banner
mrt 25, 2026
10 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het brandt in Diksmuide

Het brandt in Diksmuide

Written by
banner

In 1402 eist Filips de Stoute van de heer van Diksmuide om duizend jonge mannen uit eigen stad en streek te mobiliseren voor zijn grafelijk leger. Dat heeft alles te zien met een heropflakkering van de oorlog die de Engelsen voeren tegen Frankrijk. De schuttersgilden mogen alweer hun beste leden afstaan, zoveel is zeker. Vijfhonderd archiers, boogschutters, zijn er bij en de rest zal dienen als ‘glaiven’, mannen die zullen optrekken met paarden en speren.

De inzet van middelen moet nogal wat kosten veroorzaken voor de heer van Diksmuide. Die doet een oproep voor financiële ondersteuning bij de bevolking. De stad is helemaal niet ‘gestoffeerd ende voorzien’ en de vraag ‘omme zine eere int stice te bewaarne’ is navenant. Op die manier kan hij een som van 300 pond losweken.

Filips de Stoute overlijdt op 27 april 1404 en zijn dood komt een beetje op een ongelukkige moment voor het Diksmuidse stadsbestuur. Ze hebben enkele poorters betrapt op misdaden en hen aangehouden en zouden die inwoners graag berechten. De dood van de graaf moet vrij onverwacht gekomen zijn waardoor er een soort juridisch vacuüm ontstaat vooraleer zijn zoon Jan zonder Vrees hem zal opvolgen. Diksmuide stuurt een zekere Niklaas Devroede naar Arras om bij weduwe Margaretha van Male toelating te vragen om het proces te starten.

De stadsarchieven bevatten nog altijd een kort verslag van die trip naar Atrecht. Devroede vertrok op 5 juni 1404 en was ‘uute XIJ daghen eer hi gericht wezen mochte midts der beroerte en de rauwe die noch was int hof omme de doot van onzen geduchten heere.’

In datzelfde jaar verspreidt een gerucht zich als een lopend vuur dat de Engelsen een nieuwe landing voorzien in Vlaanderen. De inwoners van Diksmuide zijn als de dood voor dit onrustbarend nieuws. Hun stad bezit nog geen beveiligde toegangspoorten en ligt er volgens hen open en bloot bij. Ze willen geen risico’s nemen en gaan over tot een reeks van nachtelijke evacuaties van hun eigendommen. De baljuw grijpt kordaat in door alle onterecht weggevoerde goederen verbeurd te verklaren. Deze maatregelen zorgt op zijn beurt voor nog meer onrust en moeilijkheden. Het noodzaakt burgemeesters Van Volmerbeke en Cijpriaan De Vassere om raad te gaan vragen in Brugge.

De conclusie zal voor de hand liggend zijn: versterk de stad zodat niemand zo maar kan binnen- en buitenlopen. In 1405 komen enkele specialisten poolshoogte nemen hoe Diksmuide versterkt kan worden. Het zijn de meesterdelvers van Broekburg en Nieuwpoort die hun adviezen verstrekken over de mogelijke manieren om de ‘stede vast te maken’. De bevolking van de stad kent ondertussen een serieuze groei en het beschikbare terrein binnen de stadsmuren wordt te klein.

Zo ontstaan de plannen om een reeks poorten te bouwen in steen, die zullen de aarden gordel rond de stad vervolledigen. Want uiteindelijk wordt de stad enkel maar omgeven door een grote dijk in aarde aan de buitenkant door water omzoomd. De kosten voor het geheel worden op 6.500 Parijse ponden begroot. Burggraaf Diederik van Beveren krijgt in 1411 van Jan zonder Vrees zelfs de toelating om de stad in oostelijke richting nog wat uit te breiden.

