De dag begint somber en nevelig. Op redelijke afstand zijn de dingen amper te herkennen. Bosschaert is al actief en stuurt enkele van zijn bedienden naar het hof van de graaf. Ze moeten hem laten weten wanneer Karel aanstalten zal maken om naar de kerk te vertrekken. Die is trouwens naar gewoonte vroeg opgestaan en is hij nu al druk bezig met het uitdelen van aalmoezen aan de armen. Achteraf gaat hij in de richting van de Sint-Donaaskerk.
Het is geen ochtend als elke andere. Zijn kapelaans vertellen het achteraf. Karel ziet er bezorgd en getormenteerd uit als hij zich gisteren in zijn slaapkamer heeft afgezonderd en zich te slapen heeft gelegd. Hij voelt zich onrustig en wantrouwig. Er hangt wat in de lucht en hij lijkt het aan te voelen. Allerhande vreemde gedachten spoken door zijn hoofd. Precies alsof hij ziek zal worden. Op één zijde slapen. Meer waken dan slapen. Nee, de nacht is lang en warrig geweest. ‘Hij vertrekt naar Sint-Donaas’. De mannen van Bosschaert zijn er als de kippen bij om het nieuws door te geven aan hun leider.
Karel is al in het ‘solarium’ van de kerk. De Franse schrijver Guizot vindt niet direct een passende vertaling voor het woord en ook ik moet op zoek naar de betekenis ervan. Een solarium blijkt een overdekte galerij, een soort plankenvloeren tussenkamer die gebruikt wordt door koningen of keizers om zich vanuit hun slaapvertrekken naar de kerk te begeven. Gevolgd door wat arme stakkers. Ondertussen wachten de ridders van de Erembalden en hun handlangers verscholen in de kerk. Met naakte en glimmende zwaarden verscholen onder hun mantels, sluipen ze de graaf achterna. Ze scheiden zich af in twee groepen die nu de twee toegangspoorten van de kerk in de gaten houden. De stilte moet hoorbaar zijn als graaf Karel zich op een nederige treeplank neerknielt voor het altaar.
Hij zingt psalmen voor zijn heer. Een recital van gebeden en ondertussen deelt hij denieren uit aan de armen. Zo staat het geschreven. Galbert vervalt in een soort van trance als hij het tafereel op papier zet. Voor onze schrijver kan graaf Karel de Goede geen kwaad doen. Hij heeft geleefd als een glorieuze prins en zal nu sterven als een martelaar. Hij durft het blijkbaar niet zo goed neerschrijven. Maar die fameuze woensdagochtend wordt hun goede graaf van Vlaanderen genadeloos doodgestoken hier in deze Brugse kerk.
Het nieuws van de moord treft de bevolking als een mokerslag en verspreidt zich als een lopend vuur tussen de burgers. Het internet is nog lang niet uitgevonden maar op vrijdagmorgen gaat de tijding van de aanslag al rond in Londen en in Laon. Hoe is het mogelijk dat het nieuws zich sneller verspreidt dan de spoorslagen van een ruiter te paard of dat van de snelheid van een schip over de Noordzee? Het is hoe dan ook ongelooflijk dat God dat stoutmoedige en vermetele ras van Bertulf zijn werk heeft laten doen. De uitvoerders van de moord leven nu nog altijd in rijkdom en ze investeren niet in hem maar wel in hoogmoed en in trots en geweld.
De kanunniken stonden er bij en keken er naar hoe hun arrogante en pretentieuze proost Bertulf hen het leven zuur heeft gemaakt. Godsdevotie als synoniem van geld en macht. De chef van de familie heeft zijn neven goed opgeleid. Ze moeten zijn wil respecteren. Zijn broers hebben niets in de pap te brokken gekregen bij de opvoeding van hun kinderen.
Niemand in Vlaanderen kan op tegen Bertulf als machtsgeile kanselier die op geen enkel moment geweld schuwt om zijn plannen ten uitvoer te brengen. En God heeft dat allemaal zomaar laten gebeuren. Ik krijg zowaar medelijden met Galbert en zijn naïef geloof.
De schrijver keert bruusk terug naar de plaats van het gebeuren. De moord is nog niet gepleegd. Ik ben Galbert even gevolgd tijdens zijn flashback naar het verleden en in zijn gemijmer. Nu sta ik zelf weer op scherp en houd ik mijn focus op het glinsterend metaal van de zwaarden.
