In 1545 moet de Raad van Vlaanderen vanuit Mechelen ingrijpen in het aanslepend dispuut tussen Ieper en Nieuwkerke. De wevers van Nieuwkerke hebben zich nu gewaagd aan het produceren van de ‘grote draperie’ lakens en hebben daarmee de Ieperse wetten aan hun laarzen gelapt. In datzelfde jaar benoemt keizer Karel de heer van Boezinge tot hoogbaljuw van Ieper. Ik heb het over Nicolas Halewijn die Nicolas van Rooden vervangt vanaf 8 juli. De eedaflegging gebeurt zoals gebruikelijk in Rijsel. Voorts is er sprake van een juridisch samenwerkingsverband tussen het Brugse Vrije en Veurne-Ambacht. Ik ben ervan overtuigd dat ik binnenkort wel de details zal vernemen bij mijn geplande bezoek aan de jaarboeken van Veurne.
De Poperingse wevers proberen op de jaarmarkt van Torhout lakens te slijten die niet passen in het kraam van de Ieperlingen. Het is niet de eerste keer dat ze de reglementering negeren. Mechelen laat weten dat Ieper het recht heeft om zijn gerechtsdeurwaarders naar Torhout te sturen en de verkoop te blokkeren. Die van Poperinge verzetten zich daartegen met hun bemerking dat Ieper niets te zeggen heeft op deze vrije markt en dat hun regels hier helemaal niet van tel zijn. De Raad blijft desondanks achter de Ieperse claims staan en verbiedt de Poperingenaars nog verder zaken te doen met deze verboden textielwaren.
Die van Poperinge proberen de Ieperse kwaliteiten te produceren en te verkopen en dat heeft blijkbaar veel te maken met het vervallen van hun octrooi in 1545 of rond die periode. Waasten, Wervik, Poperinge, Mesen, Komen, Kemmel, Nieuwkerke, Wulvergem en Dranouter hebben een verzoek gestuurd om de Ieperse patenten niet langer te vernieuwen. De wevers in de buitengebieden zijn daar al van uitgegaan en ik begrijp meteen waarom de conflicten met Ieper de pan uit swingen.
Dat de wevers aan de alarmbel hangen, zal wel een bittere noodzaak zijn in Ieper. De vicaris-generaal van Terwaan die zetelt in de stad, richt op 28 september 1545 een schrijven aan de Ieperse schepenen. De proosten van Sint-Maartens en van Voormezele en Zonnebeke ondertekenen eveneens de brief. Ze maken zich grote zorgen over de toestand in het centrum. Grote problemen zijn er. De taksen zijn buitensporig en zorgen voor ellende alom. De versterkingen en de stadsmuren vervallen tot puinhopen door een gebrek aan onderhoud en herstellingen. Door het verval van de textielnijverheid scheert de armoede hoge toppen.
2.800 mensen leven van de voedselbedeling, zeg maar hompen brood die ze toegestopt krijgen om toch maar niet van de honger te sterven. De distributie van dat brood gebeurt trouwens door de magistraten. Een heel deel van die sukkelaars was enkele jaren geleden nog aan het werk als meestergast en ziet zich nu veroordeeld tot de bedelstaf. En tot overmaat van ramp dreigt er een gebrek aan brood, iets wat de geestelijken aankaarten als ronduit schandelijk voor een stad van dergelijke allure. Stadsarchivaris Diegerick schrikt op van de details die hij in de fameuze brief te lezen krijgt en publiceert deze integraal tijdens de 19de eeuw. Ik volg zijn voorbeeld. Een betere kans om het leven in Ieper tijdens de middeleeuwen mee te maken, krijg ik niet meer. Ik geeft hun litanie weer in mijn eigen taal waardoor die hopelijk nog spitser en scherper de rauwe werkelijkheid van 1545 in beeld kan brengen. ‘We willen getuigenis afleggen over de sociale toestanden in deze stad. Wat we vertellen, hebben we vernomen van de lokale notabelen en van mensen met veel goede wil en betrokkenheid, u mag er dus van op aan dat wat we te zeggen hebben volledig strookt met de realiteit.
De stad is gebouwd op een ondergrond die niet bepaald stabiel is, de trillingen en de soms ‘kokende’ aarde zorgt continu voor schade aan huizen en aan vestingen. Ieper ziet zich dus geconfronteerd met financieel onhaalbare kosten om tijdig de straten in en buiten de stad te herstellen en te onderhouden. En dan zijn er nog de kosten om de vestingen verder te voorzien van het water uit de vijvers. De reparaties aan de loden buizen in de grond slorpen 15% van het volledig stadsbudget op.
