banner
mrt 11, 2026
22 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het ontstaan van Viroviacum

Het ontstaan van Viroviacum

Written by
banner

De vermelding ‘Druk Almar Wervik’ en een stempel van de stedelijke oudheidkundige commissie bevolken de eerste binnenbladzijde die me in één ruk loodst naar de plek waar ik naar toe wil; Wervik in de oudheid.

De ‘Notices Historiques’ van Wervikaan Blieck vormen een deel van de bronnen van het werk. Maar die zijn niet altijd betrouwbaar, beweert Defrancq. In 1955 is er een meer gefundeerde verhandeling verschenen van een zekere Carpentier die zich baseert op bodemonderzoek. Het lokaal stadsarchief, of ten minste wat er van het archief kon worden gered, vervolledigt de bronnen van onze historicus. Erg weelderig is zijn oogst aan bronnen niet. Meteen besef ik dat dit ook wel de reden zal zijn waarom Wervik zo lang ontbroken heeft in mijn werk.

De bronnen die het meest tot de verbeelding spreken, zijn vooral het bekende ‘Itinerarium provinciarum Antonini Augusti’, een Romeinse reisgids uit de 3de eeuw. De gids wordt geflankeerd door de illustere ‘Tabula Peuteringiana’, een 13de eeuwse Romeinse wegenkaart, hertekend op basis van een exemplaar uit de 4de eeuw. De kaart is op zijn minst abstract te worden. Het netwerk van Europese wegen heeft iets mee van het schema van een ondergronds metronetwerk van steden zoals Londen, Parijs of Brussel.

Op de Peutingerkaart zie ik in onze contreien een hoofdweg die loopt van het mythische Bavay naar Boonen, het oude Boulogne. Langs deze weg bevinden zich Castellum (Cassel) en Doornik dat volgens geschiedschrijver Vaernewyck oorspronkelijk de naam van ‘Tullus Hostilius’ met zich meedroeg. Het reisboek van Antonius heeft het over een plaats met de naam ‘Viroviacum’ die zich langs de weg Boulogne-Doornik-Bavay situeert. De Peutingerkaart volgt voor een deel deze stelling, maar heeft het over ‘Virovinum’. René Defrancq heeft het over een slechte transcriptie.

‘Iter a portu Gessoriariacensi Bagacum usque M.P.LXXXIII. Viroviacum M.P.XVL.’ staat het geschreven in de gids van Antonius. Tussen Virovinum en Bavay bedraagt de afstand 123 km. Mijn browser duidt aan dat die ruim overschat is. Volgens de reisgids ligt Viroviacum 35 km verwijderd van Doornik terwijl de reisgids maar 25 km aangeeft. De lokale priester-historicus stelt zich dus terecht de vraag: ‘was Wervik werkelijk de plaats die vroeger als Viroviacum bekend werd?’ De cijfers zijn niet absoluut en zeker niet van die aard om zekerheid te brengen. Hebben de kopiisten en de tekenaars van de kaart niet alleen de naam van Viroviacum slecht vertaald, maar hebben ze ook hun pet gegooid naar precieze aardrijkskundige gegevens?

Bodemonderzoek en een geologische studie kunnen hopelijk klaarheid brengen in de tegenstrijdigheid van de oude Romeinse gegevens. Ik vind het een beetje eigenaardig dat de namen van Viroviacum en Virovinum en hun respectieve afstanden tot Doornik afgedaan worden als een historische fout. Kan er eigenlijk geen sprake zijn van twee verschillende locaties? De Nederlandse archivaris Albert Delahaye verschaft duidelijkheid.

De reisgids en de kaart verschillen zowat voor alle locaties in de lage landen. De Peutingerkaart gaat erg slordig om met de loop en de ligging van de West-Europese rivieren maar concentreert zich vooral op het exact aangeven van de rivierovergangen en belendende bewoningsconcentraties. Hier, aan de overgang van de Leie, bevindt zich dus in de Romeinse tijd het stadje Viroviacum en er is vooralsnog geen redenen om aan te geven dat de Romeinen nog andere plaatsen wilden aangegeven. Ik ga verder met de studie van René Defrancq. Romeinse wegen werden traditioneel aangelegd zodat ze een vlotte verplaatsing van de legers konden garanderen.

