Kontekeeraafs (verkeerd)
Kontekontraarie (andersom/verkeerd)
Kontraarie (integendeel)
Koofr (beddenbak)
Koovulschn (stuipen/vallende ziekte)
Kiekebost (misvormde borst)
Kietjedoen (kittelen)
Kingkee (petroleumlamp)
Klaawiern (hard werken)
Kladr (vloeipapier)
Klakkaards (wentelteefje)
Klakke (pet)
Klakkebusse (speelgoed uit vlierhout)
Klappenaansche (gesprek)
Klaschoore (zweep)
Kleeneruffe (kleinkind)
Kleite (dwaze vrouw)
Kletsekoese (roddelaarster)
Kleuteringe (kleingeld)
Kliesters (knollen/bloembollen)
Kliete (klei)
Klinke (schede/dier)
Klinke (houten deurgrendel)
Kloefe (klomp)
Kloefekapr (onhandige persoon)
Kloefeleer (lederen lap op klomp)
Klooteege (plaagster)
Klootn (plagen)
Klootn (testikels)
Klootoore (plager)
Klutsebaaliere (weg en weer/slordig)
Klutsebiln (beven)
Klutterbiln (beven)
Kluttergeld (kleingeld)
Kmoestekee (ik moest eens)
Knechtebrokke (jongentje)
Knechtejongens (mannetjes)
Kniespense (plager/lastpost)
Knoekenoen (ik zal het zeker niet doen)
Knoen (ik zal niet)
Knoetnoet (ik deed het niet)
Knoezl (enkel)
Knul (domme man)
Koetn (klappen)
Koetnaansche (conversatie)
Kokkeduun (doden)
Kokkenaane (haan)
Kolliekn (krampen)
Kollof (moestuin)
Kombieniezong (onderjurk)
Kommiezn (douane)
Kommisschedoen (boodschappen)
Kondwiern (sturen)
Konsuus (alsof)
Konsuuskonsoo (comme çi, comme ça)
Konte (achterwerk)
Kontekeeraafs (verkeerd)
Kontekontraarie (andersom/verkeerd)
Kontraarie (integendeel)
Koofr (beddenbak)
Koovulschn (stuipen/vallende ziekte)
Koozientjes (voetjicht)
Kordeel (leiband)
Kornissche (dakgoot)
Kortepointe (bovendeken)
Kosschie (kassei)
Koste-kuste (ik kon het)
Kostn-kustn (we konden het)
Kotteraare (pook)
Kraavatte (stropdas)
Krawaat (flinke man)
Kreemajeire (haardhaak)
Kremkloo (gierigaard)
Krempr (gierigaard)
Krempebitter (gierigaard)
Kreveern (doodgaan)
Kriepn (janken/klagen)
Krootn (neus peuken)
Kruddekoeke (honingkoek)
Krutschoole (kleuterklas/kinderachtig)
Kuje (kan jij)
Kukkelenne (kleine soort hen)
Kukkelnest (bed van langslaper)
Kulloore (plaagstaart)
Kulloverklootn (ondersteboven)
Kuln (plagen)
Kultn (klederen)
Kundoen (ik zal niet)
Kunke (kan ik?)
Kunstekot (woonwagen)
Kunze (kunnen ze?)
Kurjeus (nieuwsgierig)
Kutn (kan hij?)
Kwaabraake (slechte akker)
Kwaake (kwalijk)
Kweene (vrouwelijk onvruchtbaar)
Kwelme (drassige grond/waterader)
Kwiestebubbel (dwazerik)
Kwietaansche (kwijtschrift)
Kwietens (zonder schulden)
Kwitsoerns (ik vraag het me af)
–
Uit de collectie van 900 Westhoekse dialectwoorden door Adhemar Vandroemme
Article Tags:
beddenbak · conversatie · douane · integendeel · knechtebrokke · knoekenoen · knul · kondwiern · kontekeeraafs · koofr · kordeel · lastpost · leiband · mannetjes · moestuin · onderjurkArticle Categories:
naar de bronnen van onze taal

