Vooraleer dieper in te gaan op het vervolg van deze oorlog, focust de schrijver zich op de figuur van generaal Dominique Vandamme. Gehaat als een wangedrocht en geliefd als een held, zijn naam ligt wel op ieders lippen. De enen bewonderen Vandamme, de anderen verwensen hem. Van jongs af aan is hij een ondernemende en stoutmoedige kerel.
De generaal ziet het levenslicht te Cassel in het jaar 1770 als zoon van een lokale chirurg, een heel- en vroedmeester die alom gerespecteerd wordt in zijn eigen stad. Die zorgt dat de jongen van een goede opvoeding geniet aan het college van de paters-recolletten van Cassel. De Franse revolutie van 1789 maakt grote indruk op de puber die er de kans in ziet om hogerop te geraken en daarom dweept met de stroom van de omwenteling. Hij kan het blijkbaar goed uitleggen en verwerft door zijn welsprekendheid algauw een grote invloed op zijn medeburgers.
Wanneer de oproerkraaiers overgaan van woorden op daden krijgt hij van hogerhand de opdracht een afdeling van vrijwillige jagers aan te werven in zijn eigen stad. Grotendeels jonge losbollen die hun haat tegenover de koning en de adel niet onder stoelen en banken steken en een alibi vormen om verschrikkelijke euveldaden te plegen. Vandamme pakt als voorbeeld zeker de edele familie van Schoebeke te Oxelaer aan, hoewel hij persoonlijk veel aan hen te danken heeft.
Dominique Vandamme neemt deel aan de eerste invallen in de Westhoek. En omdat hij de streek op zijn duim kent hebben de keizerlijke troepen en de vrijwilligers veel te lijden onder de strapatsen van de fanatieke en driftige commandant die het vooral gemunt heeft op de priesters die weigeren om hun eed af te leggen aan de Franse revolutie.
Bij die invallen is hij meestal te zien aan kop van de ruiters, hij acteert als een gewone krijgsman, stormt in op de vijand terwijl hij links en rechts zwaait met zijn degen. Hij krijgt daardoor de bijnaam van ‘Le Sabreur’, de zwaardvechter in het Vlaams. Tijdens de gevechten rond Poperinge, op het einde van 1793 werd hij verscheidene keren omsingeld door Hongaarse Huzaren maar toch slaagt hij er in om telkens te ontkomen.
Zijn ‘roem’ stijgt synchroon met zijn gezag maar ook door zijn wreedheid. Dat zullen jullie lezers gaandeweg ook wel leren naarmate de situatie in de Westhoek verder zal ontsporen.
Later dus meer over Dominique Vandamme. Nu moeten we dringend terug naar onze streek waar het in 1794 van langs om slechter gaat. In de Vlaamse gewesten legeren de Engelsen rond Menen. Ieper en Nieuwpoort doen het met een bezetting van Oostenrijke, Hannoverse en Hollandse soldaten. Tussen Tielt en Kortrijk ligt een grote legermacht onder het bevel van de Oostenrijkse veldheren Clerfayt en Wineheim.
Klaar om in te grijpen indien de verdedigingslijn in de Westhoek zou bedreigd worden. Generaal Jean-Charles Pichegru neemt ondertussen zijn schikkingen om op 25 april tot de actie over te gaan, de hele grens met België over te steken en de bondgenoten aan te vallen. Tijdens de overrompeling van Kortrijk moeten de generaals Vandamme en Desenfants de zone tussen Poperinge en Veurne dwarsen om aansluitend Vlaanderen te machtigen.
Van Roesbrugge tot aan Nieuwpoort biedt de Ijzer een gemakkelijke verdedigingslijn. Eerdere pogingen van de Fransen geven aan dat ze wel eens via de zuidkant van de Ijzer zouden proberen om binnen te dringen in het Westland. Door die streek vloeien in dwarslijn met de bedreigde richting drie waterlopen: de Haringebeek, de Poperingevaart en de vaart van Ieper naar Knokke.
Dat betekent voor onze verdedigers dus drie verdedigingslinies. De bruggen worden overal afgebroken, de boeren van Stavele en Krombeke bouwen een verschansing of een aarden wal van aan de bossen van Proven tot aan het dal van Waeyenburg. Een tweede barrière loopt verder tot aan de Ijzer. Overal worden de wegen versperd met gekapte bomen. Deze lijn, achter de Haringebeek gelegen op zowat 2 km van de grens krijgt de naam toegemeten van ‘Franse Balie’. Ze eindigt aan de Ijzer rechtover de kerk van Beveren-aan-den-IJzer die door de vijand al eerder getransformeerd werd tot legerplaats.