Zo recht als een kaars en hoog genoeg van grondniveau zodat ze niet kunnen overstromen. Keizerlijke koeriers moeten absoluut een kruissnelheid van 22 km per uur halen en dienen in dringende gevallen op 24 uur tijd zelfs een fabelachtige afstand van 570 km overbruggen. Ongelooflijk. Het aanleggen van droge wegen moet in onze streek geen sinecure geweest zijn. De hele streek is bezaaid met water, venen en moerassen. Van de hele Leiestreek rest er alleen het stuk tussen Armentières en Kortrijk als mogelijke piste om de Leie te kruisen.

Een studie van de Wervikse architect Lannoy geeft aan dat het water van de Leie tweeduizend jaar geleden zowat zeven meter hoger staat als de dag van vandaag. En het water is dan al substantieel gezakt, want duizenden jaar eerder stond het water zeker nog 10 meter hoger. Op een heuvelruggetje dat zich uitstrekt tussen Wervik-Noord en Wervik-Zuid ligt de grond een meter of vijf hoger dan de rivier. De plaats waar de huidige brug Wervik en Wervicq-Sud met elkaar verbindt, maakt deel uit van de heuvelkam.

Deze verhevenheid in het landschap is ideaal voor de Romeinse ingenieurs om hun nieuw aan te leggen heirbaan de Leie te laten kruisen waardoor die hier verder kan richting Oudenburg en het noorden. De eigenlijke woonkern van het oude Wervik ligt een meter of 6 hoger dan de Leie en is zelfs in tijden van overstromingen beschut tegen het water. Na hevige regens kan het niveau van de Leie de Briekenhoekstraat en de Koestraat onder water zetten, maar het gebied tussenin blijft droog. Hier, dicht bij het heilige water, de ‘Hille’, zijn de mensen gaan wonen. Ja. Er bestaat op vandaag de ‘Hillestraat’ in Wervik.

De ‘Hille’ zelf ligt tussen de huidige Sint-Jansbeek en de beek van de ‘Hoge Planque’. De naam van ‘Hille’ vertelt me voldoende: Wervik was meer dan duizend jaar voor het begin van onze tijdrekening al zeker bewoond door Indo-Europese volkeren. Het waren die volkeren die hun woonplaatsen aan het water als ‘illes’ en ‘ulles’ omschreven en die de namen van hun thuis van vader op zoon doorgaven. Primitieve klanken waren het en van schrijven was er nog lang geen sprake. Ik heb al heel wat tijd gestopt in het terugvinden van soortgelijke namen in de Westhoek. Ze leveren me telkens weer een onomstotelijk bewijs dat hier mensen woonden.

Niet alleen hun taal was ‘aboriginal’, ook de woningen en hutten van die eerste inwoners waren in hout en niet resistent tegen de erosie van de geschiedenis en de tijd. De mondeling overlevering blijkt integendeel wel taaier en slijtresistenter. Sterk genoeg om ons nu nog altijd hun aanwezigheid van minstens 3000 jaar geleden te doen herinneren via de overgeleverde naam van hun waterplaats. De schrijver geeft me gelijk. Zonder dat hij het zelf beseft.

Ik citeer even: ‘geologische peilingen aan de westzijde van de brug hebben op 6 meter diepte, lagen van eikels naar boven gebracht, een bewijs van eeuwenoude beplantingen op dit niveau.’ Ik vraag me af welke ‘ille’ namen er zich hier nog in de buurt bevinden. Een eerste plek is uiteraard ‘Komen-ten-Brielen’, op kleine afstand van Wervik, in de volksmond ‘Kapelle’ of ‘Brielen’ genoemd en dat was, net zoals het toenmalige Brielen in Ieper, 3000 jaar geleden een bewoonde plaats aan het water. Uiteraard is er Geluwe, in de volksmond ‘Hilwe’ genoemd. Ik check even de lokale plaatsnamen. Abeele, de Abeelstraat en het Abeelbunder aan de zuidzijde van de Leie.