‘Moord op de zalige Karel en op vier anderen – vlucht en gevangenname van enkele daders’. De kop is duidelijk. Ik krijg het volledig en gedetailleerd verslag dan toch te lezen. Het jaar 1127, de derde dag van de tweede week van de vasten. Dageraad. De vrome graaf bidt en knielt en woont de vroegmis bij in de Brugse Sint-Donaaskerk. Hij is vroeger zelf aartsbisschop geweest van Reims, dus zal hij wel weten wat bidden is. Zijn ogen zijn gefixeerd op de psalmen terwijl hij met zijn rechterhand aalmoezen uitdeelt. De denieren krijgt hij zelf aangereikt van zijn kapelaan. Het lijkt mij een eigenaardige combinatie. En dan is het tijd voor het voordragen van de ‘Pater Noster’. Dat gebeurt met luide stem.
Het ‘Onze Vader’ betekent meteen het signaal om in actie te treden. De samenzweerders zaten de hele tijd in de kerk, moordenaars in hun gedachten en hebben tot nu gewacht om Karel te benaderen en hun slag te slaan. Ze boren hun zwaard door het frêle lichaam van de graaf terwijl die nog volop bidt en aalmoezen uitdeelt vlak voor het beeld van de heilige maagd.
Het lijkt er op dat hij zijn zonden wast in de stroom bloed die uit zijn lichaam ontsnapt. Als een martelaar voor zijn God. Tussen de slagen en de verwondingen door, richt hij het gezicht tot aan de hemel en met zijn koninklijke handen levert hij zijn ziel over aan de meester van alle mensen. Galbert aarzelt niet om dit melodrama met de nodige pathos neer te pennen.
Dan ligt zijn uitgebloed lichaam daar op de grond. Dood en verlaten van leven en geest. Zijn bedienden grijpen het nog vast en zijn vermoedelijk te erg geschrokken om al direct aan het treuren te slaan. Er zijn alleen maar hun tranen. De moordenaars pakken nu ook Tancmaar van Straeten aan. Ik weet eindelijk wie deze man is. De kasteelheer van Broekburg wordt neergesabeld en zwaar toegetakeld. Enig respect voor de status van hun slachtoffer kennen zijn beulen niet.
Ze sleuren hem aan zijn voeten van het altaar vandaan naar de buitendeur van de kerk waar ze op hem inhakken als een slager op een homp vlees. Tancmaar krijgt naar verluidt nog net de tijd om zijn zonden op te biechten en het heilig oliesel en het bloed van Christus toegediend te krijgen. Ik kan me van dat laatste geen beeld voor de geest halen.
De daders vluchten nu weg uit de kerk en gaan op zoek naar andere vertrouwelingen van de graaf die zich in zijn woning moeten bevinden. Vooral een zekere Hendrik moeten ze te pakken krijgen. Bosschaert verdenkt de man ervan om zijn broer Robrecht om het leven te hebben gebracht. Ik krijg voor het eerst een naam te horen van een van de moordenaars van dienst. Kasteelheer Haket heeft de arme Hendrik te pakken en ook de broer van Wouter van Loker is er aan voor zijn moeite. Beiden krijgen nu de slagen te pakken voor de rest die zich net op tijd uit de voeten heeft gemaakt.
Binnenin de Sint-Donaaskerk is er nog geen einde gekomen aan het drama. Wouter en Giselbert, de twee zonen van Tancmaar, waren blijkbaar aan het biechten tijdens de uitvoering van de aanslag. Ze proberen zich met panische angst in veiligheid te brengen en vluchten weg zo ver hun voeten hun lichaam kunnen dragen. De clan van de Erembalden krijgt hen in de gaten en gaat de mannen te paard achterna. Ze krijgen de broers te pakken in de Brugse buitenwijken op een plaats die ‘la place des Arènes’ wordt genoemd. Ze worden er ongenadig aangepakt door een zekere ridder Eric, één van de twee moordenaars van de graaf.
Jan, de knecht van de graaf, kan ontkomen aan het bloedbad. Als van de hand van God geslagen slaat hij spoorslags op de vlucht naar zijn ouders die ergens op het Vlaamse platteland wonen. De hele morgen holt zijn paard weg van de plaats van het gebeuren. Rond de middag arriveert hij in Ieper waar hij officieel de moord op graaf Karel en zijn vertrouwelingen kan meedelen.
