banner
aug 1, 2025
145 Views
Reacties uitgeschakeld voor De lievekindjes van Sluis

De lievekindjes van Sluis

Written by
banner

In de week voor Pinksteren 1435 wordt een koopvaardijschip van de Engelsen propvol goederen bestemd voor de markt van Antwerpen, ter hoogte van Walcheren onderschept door de baljuw van Middelburg, wordt het volk aan boord gevangen genomen en naar de gevangenis van Middelburg geleid. Blijkbaar hebben de gewone mensen nog een hartig eitje te pellen met de Engelsen. Het gemeen trekt naar de gevangenis en eist van de baljuw en de ontvanger van Zeeland dat ze samen met de Engelsen opnieuw aan boord gaan en dat de Engelse kooplieden ‘haer goed wedergheven souden oft sy souden se alle dootslaen.’

Sluis. Twaalf dagen later. Ergens in een of andere obscure kroeg hebben enkele kooplieden uit ‘Oestlandt’ het over hun koopmansschepen. Het moet ergens tussen zeven en acht in de avond zijn. In diezelfde kroeg vangt een Vlaamse poortersknaap uit Sluis flarden op van het gesprek en gaat hij er zich mee gaan bemoeien. Het komt al vlug tot een hevige woordenwisseling. De ene beschimpt de andere en uiteindelijk jagen de oosterlingen de jonge Vlaming weg uit de taverne.

Maar die laat het er niet bij en hij trommelt een man of vijf op om zich te revancheren op die vreemde snuiters. ‘Dese Vlaminc haelde iiij oft v goede ghesellen ende trac ten huuze, daer hy wiste dat een van desen Oesterlinghen by sinen boel te bedde gegaen was; daer ghinghen sy slaen, ende steeken up de dore ende up de veinsteren van den huus. De Oesterlinc dit verhoerende ghinc staen ter solder veinstere, roupende ende makende gheschal, soe dat someghe van sinen ghesellen hoerende ’t geruchte, quamen hem te hulpen, roepende: ‘Slaet den croeden Vlaminc doot.’ Wat begon als een ordinaire caféruzie, ontaardt in een bloedbad.

De oosterlingen slaan een Sluizenaar de kop in en roepen en tieren dat het geen naam heeft. Het gaat er zo luidruchtig aan toe dat de omwonenden wakker worden en ze ‘stonden up van haren bedde, ende sy trocken in de huuzen ende herberghen daer de Oesterlinghe woenden ende ghelogiert waren, ende slougher veele doot, ende men seide voerwaer datter meer de lx Oesterlinghen doot bleven, hendelic de heeren ende de wet warts gheware, ende sy bevalen den volke t’huuswart te gane, elc in sijn ruste.’ Voor wie het moeilijk heeft met Romeinse cijfers: 60 (zestig) oosterlingen worden er die nacht in Sluis afgemaakt. De baljuw schiet de volgende morgen direct in actie. De aanstokers van de moordpartij worden opgepakt en de dinsdag voor Sacramentsdag onthoofd. Er is sprake van vier onthoofdingen.

Gille Meeus, een zekere de Keysere en Coppin Pilsse zijn er zeker bij. Bij de vierde dader gebeurt er iets speciaal. Loy Joerdaens heet de man. Hij heeft een laatste verzoek voor hij ter dood zal worden gebracht. Hij wil nog één keer op bedevaart trekken naar Wilsenaken in het oosten van Duitsland en er het heilig bloed aanraken. Maar de beul, in dit geval de hangman, negeert het verzoek van Loy Joerdaens.

‘Het gheviel dat des vorseiden Loys oghen verbonden waren ende sijn handen, ende was gheknielt, ende de hangman hebbende geheven ’t zweert om den selven Loy te onthoefdene, het rees eene eerdtbevinghe, ende de hangheman beschaemt sijnde, hy liet sijn zweert vallen, ende des Loys handen die ontbonden, ende hy trac sine scroede aff, ende ghinc paysivelijc door al ’t folc dat daer up de marct was, dies wel ijm sijn mochte tot in Onser Vrouwenkerke, visentheerende ’t heylighe Cruus ende dbeelde van Maryen, ende van danen trac hy ter steede uut, tot den heylighe Bloede van Wilsenaken.’ ‘Gered van de galg’, noemen ze zoiets, en dan nog door een aardbeving.