Hoor je ook die ‘Ille, Alle, Olle en Ulle’? Den Balakker, Baleys en Balie. De Balie-akker en het Baliebos. De Balokken. De Gajole. De Helle (de Hille dus) en den Hul. Het Hullebos en Hulst. De Lake en Lo hebben alle de dubbele ‘l’ in zich. De Wille is er. De Leie noemt trouwens niet zo maar ‘La Lys’. Rijsel heet niet toevallig Lille. Weet je dat de oorspronkelijke naam van de Nijl trouwens Nyli was? De Maarle in Wervik was eerst de Marulle.

Als je Wervik op vandaag bestudeert, kom je tot de vaststelling dat er al bij al beperkt sprake is van ‘ille’ benamingen en dat de meeste straatnamen er niets mee te maken hebben. Het toont aan dat de streek rond de Leie slechts op een aantal plaatsen bewoond werd door onze heidense voorouders die ongetwijfeld ook verrast zullen geweest zijn door de komst van die vreemde Romeinen. Ik besluit om hier in te pikken en me even te concentreren op hun aanwezigheid in Wervik.

De archeologen graven voldoende vondsten op om ruimschoots te bewijzen dat de Romeinen hier geweest zijn en zeker ook geleefd hebben. Er kan hieromtrent niet de minste twijfel bestaan. Sporen van een eventuele Romeinse weg of tenminste een verharding blijven een hele tijd buiten beeld, maar de heer Carpentier vindt in de bodem van de Groenstraat en van de Steenakker, op een diepte van 2 meter, twee vlakke vierkante leistenen, aangelegd op een bed van steenslag en klei. En ook op andere plaatsen worden een flinke meter onder de grond plaveistenen gevonden die rusten op een zandachtige onderlaag.

De opgravingen van die dagen beperken zich tot zowat één vierkante kilometer. Ze brengen een schat aan (pre-)Romeinse gebruiksvoorwerpen aan de oppervlakte. In 1951 wordt er een Romeinse waterput ontdekt onder het koor van de kapel van het hospitaal. Gemaakt van Doornikse kalksteen. Potscherven, een godinnenbeeld in terra cotta, een weelde aan ’terra sigillata’, herinneren er aan dat de Romeinen hier hun kamp hadden. Ik krijg een hele waslijst van vondsten voorgeschoteld. Beeldjes van Venus en Mercurius. De oogst aan Romeinse munten is niet geweldig. Enkele van Hadrianus, Augustus en Marcus-Aurelius.

Er is nogal wat werk aan de winkel hier. Het valt wel op dat de meeste opgravingen zich concentreren rond de Groenstraat, de Ooievaarstraat en de omliggende straten. Dat die plekken hun middeleeuws aura van hun smalle straatjes met zich meedragen, kan geen toeval zijn. Tijdens werkzaamheden bij het Pardoen worden opnieuw betekenisvolle restanten blootgelegd.

Wat ze in 2008 besluiten is dan ook terecht: ‘het Romeinse Wervik bevond zich meer ten noordoosten van de Sint-Medarduskerk’. Wikipedia vertelt me dat het stratenpatroon van het oudste gedeelte van de stad Wervik (Nieuwstraat – Groenstraat – Donkerstraat) een opmerkelijke gelijkenis vertoont met het typische dambordpatroon dat we vinden in de meeste Romeinse steden. Onder het Sint-Maartensplein worden funderingen gevonden van de middeleeuwse Sint-Maartenskerk die er ooit gebouwd was.

Die verdwenen kerk bleek gebouwd bovenop de restanten van de oude tempel van Mars. Dat is toch wat geschiedschrijver Gramaye beweert. Ik treed de man bij. Het afzweren van de oude heidense gewoontes en dito offerrituelen door de eerste christelijke predikers heeft bloed, zweet en tranen gekost en kon alleen maar bereikt worden door het nemen van drastische maatregelen. De afbraak van de oude tempels en de heropbouw van kerkelijke alternatieven op exact dezelfde plaatsen, waren overal schering en inslag.