Een brand in 1513 zal de woonkern weer terugbrengen naar zijn oorspronkelijke grootte. In 1630 zullen de nieuwe stadswallen uit 1411 nog altijd als relikwieën uit de grond steken. De Vlamingen krijgen het in datzelfde jaar op de zenuwen met de taks die de hertog van Bourgondië legt op de granen. Eén stuiver per ‘raziere’ graan moet afgedragen worden aan de staatskas. Mensen van Brugge, Diksmuide en enkele omliggende plaatsen ontmoeten elkaar op een plek die de schrijver omschrijft als ‘Saint-André-lèz-Bruges’, Sint-Andries dus, en blijven er 12 dagen gewapend in aanslag staan tot dat verwenste kalfsvel in stukken wordt gescheurd. Het kalfsvel waarvan sprake is een dierenhuid die gebruikt werd om de fameuze taks openbaar te maken.

Jan zonder Vrees, de grote man van Vlaanderen, vecht ondertussen voor de macht over Frankrijk en komt daarbij zwaar in conflict met de hertog van Orléans. In 1413 stuurt onze graaf een mobilisatiebrief naar Diksmuide en verzoekt hij de lokale mannen om mee op te rukken tegen de troepen van deze vijandige hertog. In 1419 is er sprake van een reeks stadsbranden die mogelijk te maken hebben met een revanche van die van Orléans.

Er wordt vanuit de entourage van de prins van Orléans trouwens werk gemaakt van het opjutten van de plaatselijke bevolking tegen hun hertog, wat ook al leidt tot nogal wat onlusten. In elk geval komt er een dramatisch einde aan het verhaal van Jan zonder Vrees als die op 10 september van 1419 in een hinderlaag valt, sterft en hiermee plaats ruimt voor nieuwe topics in de lokale geschiedenis.

Twee corporaties steken er met kop en schouder bovenuit hier in Diksmuide. De ambachten van de wevers en die van de bierbrouwers, de ‘servisiarii’. De producenten van het gerstebier zijn er met verloop van tijd in geslaagd om interessante exclusiviteitsconvenanten af te dingen bij het stadsbestuur. Binnen een straal van vijfhonderd meter rond de stad is het strikt verboden voor buitenstaanders om zelf bier te brouwen.

Naast de ambachten zijn er ook de broederschappen. Die van het Heilig Sacrament, van de maagd Maria, Sint-Lodewijk en Sint-Niklaas, Sinte Catherine, de heilige Barbara, die van de Franciscanen, Franciscanessen en de Begijnen. Drie schuttersgilden en evenveel dichtersverenigingen.

De handel draait op volle toeren. Er is natuurlijk de lokale botermarkt die blijkbaar al gehouden wordt in 1408. Die staat dan al onder supervisie van de lokale wetgevers die nogal wat energie steken om frauduleuze concurrentie van hun producten te beletten en te bestraffen. Het bedrog zit hem in het gewicht van de boterkuipen en de boterpotten en komt blijkbaar uit de richting van de nabijgelegen steden Veurne en Sint-Winoksbergen.

In het jaar 1416 ontstaat er ook een vismarkt. Diederik van Diksmuide, de heer van de stad en het stadsbestuur geven hiervoor de toelating mits het nakomen van een aantal voorwaarden. Twaalf penningen taksen per bak of mand verse vis moeten er afgestaan worden, de helft ervan wordt doorgestort aan het altaar van Sint-Pieters.

De rest wordt verdeeld tussen de kerk van Sint-Niklaas en de stad. De nieuwe markt komt tot leven tussen de grote poort van het stadhuis en de gevangenis van de Weststraat. De versheidsregels zijn eenvoudig: alleen vis die ’s avonds laat of overnacht van op zee is aangevoerd, mag verkocht worden op deze markt en het is niet toegelaten die tussentijds in een of andere woning of stockageplaats op te slaan.