De zaterdag na Sacramentsdag begint het grote avontuur voor de Vlamingen. Die van Gent en van de kasselrij trekken met man en macht op richting Calais. De tocht gaat langs de Leie en leidt hen in eerste instantie naar Hazebroek. ‘Hier hebben ze nog een eitje te pellen met die Diederijc van Haesbrouc die de Casselnaars zo laffelijk aan hun lot heeft overgelaten tegen de Engelsen. ‘Ende so worpen sy aff Diederijcx huus van Haesbrouc, ende oec sijn molene, omme dat hy den Casseleers verradelyke uut den velde ontvloe, ’s maendaghs in de Cruusweeke, ende liet se daer van den Inghelsschen vermoerden ende verslaen, niet jeghenstaende dat hy haerlieder capiteyn ende hoeft was.’

De Bruggelingen zijn al enkele dagen vroeger vertrokken. Niet met hun volle gedacht. Dat zal wel! Op de dag van de heilige Barbara. Samen met hen trekt het volk van Damme, Oostburg, Aardenburg, Torhout, Oostende, Oudenburg, Monnikenrede, Houke, Blankenberge, Gistel en Diksmuide mee. De ‘Kronyk’ heeft het over een menigte van vrome lieden. De massa houdt halt bij ‘Sente Baefs’ waar ze hun kamp opslaan in afwachting van de komst van die van Sluis, die dan plots weigeren van mee te doen.

Het gerucht loopt dat de graaf ze uiteindelijk vrijstelt van legerdienst om dat ze hun haven in de gaten moeten houden. Het humeur van de Bruggelingen verbetert er niet op. ‘De lievekindjes van Sluis mogen meer weer dan wij! De troepen van het Oostvrije slaan hun kamp op ‘buten der Smedepoorte, nort van die van Brugghe, tusschen Sente Baefs ende den Tempelhove’ en wat later vertrekken ze met zijn allen richting Calais.

Op 23 juni 1436 zijn de Vlamingen gearriveerd tussen Grevelingen en Loon. Op de vooravond van Sint-Baptist, bij ons beter bekend als Johannes de Doper, monstert hertog Filips van Bourgondië zijn troepen. De Bruggelingen krijgen nog versterking van zeshonderd Mechelaars. Mannen van diverse pluimage. De expeditie naar Calais komt nu pas echt goed op gang. Eind juni nemen ze het kasteel van Hoyen (Dentergem?) in na een kort beleg. De kasteelheer en zijn vierenvijftig soldaten worden aan de galg opgehangen en het kasteel wordt zo goed als met de grond gelijk gemaakt. De woede van de Bruggelingen richt zich op alles wat Engels is. Het opzeggen van de handelsakkoorden tussen Vlaanderen en Engeland zit daar voor veel tussen.

De wol blijft liggen in Calais terwijl die broodnodig is in Vlaanderen. De volgende stop leidt de meute naar het kasteel van Marke waar 104 Engelsen gevangen genomen worden. Ze worden afgevoerd naar het Gentse Gravensteen. Daar in Marke treffen ze nogal wat soldeniers aan. Allerhande bannelingen uit Vlaanderen, Brabant en Holland die zich voor de kar van de Engelsen hebben laten spannen en dat nu bekopen met hun hoofd en leven. De 9de juli arriveren de Vlamingen in de buurt van Calais. ‘Up den ixten dach in Hoymaent ghinghen de Vlaminghen ligghen voer Calays, met tenten ende met pauwellioenen.’ De eerste dag valt er al een eerste slachtoffer te betreuren. Jan Rijm, de rentmeester van het Zeelandse Aremuide wordt gedood. De Picardiërs sluiten zich aan bij de Bruggelingen.

De 21ste juli volgt er een eerste echte schermutseling tussen de Engelsen en de Vlamingen. Een ‘scoffelture’. ‘Soe hadden de Inghelssche van Calays eene scoffelture jeghen die van Brugghe, metgaders den Pickaerden, die dien van Brugghe te goede wordden.’ Tijdens een tweede gevecht worden er zesendertig Bruggelingen gevangen genomen of gedood.