De heidenen konden hun vroegere gewoontes eigenlijk gewoon verder zetten op dezelfde plaats. De nieuwe god zal geleidelijk aan wel de plaats ingenomen hebben van de oude helden. Ik denk aan plaatsen zoals Veurne en Werken, waar de overlevering eveneens vertelt over de brutale vervanging van de oude heidense gebouwen door kerken die konden dienen om de juiste god te dienen. Gramaye brengt trouwens nog een ander primeurtje: in 1514 werd hier in Wervik een muntstuk van Julius Caesar gevonden.

Ik duik even binnen op pagina 12 van het werk van René Defrancq. ‘Wervik in de Oudheid’. Ik citeer even: ‘bij de naam Viroviacum (Virovi – acum) valt het op dat veel auteurs aan het suffix “acum” de betekenis geven van domein of propriëteit. Dat kan heel goed in het kader passen te Wervik en zou een aanduiding kunnen zijn van een propriëteit die aan Virovios’ toebehoorde.’ Ik ben blij dat Defrancq het werkwoord ‘zou’ in stelling brengt. Ik lees tussen de regels door dat hij dit niet echt gelooft en ook ikzelf geloof er geen snars van.

Er is nooit een man of een familie geweest met de naam Virovios. Ons gezamenlijk scepticisme sleurt me mee naar de fundamentele vraag. Wat betekent die naam ‘Viroviacum’? Waar en hoe en wanneer is de naam van Wervik ontstaan? Lokaal vind ik niets. Gissingen en niet veel meer. De zaak houden me dagen bezig. Dagen aan een stuk, komt er geen letter op papier. Geen gebrek aan kattenbelletjes. Briefjes en nota’s stapelen zich van langs om meer op rond mijn pc’s en op mijn bureau. Ik heb natuurlijk een belangrijke streep voor op de schrijver daar in Wervik rond 1960. Ik kan beschikken over mijn Google Chrome browser die me toegang biedt tot een woud van informatie. Hier moet ik mijn weg vinden.

Ergens tussen de informatie die duizenden voor mij hebben toegevoegd aan het wereldweb. Hier kan ik de wortels van Wervik vinden. ‘What a challenge!’ Precies die uitdaging waar ik zo van hou. Veel aanknopingspunten heb ik niet. Opzoekingen naar de namen Viro en Vino leveren me niet de gewenste inzichten op. Vino heeft alles te zien met wijn, maar hier aan de Leie is er niets dat wijst in de richting van wijngaarden. Viro brengt me bij een stam die de ‘Viromandii’ noemt. De Viromandii blijken een Gallische stam te zijn met hun thuisbasis in de streek van Picardië. Bij de Somme op enkele honderden kilometer verwijderd van Wervik.

De streek van de Vermandois, zoals ze later zal bekend raken in de geschiedenisboeken. De Viromandii nemen de wapens op tegen de Romeinen en ergens zal er dus wel een link bestaan met de lieden van Wervik. Maar, toegegeven, elk spoor blijft me voorlopig bijster. Ik spits me toe op de zogezegde transcriptiefout die de tekenaar van de Peutingerkaart zou moeten gemaakt hebben volgens René Defrancq. Viroviacum versus Virovinum. Ik vergeet even de achtervoegsels en concentreer me op wat er bij beiden identiek is. Viro en Vir.

Viro brengt vooralsnog geen soelaas, dus ga ik op zoek naar uitleg over Vir. Wat heeft het woord ‘Vir’ betekend in de geschiedenis van West-Europa? Er is al zo veel verschenen over de algemene volksverhuizingen van duizenden jaren geleden. Waarom zou ik hier geen informatie terugvinden? De etymologie brengt me eindelijk op het juiste pad. De herkomst van het woord Vir reikt me de sleutel aan om mijn Viroviacum binnen te stappen. Vir betekent ‘Man’. Het woord werd 3000 jaar geleden al gebruikt bij de Indo-Europeanen.