Claeys Boupens verdrinkt op 19 mei 1420 in de stadsgrachten aan de noordelijke buitenmuren van Diksmuide. Er komt een onderzoek naar de juiste rechtbank die dit ongeluk eigenlijk in behandeling dient te nemen. Zo komen ze hier tot de verbazingwekkende vaststelling dat de jurisdictie van het Brugse Vrije feitelijk reikt tot aan de noordkant van hun eigen stad.

De stadsrekening van 1422-1423 geeft een bijzondere inkijk op het bestaan van een lokale gevangenis. Het is zonder meer de meest geschuwde plek van de hele stad. De inwoners hebben het over ‘het kot’, gelegen aan de hoek van de Weststraat, waar veel later de herberg ‘De Concorde’ in het straatbeeld zal verschijnen. Ik kijk even over hun schouders mee waarom die gevangenis er ooit is gekomen. Een verhaal van wanbetalers en bestraffingen.

‘Item ute dien dat, metten incomende goede van der stede men niet goelyx en mochte verkleeghen te betaelne de twee eerste paiementen van beede de subvencien, daerome dat dontfangher van Vlaenderen dede vanghen bin der stede van Dixmude en leeghen up der stedenhuus in vanghenissen de goede lieden van der wet. So waren by avise van de wet en van de poorters, daerup vergadert zynde, ghesent an onser geduchten vrauwe te Ghend, Pieter Dehase, burchmeester ende met hem Johannes Seelewaerdeder stedeclerc daerom te vercrighene letteren van octroye lyfrente te vercopene up der stede etc.’ Voor alle duidelijkheid gaat het hier dus over de gevangenname van de eigen stadsoverheden omwille van de schulden die zijn gemaakt hadden in naam van de stad.

Het is weeral eens koekenbak tussen de Engelsen en de Fransen en de graaf van Vlaanderen schaart zich dit keer wel volmondig achter de Fransen. Hij vraagt in het najaar van 1435 assistentie van volk en wapens aan al de steden die Vlaanderen rijk is. Diksmuide stuurt 25 sergeanten naar Grevelingen. De Diksmuidse stadsrekeningen van 1436-1437 bruisen van de details. Eigenlijk zijn het welgeteld 20 sergeanten die aangevuld worden door vijf schutters. De opdracht om zich te vervoegen in het garnizoen van Grevelingen komt aangewaaid vanuit Brugge.

Burgemeester Pieter De Pelger is er niet helemaal gerust in. Hij vergezelt zijn mensen om er zeker van te zijn dat ze in elk geval voorzien zullen worden van het nodige materiaal. Een Diksmuidenaar reist naar Brugge om er materieel te kopen voor de mannen. Zwaarden, vier pannen, emmers, kannen, potten, ketels en oorlogskleding, allemaal tuig dat goed gebezigd zal kunnen worden tijdens hun campagne aan de stadsmuren van het door de Engelsen bezette Calais. Samen met de mannen van Brugge vertrekken ze op 11 juni 1436.

In zijn ‘Geschiedenis van Dixmude’ uit 1885 vertelt Robert Pieters dat Perceval, de heer van Diksmuide, zich eveneens engageert om met de graaf mee te reizen naar Calais, net zoals trouwens Jakob van Diksmuide. Een deel van de oorlogskosten vallen trouwens ten laste van de stad. Het Vlaamse contingent bestaat uit 30.000 soldaten.

De belegering van dit Engels bastion blijkt een maat voor niets. Ik heb het er al herhaaldelijk over gehad. De Vlamingen zien het zinloze van de situatie in en laten Filips de Goede stikken en ze keren terug naar het thuisfront. De mannen van het Westland blijven aan de zijde staan van Filips en keren dus niet terug naar Vlaanderen. Zo staat het toch geschreven.