De 27ste juli kruipt de hertog van Bourgondië door het oog van de naald als hij zich ongewapend en bovendien zonder zijn maliënkolder in de duinen naast Calais begeeft. De Engelsen hebben Filips in de gaten gekregen en staan op het punt om hem gevangen te nemen. Gelukkig is er Jan van Platielles die zijn prins net op tijd kan waarschuwen voor het acute gevaar. Tijdens de schermutseling kan Filips nipt wegglippen, maar Jan van Platielles wordt opgepakt en naar Calais afgevoerd.

De volgende dag is het zaterdag. Rond de middag wagen de Engelsen een nieuwe uitval en vallen ze de versterkte houten belegeringstoren, aan die de Gentenaars daar hebben aangebracht. De Vlamingen trekken aan het korte eind. Honderdtwintig Gentse doden. Dergelijke dodentol is er te veel aan. De tegenstand is veel te sterk, tegen deze zwaar bewapende Engelsen kunnen ze weinig of niets uitrichten. Ze besluiten om de aanval op Calais te staken en terug te keren naar hun thuisstad, ‘als waeromme die van Gendt ’s nachs daer naer, omtrent der middernacht, al heymelic velden hare tenten ende hare pauwellioenen, ende vertraken binnen der nacht van voer Calays te Gendt waert, latende voer Calays veele provanchen van spyzen ende van dranke.’

Als die van Brugge, Ieper en het Brugse Vrije vaststellen dat de Gentse vogels gaan vliegen zijn, besluiten ze om hun voorbeeld te volgen en naar huis terug te keren. Ze liepen al niet over van enthousiasme om weg te trekken op die Franse oorlog. Wat doen ze hier eigenlijk voor Calais? Eigenlijk hebben de Gentenaars gelijk gehad om weg te trekken. Het is al augustus als de Bruggelingen aankomen in Sint-Baafs en daar hun tenten en paviljoenen opslaan. Ze willen eerst één en ander geregeld zien met de graaf. Ze blijven ter plekke tot aan ‘Sente Clarendaghe’, de 12de dag van augustus. Graaf Filips heeft echter andere zorgen op dat moment.

Tijdens de terugkeer van de Bruggelingen, zijn de Engelsen met 360 schepen binnengevaren in Vlaanderen. Met aan boord 20.000 soldaten onder het bevel van de hertogen van Clochester, York en zowat zestien Engelse graven. 3.000 soldaten trekken naar Calais om het land van Guînes te bewaren. De hertogen van Clochester en York zakken met 10.000 mannen af naar Broekburg bij Duinkerke, naar Sint-Winoksbergen, Quaetypre, Banbeke, Haringe en Poperinge, al dat landt roevende, de lieden dootslaende, ende de huuzen verbarrende.

Half augustus organiseert de hertog van Clochester een groot feest in Poperinge. Een Poperingse banneling die al een hele tijd zijn diensten bewijst als huurling, een ‘souwenier’ in Calais, wordt door de hertog tot ridder geslagen nadat die waardevolle informatie doorgespeeld heeft over de woningen waar de rijkste mensen van de Westhoek huizenieren.

‘Van daer trocken sy te Belle, roevende de stede, ende daer naer staker ’t fier in, ende sy namen wel 200 waghenen, die sy loeden met haren roeve, ende voerden ’t met hemlieden, ende oec voerden sy met hemlieden bet dan 1.100 knechtkens, alle beneden den 11 jaren oudt sijnde, ende sy namen haren wech zuut van Cassele om te treckene te Arke.’ Opnieuw toont de oude Vlaamse tekst hoe meedogenloos de oorlog ingrijpt bij de mensen.

Zelfs de kinderen worden niet gespaard. De bevolking van Cassel panikeert uiteraard als de Engelsen doorgedrongen zijn tot aan het zuiden van hun stad. 6.000 mannen van Casselambacht en Bergenambacht menen te moeten optrekken tegen de Engelsen, maar de Colaert Van den Clyte, de heer van Komen en soeverein-baljuw van Vlaanderen, weet wel beter. ‘Hy beval hemlieden van ’s princhen weghe, dat elc t’ huus waert trocke, want de prinche meende se selve te bestrydene, met sinen eedelen.’