Je weet wel: diegenen die er over het hele Europese grondgebied voor gezorgd hebben dat hun woonplaatsen aan het water allemaal met dubbele ‘l’ worden genoemd. Halle, Lille en duizenden consoorten. Ik mag ze eigenlijk best de eerste echte Europeanen noemen. Van een blauwe vlag met gele sterren hebben ze nog nooit gehoord, maar ze omschrijven hun vrije mannen wel als ‘WiHros’. Met WiHros zijn we waar we wilden zijn. Die eerste Europeanen gaan zich met verloop van de eeuwen afzonderen in hun eigen gebieden en zo ontstaan een reeks variaties van de manier waarop ze hun mannen en krijgers omschrijven. Kinderen van WiHros als het ware.

Zowat alle oude talen nemen WiHros over en dat maakt het heel wat gemakkelijker voor me. Ik begin in het oud Engels grondgebied waar ze stilaan de naam Fer en Fir zijn gaan gebruiken voor hun mannelijke inzaten. Zo bijvoorbeeld de Fir-Bolgs. Verdorie. Ik heb het al eerder gehad over deze Gallische stam die 1500 voor Christus de macht greep in Ierland. De voorvaders van de Belgen. De Bolgs en de Belgen van toen moeten mannelijk geweest zijn. De mannelijke Belgen werden Fir Bolgs genoemd.

Van de vrouwen is geen sprake. Hun enige rol tijdens hun leven was te zorgen voor voldoende mannelijke opvolgers zodat de oorlog niet zou stilvallen. Het oud-Engels komt af met het woord ‘Wer’. Wervik komt al aardig in de buurt. De Engelse etymologie omschrijft Wer als ‘footsoldier’. Het middel-Engels bezit al een woord dat ‘werreour’ noemt, oorlogsman en vandaag natuurlijk ‘warrior’. Dat onze aardbol in die dagen achter ons inderdaad een mannenbastion is, wordt ook zo aangegeven: ‘Weralt’ is de voorloper van ‘wereld’.

Een (mannelijke) weerwolf wordt omschreven als een ‘werwulf’. Op het Europees vasteland wordt de term in het Saksisch en in het Fries omschreven als ‘wer’. Het Latijn maakt finaal de brug naar Wervik aan de Leie. De Latijnse naamvallen transformeren wer naar vir en viro. Woorden als triumviraat, viriel en ‘virtue’ hebben plots alle zin. Ergens in een diep verscholen plekje van het internet lees ik de Franstalige omschrijving van de stad Wervik als ‘le séjour des guerriers’. Beter kan ik het niet omschrijven: Wervik is een stad geweest waar mannelijke krijgers woonden en waar ze haar naam aan te danken heeft. Verviers en Verdun mogen dus ook hun roots zoeken bij hun mannen.

De stam van de Viromandii verwijst dus ongetwijfeld ook naar een mannelijke oorlogsbende die het opneemt tegen Caesar. Viroviacum en Viromandii zijn dus duidelijk voor wat hun naam betreft verwant met elkaar. F. Grigny beweert in zijn werk ‘Les Villes de la Gaule Belgique’ van rond 1800 dat de oorspronkelijke naam van het in -27 gestichtte Saint-Quentin, de hoofdstad van de Vermandois, initieel in die tijd bekend stond als Wermand dat later met de komst van de Franken zal omgebogen worden tot Wermund.

Hij verwijst hier uitdrukkelijk naar de naam van Wervik. Pas ergens in de 4de eeuw zal de stad zijn nieuwe naam kregen en zo refereren naar de christelijke martelaar Quintinus. Een ander Romeins kruispunt van wegen vind ik ook in de stad Verviers dat door de Walen ‘Vervi’ genoemd wordt. Lokale naamkundigen komen ook hier aangezeuld met hun bewering dat de naam van Verviers afkomstig zou zijn van een stamhoofd met de naam Virovios of Virovius. Er moeten dus al twee Viroviossen bestaan hebben. De uitleg is veel eenvoudiger: ook hier wordt een kampplaats van mannelijke legioensoldaten met het voorvoegsel ‘ver’ aangeduid.