De zomerhitte daar bij Calais speelt ook zijn rol. De mensen bezwijken haast van de dorst en Filips beslist om het beleg op te breken. Op 6 juli 1436 is burgemeester De Pelger nog speciaal overgekomen naar de omgeving van Calais. Hij heeft de soldij van zijn mannen bij zich. Zijn volgende interventie brengt hem naar Ter Duinen en Nieuwpoort waar hij zijn manschappen ervan moet overtuigen om zich te distantiëren van hun Brugse collega’s en toch maar beter naar hun thuisstad Diksmuide terug te keren.

De claim dat de mannen van de Westhoek aan de kant van de graaf zijn blijven staan daar in Calais, blijkt dus een gratuite bewering. De finesse van de Diksmuidse jaarrekeningen schept het beeld van een chaotische terugtrekking van heel het Vlaams leger. Pas in de nasleep hiervan zullen de meningen van die van de Westhoek grondig gaan verschillen met die van Brugge.

De graaf heeft zwaar gegokt en verloren. De Engelsen zien hun kans schoon om net op dit moment te profiteren van de zwakte van de Vlamingen. Ze ontschepen met 12.000 man in de haven van Duinkerke met een vijandelijk leger. ‘Geheel den westkant van Vlaanderen doorlopende, alles roovende en plunderende. De bevolking vluchtte in de versterkte steden zoals Dixmude, Veurne en Nieuwpoort en bood wederstand aan de vijanden. Deze, door hongersnood aangetast, werden voor een groot getal door slechte ziekten en ellende van het leven beroofd’.

Wat een tijd toch, ik blijf nog even in de originele tekst hangen: ’toen de Engelschen een groot gedeelte van Vlaanderen te vuur en te zwaarde stelden, beval de magistraat van Veurne de sluizen van Nieuwendamme te openen. Het zeewater stroomde het land in en het bedekte gansch de streek tussen Dixmude en Roesbrugge. Zoo werd de kastelnij van Veurne voor de invallen des vijands bevrijd.’

Terwijl de Engelsen lelijk huis houden in de Westhoek, komen de Bruggelingen bij aankomst in hun stad nu openlijk in opstand tegen hun hertog. Als voorwendsel gebruiken ze de boven hun hoofden besliste voorrechten voor Sluis die grote schade berokkenen aan hun eigen stad. Nogal wat kleine stadjes uit West-Vlaanderen sluiten zich aan bij het Brugs verzet. Het Westland met Diksmuide, Veurne en Nieuwpoort blijft aan de kant van Filips de Goede staan.

De chaos en de ontreddering bij de Vlamingen blijft maar getuigenissen naar boven brengen. Sint-Winoksbergen staat in lichterlaaie na brandstichting van de Engelsen. Op 9 augustus reist burgemeester Belle met zijn klerk, een zekere Schelewaert naar Brugge op zoek naar hulp bij de Raad van Vlaanderen. Beiden bevinden zich op 11 september te Gent, een audiëntie bij de graaf. De opstand in Brugge is nog verre van afgelopen en Diksmuide moet erg verveeld zitten met de hele toestand.

De Bruggelingen hebben inderdaad een brief gestuurd naar Diksmuide met het uitdrukkelijk verzoek om een menigte sergeanten naar de markt van Brugge te sturen en vooral de Diksmuidse stadsbanier niet te vergeten. Daar op de markt is een krachtmeting aan de gang tussen de Vlamingen en de graaf en de Brugse vraag richting Diksmuide is pertinent: ‘we verwachten dat jullie zich ook engageren samen met de rest van Vlaanderen.’

Nu ja, vraag? Terwijl de Engelsen in het hele hinterland miserie en verderf zaaien, staan de Bruggelingen op 19 september met wapens te dreigen aan de stadsmuren van Diksmuide. De eis blijft dezelfde; een ferme afvaardiging voorzien van de Diksmuidse banier moet en zal aanwezig zijn op de markt van Brugge die nog altijd bezet wordt door een massa gewapend volk.