Van achter hun wallen schieten de Stavelse boeren de Franse soldaten dood die zich op de plaats van Beveren wagen. Tot woede van de vijand die ostentatief de wapens komt opeisen. Dat gebeurt op 24 april. Ko Maziere, de hoofdman van de Stavelnaars antwoordt best brutaal dat de Fransen ze maar moeten komen ophalen en dat zal hem al de volgende dag duur te staan komen.
Die 25ste is het Goede Vrijdag, De vrijwilligers zijn extra op hun hoede door het abnormaal lawaai dat de Fransen produceren. Bij het aanbreken van de dag krioelt het al van de Franse krijgers in de straten die van Roesbrugge naar de Molenwal van Krombeke leiden. Op een zestal minuten verwijderd van de schansen komen er twee straten (de latere Waaienburgse weg en de Molenwalstraat) samen in een hoek die toen en nu de Scherpenput genoemd wordt.
Hier op deze plaats blijven de Fransen maar toestromen, in zo’n massa dat de straten ze amper nog kunnen slikken. Cissen Venant, aan het hoofd van de Stavelnaars op de Franse Balie slaat wild om zich heen en roept naar zijn makkers dat ze moeten vuren op de Scherpenput. De Fransen staan daar inderdaad blootgesteld op het open veld terwijl de vrijwilligers van achter hun verschansingen duizenden kogels boven hun hoofden horen fluiten. Hier en daar is er toch zo’n exemplaar dodelijk voor die van ons. Karel van Nobele, een koeienboer van 60 jaar wordt doodgeschoten.
Rond 10u geraken de Fransen over de versperringen terwijl de boeren zwichten al vechtend van boom tot boom. Ze krijgen versterkingen vanuit de omliggende plaatsen. Tussen de nieuwe bendes vrijwilligers arriveren er ook twee mannen die wat te diep in het glas gekeken hebben, moed gedronken en duidelijk te veel want nu stapt het tweetal roekeloos af op de Fransen.
Mathys Candaele van Westvleteren en Pier Wagemaker een boer van Stavele lullen er op los dat ze hun blauwe erwten in het hart van de Carmagnolen willen planten. Ze hebben onwaarschijnlijk veel geluk dat de Fransen hen niet doden maar gevangennemen. Ze vliegen naar een gevangenis in Bergues en bij wonder zullen hun streekgenoten hen enkele maanden later gezond en wel terugzien.
Bij het naderen van al dat geschut nemen vrouwen, kinderen en de oude mensen de vlucht naar de bossen of de koolzaadvelden die dan in volle bloei staan. Anderen zoeken soelaas in de meersen of ze kruipen in de grachten. Ze hebben in alle haast hun belangrijkste huisgerief in pakken gebonden en op karren en wagens geladen om via Westvleteren en over de Poperingevaart een schuilplaats te zoeken.
Terwijl de vrijwilligers zich altijd maar meer terugtrekken vinden ze een zo goed als leeg Krombeke terug. Ze vinden er wel de broodnodige beschutting tegen het geweervuur van de Fransen. Hun bevelhebber heeft tegen die tijd een bende Carmagnolen naar Beveren-aan-den-IJzer gezonden om dan via Stavele deze boeren in de rug aan te vallen. Een Stavelnaar die zich nog ophoudt in Beveren snapt wat de vijandelijke bedoeling is.
Hij loopt dwars door de velden, zwemt door de vaart en redt op die manier veel van zijn vrienden. De Fransen treffen in Stavele een brug die afgebroken is en wanneer ze dan eindelijk in het dorp geraken is er niemand meer te vinden.
Met uitzondering van één man, een zekere Braecke die ze doodschieten wanneer hij over de haag van zijn hof wil vluchten. Buiten Krombeke, langs de Nieuwstraat staat het boerderijtje van Butstraen dat momenteel vol zit met vluchtelingen uit Proven, Haringe en Watou. Na een kogel in de voordeur wil de boerin de Fransen nog te lijf gaan maar vluchtende vrijwilligers schreeuwen haar toe dat ze als de bliksem moet vluchten voor de oprukkende vijand. De schrik slaat iedereen om het hart. De vluchtelingen snijden de strengen van de paarden af of lopen in de grootste wanorde over de velden.
Koeien en varkens dwalen rond, de wegen zijn bezaaid met huisraad en klederen, huilende kinderen zoeken verschrikt naar hun ouders. Boerenzoon De Rache die later heel wat van zijn getuigenissen op papier zal zetten is één van hen. De 14-jarige jongen blijft uren lang verstopt in een roggeveld terwijl de Fransen op amper 20 stappen afstand verwijderd heen en weer lopen.