Hoe staat dat nu trouwens met dat fameus achtervoegsel ‘viacum’. Wat betekent het? Er duikt nogal wat verwantschap op in Gallië: Turnacum (Doornik), Bagacum (Bavay) en Castellum (Cassel) zijn prima voorbeelden. Het nominatief achtervoegsel vicus heeft als accusatief vicum. Het meervoud is vici. In het Latijn betekent vicus een gehucht of een wijk in de buurt van een Romeins castellum of een klein stadje op de kruising van belangrijke handelswegen. De naam ‘wijk’ komt trouwens niet zo maar uit de lucht vallen. Ik arriveer opnieuw bij mijn Indo-Europees waar de term vicus oorspronkelijk betiteld wordt als ‘weyk’ in de betekenis van nederzetting of stam.

De Engelse stad Warwick komt me meteen voor de geest. Wervik en Warwick zijn zowat Siamese tweelingen voor wat hun naam betreft: een nederzetting van mannelijke krijgers. Er rest mij nu nog het tussenvoegsel ‘via’ dat hier parmantig paradeert tussen de wijk van de mannelijke krijgers. Wie kent er niet de ‘Via Roma’ waar de wielrenners op vandaag voorbij racen tijden de klassieker Milaan-San Remo? Ik vind een perfecte Engelstalige beschrijving van het woord: ‘a road or paved part in a village or town’. Het geplaveide deel van de Wervikse nederzetting zorgt er voor dat de Romeinen haar de naam van Viroviacum toekennen.

Via is van oorsprong trouwens ook Indo-Europees. Weg-ya. We beseffen dus niet eens dat ‘weg’ en ‘via’ dezelfde moeder hebben. De Via Roma heet bij ons dus gewoon de weg naar Rome. Wat de Romeinen ‘Viroviacum’ noemen zou dus in het Indo-Europees omschreven worden als ‘Wer-Weg-ya-weyk’ of iets wat nauw in de buurt ligt. Vermits alle drie de componenten van de stadsnaam van Indo-Europese origine zijn, kan het dus in theorie best zijn dat Wervik al lang voor de Romeinen zo genoemd werd door zijn oorspronkelijke bewoners.

Maar ik betwijfel dat. Dat die bewoners er waren lijdt geen twijfel, dat weten we gelukkig dankzij de overlevering van de centrale ‘Hille’. Maar Wervik is pas bij de aanleg van de heerbaan van Kassel richting Oudenburg op dit cruciaal kruispunt komen te liggen. Dus een vicus kan het voorheen niet geweest zijn.

Of de oorspronkelijke bewoners zich al lang voor de inval van de Romeinen onledig hielden met het plaveien van hun stadje, mag eveneens gerust in vraag gesteld worden. Maar ik moet hier toch met twee woorden spreken. In zijn ‘Historie van Belgis’ beweert Marcus van Vaernewyck het tegendeel. Wie ben ik om dus zwart of wit partij te kiezen?

Een gelijkaardige historie met een andere vicus in dezelfde tijd van de Romeinen brengt me wat meer zekerheid over de naam van Viroviacum en over de betekenis die de stad kreeg van de Romeinen! In het oude Rome stond een vicus synoniem met een buurt. Tijdens het bestuur van keizer Augustus, in de eerste eeuw voor het begin van onze nieuwe tijdrekening, was hun hoofdstad ingedeeld in 14 regio’s en in totaal 265 vici. Elke vicus stond onder controle van een soort schepencollege van vier verkozen magistraten, ‘vicomagistri’.