Ik word in het ongewisse gelaten of die van Diksmuide al dan niet ingaan op de eisen van de Bruggelingen. De lokale burgemeesters hebben naast de Brugse kopzorgen hun handen vol met de Engelsen tijdens die hete herfst van 1436. De verslagen van hun diverse zendingen tonen aan dat de Westhoek hulp krijgt van zowat heel Vlaanderen: ‘bijna gansch Vlaanderen zond zijne gewapende strijders naar de omstreken van Duinkerke, Veurne, Zuidkote, Bambekebrug, Peereboombrug, Steenstrate en Dixmude, en Poperinge is door de vijanden in brand gestoken.’

En zo laat ik dat schimmige jaar 1436 achter me. Het gaat niet goed in Vlaanderen. Zoveel is duidelijk. Onrust en rebellie worden in 1438 gevolgd door een besmettelijke ziekte, de pest, die zowat overal in het land de kop opsteekt. Diksmuide is aanvankelijk een toevluchtsoord voor de inwoners van zijn kleine buurgemeentes maar uiteindelijk breekt ook binnen de stadsmuren de pest los. Het moet erg zijn, want slechts negentig inwoners overleven de horror. Een overgebleven volksverhaal heeft het nog altijd over de komst van de wolven die naar verluidt huizenieren in het hoekhuis tussen de Kiekenstraat en de Wolvendijk. Het boek van Robert Van Outryve, ‘Diksmuide door de eeuwen heen’, geeft aan dat de bewoning in Diksmuide na die rampzalige jaren van ziekte en pest al bij al vlug herneemt en in zijn vroegere plooien terugvalt.

Tussen 1447 en 1449 ontstaan twee rederijkerskamers. Met wat goede wil kan ik ze toneelgroepen noemen die de mensen van de ambachten bij elkaar roepen om aan straattheater te doen, waarbij meestal godsdienstige onderwerpen de revue passeren. De trend van de rederijkers ontwikkelt zich razendsnel over heel het Vlaamse landschap en zorgt trouwens voor rederijkerswedstrijden tussen de steden onderling.

Ook in Diksmuide wedijveren de twee rederijkskamers met elkaar om de beste te zijn. De ‘Morgenieten’ ontstaan in 1447 onder de naam ‘Heden Yet, Morghen Niet’ en twee jaar later wordt ‘Scerpdeure onder ’t Heilich Cruus’ boven de doopvont gehouden. In de volksmond worden die laatsten de ‘Scheerders’ genoemd. In de stad zelf is er niet veel meer te vinden over deze organisatie, maar het Koninklijk Stadsarchief van Brussel komt toch op de proppen met enkele teksten uit de jaren 1447-1448. Zo bijvoorbeeld het volgende verslag van mei 1447: ‘Item ghepresenteert up den selven dach (H. Sacramentsdag) den gheselscepe van Heden Yet ende Morghen niet, die speelden in de verchieringe van der processie ij cannen wyns van vi grooten den stoop comt xviij of 18 schele parisis’.

Tussen Ieper en Diksmuide bestaat er een actieve handel. De schippers die met hun ladingen voorbij Diksmuide varen, moeten er tolrechten betalen. De lokale wethouders oefenen er een scherp toezicht op uit, waar zelfs de geestelijkheid niet kan ontsnappen. De archieven draven aan met het verhaal van een deken die in 1426 opgesloten wordt in de gevangenis omwille van een misdrijf begaan op de baljuw van Diksmuide.

De top van de clerus in Terwaan staat natuurlijk op zijn achterpoten om deze ongehoorde maatregel, eist een onmiddellijke invrijheidsstelling en dreigt er mee om de stad in de ban van de kerk te slaan. De wethouders moeten ongetwijfeld erg verveeld zitten met de hele situatie en gaan raad vragen bij de kanseliers. Hun bezoek duurt vier dagen, een detail dat door de geschiedschrijvers niet over het hoofd gezien wordt. Ik moet jullie helaas de afloop van de historie schuldig blijven.

Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 5
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.