Voeg daarbij nog de kosten aan de verzakte riolen om het vuil huishoudwater en de excrementen van de inwoners in de Ieperleed te kunnen lozen. Bewuste riolen zijn gemetst met bakstenen en bovenaan afgedekt door grijze dekstenen die voortdurend opengebroken en gerepareerd moeten worden. Samengevat: het budget van deze stad wordt bijna voor de helft opgesoupeerd aan zijn ondergrond.
En dan zijn er nog de stadsmuren. Die kunnen we het best omschrijven als bouwvallig, kaduuk, oud en rot. Net zoals trouwens de slotgrachten die er belabberd bijliggen en vooral op het einde van de winter grote overstromingen veroorzaken wanneer een muur van water van soms wel 70 meter ver de stad binnenstroomt, door breuken en bressen in de vestingmuren. Uiteraard hebben we dan nog niet gesproken over de kosten om de Ieperlee tussen Ieper en Brugge bevaarbaar te houden. Allemaal historisch vastgelegd op de kosten van onze eigen stad. Nee. Op termijn zal het geheel van de kosten zorgen voor onhoudbare intresten op leningen en voor een bankroet van deze stad.
Voeg daarbij de wensen van onze keizerlijke hoogheid Karel. Ieper ligt midden in het vlakke land van de Westhoek en moet altijd maar bijspringen om dat land te vrijwaren van vijandelijke invallen. Tot overmaat zijn er hier vier bedelorden actief aan het schooien. Een excessief aantal als u het ons vraagt. De Franciscanen, de zwarte en de grijze nonnen, het gesticht van ‘de dertien arme kinderen’, de zes parochiale kerken met elk hun priesters en kapelanen waarvan de meerderheid niet eens betaald wordt. Al dat volk leeft op kosten van de stad.
Ieper ligt dan warempel nog op de grens van Frankrijk en Engeland en wordt om de haverklap en bij elke militaire dreiging overspoeld door vluchtende mensen van het Westkwartier zoals dat bijvoorbeeld het geval was in 1537 wanneer de koning van Frankrijk opgerukt was tot in St.-Venant en tot aan de rivier van Waten. Je had al de buitenbewoners moeten zien aanspoelen hier in deze stad. Mannen, vrouwen en kinderen met karren die volgestouwd waren met hun meubeltjes en hun schaarse bezittingen, allemaal op zoek naar een veilige plaats binnen onze stadsmuren.
De textielnijverheid heeft er altijd voor gezorgd dat er voldoende werk was en dat de rekeningen van de oude stad konden betaald worden. De sukkelaars en de arbeiders vonden er werk en konden hier hun leven leiden met de opbrengst van de lakenverkoop. In deze droeve tijden worden de markten echter overspoeld door goedkope lakens uit Spanje. Concurrentie die onze industrie de nek omwringt. Armoede en hongersnood zijn er het gevolg van. We vragen opschorting van taksen voor de mensen en vooral hulp, veel hulp tot dat de vrouwen en de mannen in deze stad weer zelf hun boterham zullen kunnen verdienen met werk en jobs.
Het Transport van Vlaanderen aarzelt om Ieper nog langer de exclusiviteit van de lakennijverheid te bieden en dat zorgt voor grote onrust en rumoer in de hele streek. De vijandelijkheden met de buursteden tonen aan hoe moeilijk het allemaal ligt voor de lokale industriëlen. Een verlenging van het octrooi zou een pak verlichting brengen voor de duizenden hongerlijdende mannen, vrouwen en kinderen. Ieper zit verder nog opgezadeld met een jaarlijkse intrestkost van meer dan 25.000 pond, allemaal het gevolg van bijdragen aan de keizer of veroorzaakt door herstellingskosten aan de verdedigingswallen.
De inkomsten komen voornamelijk van taksen op wijn, bier, lakens, hoornbeesten, hout, lakens en voldoen al lang niet meer om de grote kosten te dekken. Het aantal inwoners is al tientallen jaren aan het krimpen en is simpelweg niet meer voldoende om de kosten van de hele infrastructuur te dragen waardoor de belastingen wel moesten verdubbelen. In Nieuwkerke, Mesen, Waasten en Komen bijvoorbeeld hebben de inwoners wel werk en moeten ze al die belastingen niet betalen. De overheden moeten absoluut bijspringen om een catastrofe te vermijden. Er moet een fonds komen om de 3.000 arme mensen hier bij te staan. Geloof ons, de toestand is extreem dramatisch.
–
uit deel 6 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