Aan de Stenenbrug en aan de Eiken- en Hogebrug te Westvleteren staan hele benden Franse dragonders die voluit schieten, kappen en kerven op de vluchtelingen. Het is gewoonweg onmogelijk om over de Poperingevaart te geraken, tenzij men bereid is om er door te waden of te zwemmen. Gelukkig liggen de uitgestrekte bossen van Sint-Sixtus niet al te ver daarvandaan en kunnen duizenden mensen daar hun redding vinden.
Hoe hebben de Fransen zich in godsnaam zo snel meester gemaakt van die tweede verdedigingslijn? Pier van de Pijpebakkers, de commandant van Proven krijgt de zwarte piet toegeschoven. Hij heeft de Fransen doorgelaten tussen Watou en Proven. Hoe dan ook; de dragonders en het voetvolk van de vijand vinden de weg langs de Koningsdreef naast het Couthof door de bossen naar de Poperingevaart.
Hun volgende actie is nu natuurlijk het bezetten van bruggen en wegen om vervolgens de vrijwilligers in de rug aan te vallen. Het is een krijgslist die onze boeren absoluut nog niet kennen. De beschuldiging aan het adres van Pier van den Pijpebakkers kent gelukkig voor de man geen vervolg. Iedereen is blij dat hij nog leeft. Die 25ste april van het jaar 1794 wordt niet voor niets ‘de dag van elk voor zijn zelven’ genoemd, de dag van de vlucht.
De avond valt, de duisternis bedekt nu de verwoeste landstreek en de boeren wachten met ongeduld om in de stilte van de nacht terug te keren naar hun verlaten woonplaatsen. Tot plots een akelige gloed de lucht kleurt en de vochtige noordwestenwind een felle brandgeur tot in de bossen van Sint-Sixtus jaagt.
Carolus De Rache doet zijn verhaal: ‘ik klom op een boom’, vertelt hij, ‘langs alle kanten zag ik niets anders dan vuur, heel Stavele stond in brand, de kerk met haar zware eikenhouten gewelven en zolderingen stond in laaiende vlam. Dit was een prachtig gebouw van middeleeuwse bouwtrant, met een heerlijke beiaard, schone klokken en allerlei kunstwerken. De ridderlijke geslachten van Stavele, vroeger verwant met de hoogste edeldom hadden ze rijkelijk begiftigd: niets ervan bleef gespaard!
Al de hofsteden langs de Ijzer en in de omtrek gelegen, ondergingen hetzelfde lot. De akelige klaarte werd allengskens groter en groter. Nu was het de beurt aan de abdij van Eversam en de wijk of landing van Elzendamme. Het was waarlijk een zee van vuur van wel twee uren breedte. Die aanblik vervulde het hart van de arme vluchtelingen met radeloze schrik..!’
Die fameuze nacht dringen de Fransen inderdaad als losgeslagen duivels binnen in de abdij van Eversam. Al wat hun hebzucht kan voldoen wordt geroofd. Ze vernielen de schilderijen, beelden en heel wat kunstwerken om daarna de gebouwen aan de vlammen prijs te geven. De muren zijn echter sterk en kloek gebouwd en ook de toren weerstaat aan het vuur.
Het gebouw zal er als een getuigenis van de dolle Franse woede blijven staan tot het in 1811 in opdracht van het Frans bestuur zal afgebroken worden. Krombeke heeft minder te lijden onder de brand. In het holst van de nacht zoeken de bewoners hun huizen op. Dat is best een macabere bedoening want ze struikelen overal over de lijken van mensen en dieren, vinden de deuren en de ramen van hun woonsten in stukken geslagen.
Hun huisgerief ligt verbrijzeld op de grond. Hier in Krombeke woonde de keizerlijke ontvanger, een Waal met de naam Gringoir. Hij had zich hier gevestigd nadat hij tijdens een aanval te Roesbrugge zijn arm afgeschoten was. Hier in Krombeke baatte hij een drankslijterij uit die de Fransen natuurlijk niet links lieten liggen. In zijn huis vonden ze verscheidene vaten jenever en gingen ze aan het zuipen zolang ze het uithielden.
En daarna liepen ze als razenden de huizen van het dorp binnen, terwijl ze alle deuren intrapten en de inboedels kort en klein sloegen. Het is dat triest resultaat van hun zwijnerij die de teruggekeerde inwoners nu te zien krijgen.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