De vici verschillen wezenlijk van de officiële administratieve centra die civitates worden genoemd. Het zijn dus echte volksbuurten zonder enige legale status. Met de uitbreiding van het Romeinse rijk ontstaan nogal wat spontane vici. Eigenlijk kan ik die best ‘pop-up’ gemeenschappen noemen. Ze huisvesten tijdelijk opgeroepen troepen en groeien in de loop van de tijd uit tot echte steden in de gevallen dat garnizoenen er zich permanent gaan vestigen. Het gebeurt vaak dat steden het aantal inwoners niet meer kunnen slikken en waardoor er hele groepen mensen verhuizen naar nabijgelegen vici.

De eerste vici in de nieuwe Romeinse gebieden staan nog onder het bestuur van de militaire commandant en ze bezitten geen eigen administratief en burgerlijk bestuur. Pas als er zich voldoende Romeinse burgers gaan vestigen, krijgen die vici de toelating van Rome om lokale besturen te vormen en uit te groeien tot regionale centra en zelfs tot provinciale hoofdsteden. Een mooi voorbeeld hiervan is Eboracum, dat op vandaag gekend staat als het Engelse York. Viroviacum heeft een broertje dat luistert naar de naam van Vercovicium.

De plaats is gelegen in Northumberland in het ruwe en desolate noordoosten van Engeland. Vlak bij de bekende muur van Hadrianus. De overgebleven ruïnes van Vercovicium blijven leven onder de naam van ‘Housesteads Roman Fort’. De hele muur van Hadrianus heeft een lengte van 117 km en vormt een verdedigingsgordel tegen eventuele invallen vanuit de noordelijke gebieden die we nu kennen als Schotland. Tijdens de 2de eeuw staat een leger van 9000 man in voor de beveiliging van het noorden. Ze organiseren hun activiteiten vanuit een reeks forten.

Er is sprake van tachtig kleine en veertien grote vestingen. In de nabijheid van deze bolwerken ontstaat er in die periode een kamp van soldaten dat doorgroeit tot een heuse vicus met huizen, met bestrating en met een verrassend moderne infrastructuur. Er is sprake van het opvangen van water in reservoirs en het gebruik ervan in de latrines. Er zijn badhuizen. Wie al ooit de ruïnes van Pompeï gezien heeft, beseft waartoe de Romeinen allemaal in staat waren. Oorspronkelijk is het nieuwe Vercovicium uiteraard exclusief bewoond door mannen. De ‘ver’ is net zoals bij Viroviacum prominent aanwezig om dat te staven.

Pas in de 3de eeuw zullen de Romeinse krijgers toelating krijgen om te trouwen en hun vrouwen te laten overkomen naar Vercovicium en dat zal wel voor een bevolkingsexplosie gezorgd hebben in de nieuwe vicus. Rond de jaren 400 zal een einde komen aan de Romeinse activiteiten en blijven de muur van Hardianus en Vercovicium als een relikwie achter in het verlaten landschap. Het verhaal van Wervik en Housesteads, zeg maar Vercovicium, is verrassend gelijklopend. Vervang de muur van Hadrianus door de Leie.

De rest is hetzelfde. Een gemeenschap van oorspronkelijk alleen maar mannelijke soldaten die relatieve veiligheid vindt aan de oevers van de rivier en die in verloop van tijd ook vrouwen zal toelaten en die met het verdwijnen van de Romeinen meteen ook voor vele eeuwen zijn ziel en zijn betekenis zal verliezen. Ik vind in de naam van Vercovicium net zoals dat bij Viroviacum het geval is, het woord ‘vic’ terug. De Engelstalige uitleg van ‘vic’ bevestigt wat ik al eerder aangaf.

Wic komt van wick en vinden ze in Engeland terug in de stadsnamen zoals Wick, Wyck, Hayckney Wick, Gatwick, Wickham, Ipswich, Norwich en ook in de naam van de stad York die via de oude Noorse naam Jorvik gemuteerd was uit de naam Eoforwic. Wikipedia haalt het hier in het Engels nog eens extra aan: ‘a municipal area called in Dutch wijk’. In het oud-Fries ‘wik’ en in het oude-Saksisch ‘wic’. De opmerkelijke parallel tussen Housesteads en Wervik zorgt finaal ook voor een antwoord op de vraag wie verantwoordelijk is voor de naam ‘Veroviacum’, stad van de mannen.

