlaanderens krans.
–
Vooruit! vooruit dan, stoomkoets wielen,
De voortgang is een wenk van God,
Dc voortgang doel ons christelijk knielen
En wee die ’s Heerens wenk bespot!
Hij voert met nooit gedroomde krachten
Naar ’t ander werelddeel gedachten
En klaart den zwartsten schuilhoek op.
Stout zal op zijne wiek gedragen
De kennis hoger opvaart wagen
En steigeren zegerijk in top.
–
De stoomkoets… hier komt ze aangevlogen
Ontzaglijk snellend op haar baan.
Zij briest en bruist en dampt ten hoogen,
En voert haar trein met trotsheid aan.
Dixmude, hef de kreet der blijheid!
De stoomkoets is de macht der vrijheid
Die gij thans vieren moogt en moet.
Zij brengt u ’s konings afgezanten,
Zij komt den boom der welvaart planten
Zingt, klokken! daver wellekom groet!
–
Lof aan den sloom dien vorst der volken!
Gezegend ieder ijzeren baan!
Geen toekomst meer duikt achter wolken :
Stoutmoedig staren wij die aan.
Wij durven in haar duister lezen;
Wat heeft het mensdom nog te vrezen
Van domheidsgeest of grammen tijd?
Wat woestheid zal het nog bevlekken,
Wat hongersnood in ’t graf nog trekken
Waar de ijzeren baan is ingewijd?
–
Zij voert de zegen der beschaving
Tot naakte kust en treurig oord.
o Geestverlichting, zielsontslaving
Geen volk of ’t juicht eens op uw woord.
De slaaf ontrukt aan zweep en keten
Zal, zijner diepe ramp vergeten,
Zich vrij gevoelen in zijn hut.
En ’t eeuwenheugend bos zal vallen
Wiens dicht geboomte, als sterke wallen,
Der wilden woest gezin beschut.