Een derde vloot Engelsen, met 6.000 man aan boord, stoomt via de Noordzeekust op van Duinkerke in de richting van het noorden. Via de abdij van Ter Duinen trekken ze voorbij Nieuwpoort en Westende en dan het hele Noord-Vrije door tot in Oostende waar er sprake is van meer dan 3.000 Engelsen en van een bizarre gebeurtenis. Diezelfde avond van de aankomst van de Engelsen in Oostende, worden Jan Van Huerne en zijn vier knechten opgepakt omdat ze zich zo vreemd gedragen. Die Jan Van Huerne is niet de eerste de beste. Hij is de admiraal ter zee van de Vlaamse vloot in Sluis. Maar dat weten ze in Oostende dan nog niet.

Hij wil aanvankelijk zijn echte naam niet onthullen, maar valt uiteindelijk toch door de mand, ‘maer hendelijc hy wart bekent, ende wart daer ghesleghen ende soe ghewont dat hy binnen 14 daghen staerf, ende hy was begraven te Sent Donaes te Brugghe.’ Een van zijn knechten doet wat hij kan om zijn meester te beschermen maar ‘hy wart soe doerwondt ende doerquetst, dat hy des anderendaghes staerf in Oestende.’

Voor de arme man het tijdelijke met het eeuwige inwisselt, legt hij wel een erg eigenaardige verklaring af. Zijn baas Jan van Huerne is de hele tijd een spion geweest voor de Engelsen. ‘Hy belyede dat Her Jan van Huerne, sijn meester, was favorable den Inghelsschen, ende dat hy van hemlieden ghiften ende mieden ontfanghen hadde.’ Niet moeilijk dat de Sluizenaars enkele weken geleden hun kat gestuurd hadden naar Brugge en geweigerd hebben om te gaan meevechten in Calais! De 6.000 ontscheepte Engelsen trekken nu over het land door de streek van het Oostvrije waar ze een spoor van vernieling achterlaten.

De bevolking slaat groot alarm. 4.000 mannen uit het Oostvrije, uit onder andere Eeklo, Adegem, Koksijde, Sint-Laureins, Sint-Kruis en Oostburg willen de vijandelijke opmars tot staan brengen in de ‘Pickins’ polder. Die van Sluis schrikken zich een ongeluk als ze de bende aantreft in de polders. ‘De Engelsen’ denken ze en ze laten in paniek hun banieren vallen. Er is trouwens opnieuw sprake van desertie van een Vlaamse kapitein. Gwij de Visch, de kapitein van Koksijde, slaat met zijn paard op de vlucht. Het moet een bijzonder hete dag zijn. De mannen van het Oostvrije druipen ook al af. ‘Sy hadden van dien dach noch niet gheten noch ghedronken, ende het was een over heet dach, ende daeromme binnen eender maent storven veele lieden, die te dier reysen ghesijn hadden.’

De aftocht van het volksleger geeft de Engelsen nu natuurlijk vrij spel. De parochies van Vulpen en Cadzand worden geteisterd. In Cadzand blijven de Engelsen dertien dagen liggen. Ongetwijfeld zelfvoldaan en met flink wat oorlogsbuit. De Engelse opmars door Vlaanderen is volop aan de gang. En die van Brugge liggen nog altijd koppig in hun tenten te wachten op toegevingen van de graaf en het stadsbestuur dat uiteindelijk dan toch met iets over de brug komt. En de vrouwelijke charmes van de hertogin spelen zo ook hun rol. ‘Jullie gaan toch mijn man niet alleen die zaak met de Engelsen laten oplossen?’ Subtiele en duidelijke druk.

Voldoende reden om het verzet op te geven en naar Oostburg op te trekken ‘omme te wederstane de Inghelssche, soe dat sy Oestburch, Aerdenburch ende de prochien daer omtrent gheleghen, niet roeven noch verbarren en souden.’ En ook Sluis stuurt nu een beleefd verzoek naar die van Brugge of ze eventueel een deel volk zouden kunnen sturen om de Engelsen te bestrijden. Het antwoord van de Bruggelingen is onverwacht positief: uit elke tent wordt de zesde man aangeduid om naar Sluis te gaan. Jan van Steenhuuzen en Clays de Calkere worden met een Brugse brigade van ongeveer 110 personen door de gietende regen binnen gelaten in de poorten van Sluis. De rest moet buiten blijven. Vreemd toch.

Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 4
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.