In het Engelse Vercovicium is er nooit enig spoor geweest van een lokale gemeenschap voor de komst van de Romeinse soldaten. Het is meteen duidelijk dat de naamgeving op en top Romeins is. Gezien de parallel is het inderdaad erg logisch om die lijn door te trekken voor Wervik.

De nederzetting van eigen mannelijke soldaten werd door Rome gedoopt als Viroviacum. Hoe de lokale ‘inboorlingen’ zichzelf noemden, kon hen geen barst schelen. Vermits zij meester waren van het schrift, zijn zij in staat gebleken om hun naamgeving te laten primeren en te doen overleven. Mijn priester-schrijver buigt zich ook over de betekenis van de naam van Wervik. Volgens hem werd er meer gefantaseerd dan verantwoord.

Hij blijft stilstaan bij de uitleg van de naamkundige Maurits Gysseling die beweert dat Viroviacum afkomstig is van de Keltische naam Virovios die in het Latijn vertaald wordt als ‘manhaftige’. Een soort mannelijke weerwolf. Ook hij komt op de proppen met de namen ‘vir’ en ‘fir’ die ook wel met een ‘w’ durven worden uitgesproken. Gysseling komt verdorie heel dicht bij de roots van Viroviacum, maar verknalt het dan glansrijk door zijn fantasievolle introductie van de (mannelijke) weerwolf Virovios. Er hoeft helemaal geen interface gezocht te worden.

Vir is man, Viroviacum eenvoudigweg de stad waar de Romeinse legioensoldaten verblijven. Ik volg René Defrancq voor de volle honderd percent als hij schrijft dat met verloop van de tijd, de lokale vicus van Wervik zal aangevuld worden door de lokale bevolking, een mengeling van Galliërs en Kelten, die hier hun handeltje kunnen opzetten en een graantje gaan meepikken van de soldij van de Romeinse soldaten. En er is natuurlijk ook de trafiek van de voorbijkomende legioenen. Hier worden paarden en ruiters na een lange rit afgelost. Wagens kunnen hersteld worden. De dieren kunnen verzorgd worden. De inheemse bevolking neemt een aantal zaken graag op zich. Net zoals dat het geval is in andere plaatsen van Gallië, worden jonge lokale mannen opgenomen in het Romeinse leger.

Viroviacum betekent letterlijk en figuurlijk de ‘Far West’ voor de huurlingen van het leger. Het aantal pioniers blijft maar aanzwellen. De bevoorradingsplaats Wervik groeit als kool. Rijen van primitieve houten loodsen met daken van stro of riet. De ’torchis’ die men later zal aantreffen, wijzen duidelijk in de richting van die primitieve behuizing met plak en stak. Brand en vuur zijn nooit ver weg. Er is duidelijk sprake van een actieve handel met het Romeinse thuisfront. Keramiek en sigillata verhuizen van Gallië naar Keulen en naar Rome. En vice versa.

Tussen de jaren 100 en 300 moet Viroviacum met zekerheid een bloeiende plek zijn in Gallië. Met zijn heerlijke ligging aan de Leie, de infrastructuur die hier door de Romeinen opgezet wordt en zijn functie als bevoorradingspunt, figureert het jonge stadje als een economische magneet voor de hele streek. Er is al sprake van schaapsteelt en van weven. De lokale archeologische vondsten zijn in die context omvangrijk en indrukwekkend. Het reisboek en de kaart van toen geven ons kind een historische naam. Wervik kan terecht terugkijken op een rijk Romeins verleden. Spijtig genoeg is er buiten die bewijzen verder geen spoor van het oude Wervik terug te vinden in de oude geschiedschrijving van die dagen. We kunnen ons enkel in onze eigen fantasie afvragen hoe het leven er werkelijk aan toe is gegaan.

Dit is een fragment uit Boek 5 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 5
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.