Op het einde van de Romeinse periode, rond 270, staat de hele Vlaamse laagvlakte onder water door de tweede Duinkerkse transgressie. Daarna settelt de kustvlakte zich en doet de verzanding zijn nodige werk over de hele kustlijn tussen Wissant , wit zand, en Brugge of zoals Dante het pleegt te zeggen ’tra Guizzante e Bruggia’. Tijdens de Frankische eeuwen is er amper sprake van enig maritiem leven langs de hele zeestrook. Met uitzondering van de monding van de Ijzer die de haven ‘Iserae Portus’ herbergt en die de Noormannen als het ware een vrijgeleide geeft om Vlaanderen binnen te dringen. De genadeloze combinatie van eb, vloed en tijd zorgt voor grote veranderingen aan de zeekant.
De vroegere golf van Frethun maakt plaats voor een aantal diepe zeearmen die uitgeven op wijde riviermondingen. Oude handschriften hebben het er over. In 944 worden de relikwieën van de heiligen Ausbertus, Wulfram en Waudrille overgebracht van Boulogne naar Brugge. De stoet gebruikt de oude ‘strata’ aan de achterkant van de duinen en moet wachten tot het laagwater is om de golf over te steken en Oye te bereiken. Een eeuw later heeft de golf zich tijdens de derde Duinkerkse transgressie getransformeerd in een zout moerassig land waar voortaan schapen gekweekt worden. De Neuna. De nieuwe Aa. De inham van de Neuna zal weldra Calais tot leven brengen. De annalen stippen de periode tussen 1014 en 1040 aan.
Een nieuw maritiem leven ontpopt zich rond de nieuwe inhammen. In 1040 is er sprake van de golf van Greveninga in het estuarium van de Aa. In 1103 is de haven van Gravelines, Grevelingen, een feit, een haven die trouwens vier jaar later in het bezit komt van zijn eigen tolrechten. In Calais zelf is er een klein gehucht waar de vissers gehuisvest zijn. Het oude Calais wordt in die dagen nog Petresse genoemd.
De verwijzing naar ‘Greveningae’, in het meervoud, slaat waarschijnlijk op de baai waar beide vissersdorpen zich aan het ontwikkelen zijn. Later, in 1179, verdwijnt de laatste twijfel als de twee havensteden bij naam worden genoemd: Graveninghes, de ‘Novus Portus’, de nieuwe haven die gesticht werd door graaf Filips van den Elzas, en Calais dat er tussen 1163 en 1173 gekomen is dank zij Mathieu, de graaf van Boulogne en de broer van Filips van den Elzas. De andere Vlaamse havensteden dateren eveneens min of meer uit diezelfde periode. Eigenlijk is er aanvankelijk enkel sprake van voorhavens.
De schepen en hun ladingen zijn nog niet erg groot en kunnen nog altijd verder varen richting Sint-Omer, Sint-Winoksbergen, Diksmuide en Brugge. Maar de scheepvaartindustrie is in volle evolutie. Er worden grotere schepen gebouwd, koggen en zeeschepen die voldoende diepgang van doen hebben. Nieuwe zeebekkens, bassins en diepwater plus havenkaaien waar later de eerste scheepskranen zullen verschijnen.
De aanwezige steden in het hinterland worden daardoor genoodzaakt om zich te voorzien van voorhavens aan de kust die ze via nieuwe en aangepaste waterwegen kunnen bereiken. Calais kent met die nieuwe schepen weinig of geen problemen maar blijft eigenlijk in wezen een vissershaven, een piratennest en het afzetgebied van een kleine maar erg rijke regio. Het land van Merc met Marck op een kilometer of acht van Calais als kleine hoofdstad. Enkel als er oorlog komt tussen Frankrijk en Vlaanderen, zal Calais functioneren als voorhaven van Sint-Omer. Iets wat het kuststadje bijzonder duur zal komen te staan, zoals de geschiedenis later zal uitwijzen.
Het grafelijk grondbezit omvat in 1224 de stad, een ‘oppidum’ en in 1228 een aanzienlijke ‘burgus maritimus’ van 54 hectare met 300 vrije leengronden van elk 1800 m². De term ‘vrij’ is ietwat misleidend. De vrije mensen die zich er komen vestigen, dienen wel een flinke cijns af te staan aan de graaf voor de exploitatie van hun grond. Met uitzondering van het oude Calais en enkele landelijke straten, is het wegennet recht en orthogonaal. De graaf zorgt er voor dat er marktplaatsen komen waar er jaarlijks 2 foren worden georganiseerd. De voornaamste foor is die van Sint-Niklaas en valt samen met het einde van het haringvangstseizoen.
De buitenwijken van Calais zijn vrij goed afgebakend. De schepenen en een college van ‘coremans’ behandelen de criminele voorvallen. Er is sprake van enkele voorrechten die de burgers en de boeren van de kustvlakte allemaal toegewezen krijgen via de keuren van Marck. In 1228 wordt de oppidum versterkt. De investering vergt 8.000 pond en wordt door de inwoners betaald. Tussen de 40 en 50 hectare stad wordt nu ingesloten.
Een deel van de stad wordt nu noodgedwongen gedegradeerd tot ‘suburbium’. Er is door toedoen van de graaf al flink wat gewerkt aan de haveninfrastructuur. De site van Calais is prima geschikt. Het havenwater is diep en de haven is goed beschermd tegen het aanslibben van zand. Toch wordt de eerste haven op een verkeerde plek aangelegd. In 1190 wordt een nieuwe haveninfrastructuur aangelegd met 2 zeebekkens die elk voorzien zijn van laad- en loskades en die via een kanaal, de ‘Ghisnerled’, gevoed worden met zoetwater dat komt van Guînes.
De steden die Alain Derville allemaal heeft aangehaald zijn er dus gekomen door toedoen van de graven die er een eerste burcht bouwden. Andere ‘seigneurs’ liggen aan de basis van verdere steden die getypeerd worden door de naam ‘burg’ of door hun cirkelvormige vorm. De schrijvers spreekt van minstens 37 stadjes in Frankrijk en nog eens 8 in het Waals Vlaanderen.
Ze zijn natuurlijk niet allemaal uitgegroeid tot echte steden. Hier en daar zijn de zaken blijven aanmodderen door vage intenties en slechte uitvoering. De geschiedenis van de middeleeuwse stadsontwikkeling is precies een slagveld dat bezaaid is met nogal wat kadavers. Tussen de jaren 900 en 1350 groeit het aantal inwoners in Vlaanderen spectaculair. Dat is niet enkel te zien in de reeks van nieuwe steden en gehuchten maar vooral in de bevolkingstoename in de bestaande agglomeraties. Neem nu Sint-Omer.
Rond het jaar 900 is er sprake van een honderdtal ondergeschikten. Rond 1300 zijn er 10.575 haarden. Elke eeuw verdubbelt de beschermde oppervlakte binnen de stadsmuren terwijl het aantal inwoners tijdens diezelfde periode met een factor van 3 aanwast. In het jaar 1200 zijn er nog maar 3.525 huizen, in 1175 rond de 1.100 stuks. In het jaar 1000 is er sprake van 392 haarden terwijl het een eeuw eerder nog maar 131 worden geteld. De groei lijkt adembenemend, maar is het eigenlijk niet. Wat moeten we dan zeggen over de groei van Parijs tussen 885 en 1328?
Dit is een fragment uit Boek 4 van De Kronieken van de Westhoek