In Ieper is het een drukte van jewelste. Handelaars van omliggende landen rond Vlaanderen zitten vergaderd in de kathedraal van Sint-Pieter waar er een handelsfoor aan de gang is en waar ze met elkaar zaken doen onder de hoge bescherming van de graaf. Uit de geschriften van Galbert vind ik dus de bevestiging dat de latere Sint-Maartenskerk in die periode nog omschreven wordt als de ‘Sint-Pieterskathedraal’. In de jaren 1100 moet Ieper dan al een bisschopsstad zijn. Ook de rijke handelaars van het koninkrijk van de Lombarden tekenen present op deze foor. Karel de Goede heeft trouwens van de gelegenheid gebruik gemaakt om een kunstige zilveren drinkbeker te kopen van de Lombarden. Eenentwintig marken had hij er veil voor.
Het nieuws van de moord slaat in als een bom. De buitenlandse handelaars zijn verbijsterd. Gaat het er hier in Vlaanderen zo aan toe? Ze pakken hun handelswaar in en vertrekken gehaast, weg van deze vermaledijde plek. Op de plaatsen die ze op hun terugreis aandoen, spreken ze vol schande en vol afkeer van dit land. Het verlies van de graaf wordt beweend door de mannen die voorstander zijn van vrede en van recht. Zelfs mensen die de graaf niet kennen, zijn aangedaan door zijn afsterven. In het kasteel van Brugge ligt dat enigszins anders, schrijft Galbert. Tussen zijn diepe rouw door, geeft mijn schrijver duidelijk aan dat Brugge in 1127 al volop een stedelijke agglomeratie is rond de centrale burcht die we nu 900 jaar later kennen als de ‘Burg’.
Hier bij de burcht van Brugge zijn de mensen er het hart van in. Maar er is niemand die zijn verdriet durft te tonen. Niemand die het dode lijk mag bewenen en zijn of haar tranen mag laten vloeien voor de arme graaf die daar dood in de kerk werd achtergelaten. De neven van de proost zijn tot hun grote angst teruggekeerd naar Brugge. Met in hun zog de schurk Bosschaert samen met al zijn handlangers. De vrees bij de mensen zit er diep in. De bende blijft koortsachtig zoeken naar Wouter van Loker die ze grondig haten omdat hij hen, als lid van de grafelijke raad, in het verleden voortdurend schade heeft berokkend.
Tussen het tijdstip van de moord en de terugkeer van de moordende bende, houdt die Wouter van Loker zich nog altijd verscholen in de Sint-Donaaskerk, vlak bij de plek waar het lijk van de graaf zich nog bevindt. De Erembalden vallen de kerk opnieuw binnen en beuken met fors geweld de kerkdeuren open. Hun naakte en met bloed besmeurde zwaarden zwaaien in het rond. Met luide schreeuwen en het nodige wapengekletter gaan ze op zoek naar Wouter en bulderen ze zijn naam als grove vloeken in het rond.
En ze vinden hun mannetje. Hij leeft nog, hij ademt nog. Ze pakken hem vast aan de voeten en sleuren hem naar de kerkdeuren waar ze hem afmaken als een hond. Vlak bij Tancmaar die ondertussen ook gestorven is door toedoen van het beulenwerk op zijn lichaam.
De sukkelaar heeft in de loop van de voormiddag zijn zegelring afgegeven aan de abdis van Aurigny om die als teken van zijn dood af te laten geven aan zijn vrouw en zijn kinderen. Hij weet op dat moment niet dat zijn gezin kort nadien het volgende slachtoffer zal worden en met hem in de dood zal verdwijnen.
Er bevindt zich nog altijd een kerkwachter in de Sint-Donaaskerk. Hij is na de aanslag op zoek gegaan naar Wouter van Loker en heeft hem al toegedekt met zijn mantel. Opgeschrikt door de binnenvallende bruutzakken, vlucht hij weg in het koor en roept hij met hoge stem, een mix van lamentabele klanken om hulp. Maar God en zijn heiligen blijven doof voor zijn gejammer.
Galbert schuwt de details weer eens niet. De ellendige Bosschaert en zijn kamermeester Isaak stormen in deze heilige ruimte af op de gillende kerkwachter. Ik krijg opnieuw de omschrijving van de glimmende en verschrikkelijk bebloede zwaarden in aanslag op mijn menu. Weggelopen uit een griezelfilm denk ik terwijl ik het middeleeuws verslag probeer onder de knieën te krijgen.
Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek


