Voor de rechter verschijnen is geen pretje in die dagen en het zal zeker al niet plezant zijn om dan ook nog voor het geringste straffen toebedeeld te krijgen. Het blijft hoe dan ook een kwestie om je voor de magistraten rustig en kalm te houden en om de bestraffing niet nog erger te maken. Een burger die zich in 1551 na zijn veroordeling door de rechter niet kon inhouden en hem uitgescholden had dat ‘hij liever zynen hals zoude laten costen dan tvoorseide vonnesse te vulcommen’ wist direct hoe laat het was. Hij zag zich veroordeeld om ‘knielende verghevenesse te biddene aan Gode van Hemelryke, de heere ende wet ende te gaen op eene pilgremage te Kuelen.’
Te voet naar Keulen heen en terug om eens je tong te roeren, dat waren nog eens tijden. In 1551 blijkt er wrevel te bestaan rond de discipline van de koorzangers die in de oude handschriften vermeld staan als ‘corysten’. Er is geen sprake meer van tucht, de heren komen naar de kerkdiensten als het hun belieft maar willen wel betaald worden als ze er niet zijn.
Een beetje zoals de cipiers en het treinpersoneel heden ten dage. De ‘corysten’ worden voor alle duidelijkheid aangesteld en betaald door de stad. De kerkmeesters maken regelmatig hun beklag over de toestand. Toch duurt het nog een hele poos voor Nieuwpoort maatregelen aankondigt die een einde moeten maken aan ‘de desordre ende onghereghelteit’ van de koorpaljassen. Misschien hebben de zangers last van de warmte. Ik suggereer het alleen maar als blijkt dat het jaar 1551 in de annalen is blijven hangen vanwege zijn erg hete zomer.
De droogte slaat toe en de vrees voor brand en vuur zijn reëel. Kijk maar naar al de daken die nog met stro bedekt zijn. Er komen preventieve maatregelen, voor elke deur moet er water beschikbaar zijn. De brandblussers avant la lettre worden verplicht en iedereen moet ‘stelle voor zyne deure watere of een leere vutsteke, naar doude costume.’
De vervanging van stro door dakpannen is al een tijd aan de gang zoals dat het geval is in Veurne en in Duinkerke. De Duinkerkenaars krijgen van hun stadsbestuur een subsidie van 30 schellingen per lot van 1000 dakpannen. Ook een Nieuwpoort is er sprake van een financiële ondersteuning waarbij elk dossier individueel bekeken wordt. Het is in 1551 in elk geval al flink de gewoonte dat Nieuwpoort een derde van de kosten voor zijn rekening neemt als de daken van oude of nieuwe woningen moeten vervangen worden.
De tegeldekkers draaien overuren. De aanvragen komen van overal binnen. Ook van buiten de stad. Ze profiteren van de massale vraag om hun tarieven te verhogen wat zorgt voor een regen van klachten op het stadhuis. De ambtenaren zien zich verplicht om officiële prijzen op te leggen, met daarbij boetes voor de dakwerkers die zich er niet aan houden.
Het wordt tijdens deze hete zomer van 1551 ook expliciet verboden om nog opdrachten buiten de Nieuwpoortse stadsmuren uit te voeren. Het stadsbestuur speelt een belangrijk rol bij de regeling van de lokale kerkdiensten. De oerkatholieke keizer Karel zal daar zo wel zijn invloed bij uitoefenen. Van de Lutheranen of de Calvinisten spreekt Dumon vooralsnog niet, maar ik vraag me af in hoeverre de autoriteiten al de hete adem van het nieuw geloof in hun nek voelen. Naar de kerk gaan is nog altijd geen kwestie van willen maar is er beslist één van moeten.
En de priesters zullen er plichtbewust voor zorgen dat de oude tradities stipt uitgevoerd blijven worden. Lees maar wat de burgemeester eist van zijn priesters: ‘Er is gheordonneert biden wet dat men alle weke de messe vanden heilighen sacramente zal doen metten fluweelen habyten, mette gouden kelcken, omme tvolck to devocie te animeren.’ Ik moet enigszins lachen met het woord animeren dat wel verdacht past bij de grote show die er van elke eucharistieviering gemaakt wordt.
Terwijl er nu toch gesproken wordt over de raadsleden en de burgemeester en de finefleur van de Vlaamse steden maakt de schrijver van de gelegenheid gebruik om de traditie van de ‘propijnen’ uit de doeken te doen. Die propijnen kan ik best bekijken als ene soort fooi die de bevolking moet zien in te zamelen voor de belangrijkste personen in Vlaanderen. Een dure grap voor de mensen. Ik noem het eerder een extra belasting. Een dertigtal functionarissen staan op het lijst van de gelukkigen. De propijnen bestaan niet uit geld maar meestal uit wijn.
Wit of rood, maakt niet uit. In 1552 staat de gouverneur van de Nederlanden bovenaan de lijst. Hij krijgt jaarlijks 2 vaten wijn. De hooggeplaatste figuren uit grote steden zoals Brugge, Ieper, Mechelen, Brussel en elders krijgen gewoonlijk één vat of de helft ervan. Stedelijke topambtenaren krijgen ook hun deel, maar dan wel in veel mindere mate dan de top. In Nieuwpoort staat hun propijn omschreven als ‘audiencier vander stede, de procureur vander stede, elc een kincke wyts ende een root.’
Nieuwpoort wordt goede maatjes met Duinkerke. Er is sprake van vriendschappelijke betrekkingen. Op gebied van oorlogsschepen, konvooien, scheepvaart, visserij en voor wat betreft nogal wat andere aspecten van het dagelijks leven volgen de twee zeesteden meestal dezelfde weg. De buursteden behandelen elkaar met respect. Een mooi voorbeeld hiervan wordt duidelijk in het jaar 1558 wanneer de Fransen Duinkerke in brand steken en de inwoners verschrikt op de vlucht slaan naar Nieuwpoort waar ze kunnen verder gaan met hun leven, beschermd door de veilige stadsmuren van een identieke stad als die van hun verwoeste thuisbasis.
De nieuwe magistraat van Duinkerke en een jong team van bestuurders willen Duinkerke achteraf een nieuw elan geven. Na de heropbouw zien ze natuurlijk niet al te graag dat hun eigen inwoners verhuisd zijn. Ze doen een beroep op de loyauteit van hun collega’s in Nieuwpoort en vragen vlakweg of die de Duinkerkse inwijkelingen willen terugsturen. Nieuwpoort stemt toe.
Al gaat dat in tegen zijn eigenbelang want de stad kampt al langer met ontvolking en kan elk nieuw gezin maar al te goed gebruiken. En toch kondigt de magistraat op 26 juli 1558 (drie weken na de vernielingen) een besluit af waarbij de Duinkerkenaars bevolen worden om de stad te verlaten en zonder dralen naar hun thuisstad terug te keren. De magistraat gaat zelf nog iets verder en dreigt met inbeslagname van de eigendommen van de inwijkelingen. Schepen geladen in Duinkerke mogen niet eens gelost worden in Nieuwpoort en moeten terugvaren naar hun thuishaven.
Het is natuurlijk allemaal erg sympathiek maar of de Nieuwpoortse maatregelen ook verstandig zijn, is een andere kwestie. De wetenschap dat de eigen bevolking diezelfde 26 juli 1558 een verbod krijgt om zelf weg te trekken naar een andere stad roept toch veel vraagtekens op.
Dit is een fragment uit Boek 7 van De Kronieken van de Westhoek


