banner
sep 9, 2025
89 Views
Reacties uitgeschakeld voor De Spelleplekke bij Nieuwpoort

De Spelleplekke bij Nieuwpoort

Written by
banner

Het oppakken van graaf Gwijde en zijn twee zonen te Parijs, leidt de Vlamingen rechtstreeks naar een militaire confrontatie aan de Groeningebeek, waar de Nieuwpoortnaars zich verenigen onder de banier van Eustaes Sporkin van Veurne. De Vlaamse zege in Kortrijk brengt echter helemaal geen vrede voor de mensen. De vijandelijkheden tussen Fransen en Vlamingen gaan onverstoord verder tot in 1305. Robrecht van Bethune en zijn broer verkopen ten langen leste de ziel van Vlaanderen om toch maar opnieuw de macht te kunnen bekleden in hun graafschap.

De voorwaarden voor hun terugkeer en het aanstellen van Robrecht als nieuwe graaf zijn exorbitant en vernederend. Vooral de overeengekomen lasten en boetes, betekenen een kaakslag voor het volk. Robrecht doet wat hij kan om zijn volk de voorwaarden van zijn verdrag te laten naleven. Hij krijgt weinig gehoor. Uiteindelijk slaagt hij er tijdens het jaar 1306 in om de stad Nieuwpoort te overhalen om zich met lange tanden bij het verdrag neer te leggen. Maar het volk mort en de koning dreigt met represailles als er geen algemene aanvaarding komt van het verdrag van 1305.

De impact van het verdrag op het sociale weefsel van Vlaanderen en dat van Nieuwpoort is ernstig. Oude vetes komen opnieuw tot leven. Nieuwe botsingen breken uit. De posities van de baljuw en de hoogbaljuw komen onder druk te staan. In Veurne wordt baljuw Filips van Axpoele op vier maand tijd geconfronteerd met tachtig gevallen van “mellée, core en callenge”. De boetes lopen op tot tien pond per misdrijf. In 1306 loopt het aantal daden van verzet en rebellie verder op. De nieuw aangestelde baljuw Sohier van Ham krijgt te maken met 100 gevallen van “core” en 194 van “mellée”. Er is zelfs sprake van een volksopstand wanneer woedende Nieuwpoortnaars een aantal aangehouden stadsgenoten willen bevrijden tijdens hun overbrenging naar de vierschaar.

Ook in 1307 gaat het er even woelig aan toe. Het stadsbestuur probeert de sociale onrust te onderdrukken door een algemeen verbod op dobbelen en een nachtklok uit te vaardigen. Op goede vrijdag, “crois aourée”, 24 maart 1307, grijpt de graaf in. Er komt een speciale verordening die stipuleert dat elke vorm van samenzwering of vredebreuk niet enkel maar financieel zal beboet worden. Nu is er sprake van het verlies van “lijf en goed”.

De sociale onrust blijft echter maar aanslepen. Volgens de rekeningen van de nieuwe Veurnse hoogbaljuw Gossin de Lauwe, is er tussen 14 januari en 25 oktober 1308 sprake van 50 overtredingen tegen de keuren en 113 wegens “mellée”. Vooral de familie Vardeboud laat zich opmerken. Dit heeft vermoedelijk alles te maken met de verbeurdverklaring van de eigendommen van Salomon Vardeboud in 1305.

In 1309 trekt koning Filips de Schone de afgevaardigden van de gemeentenaren mee in bad voor een nieuw verdrag waarbij de financiële voorwaarden enigszins worden verzacht. Maar die compensaties blijken onvoldoende om de gemoederen tot rust te brengen. De misnoegdheid en de haat tegenover de Fransen woekert verder.

De heffingen op de kap van iedereen die werkt en bezit, zijn een doorn in het oog. Er is de jaarlijkse heffing van de landscout in opdracht van de graaf. De Veurnse hoogbaljuw Boudewijn Reyfin, de beruchte verrader van de Vlamingen in Bulskamp in 1297, draagt in de periode voordien de verantwoordelijkheid om die te innen. Hij wordt bijgestaan door de tollenaar Henri de la Court. Er is sprake van een reeks van tollen en van een grondcijns. De tollenaar voert de nodige kadastrale metingen uit om de percelen perfect in kaart te brengen. De kosten van elk kadastraal onderzoek worden in rekening gebracht, maar mogen finaal in mindering gebracht worden wanneer de grondcijns betaald wordt.

Het gevaar voor een nieuwe oorlog is ondertussen enigszins geweken. Voorlopig toch. De mensen kunnen wat vrijer ademen. In Nieuwpoort maakt men van de gelegenheid gebruik om aan opbouwend werk te denken. Er is al sprake van de aanwinsten van nieuwe grondgebieden in 1310. De drang naar groter en wijder, die al in het Nieuwpoortse bloed terug te vinden was in de 13de eeuw, manifesteert zich opnieuw. De hele stad is rond 1300 al volledig volgestouwd en bebouwd. Dus is de noodzaak naar nieuwe gronden een belangrijke bezorgdheid voor de Vlaamse havenstad die met alle mogelijk middelen het hoge tempo van de boomende lakenstad Ieper probeert aan te houden.

Langs de noordkant van de stad ligt er een streep onbebouwde grond. Op vandaag kunnen we die situeren tussen de spoorweg naar Nieuwpoort-Bad en de Havenstraat. Het stuk braakliggende polderland is eigenlijk de opgevulde bedding van de Onie, de vroegere bedding van de Ijzer. Je weet wel: de Onie die ooit de naam gaf aan (O)Niepoort.

De grond is eigendom van Jan van Namen, de man onder wie de Vlamingen nog gestreden hebben in Groeninge. Hij maakt er geen probleem van om het stuk van zowat 17 hectare te verkopen voor de prijs van 977 Parijse ponden. In die tijd spreekt met over 25 pond parisis per gemet. Met een aanvullende rente van 4 denieren per gemet die jaarlijks moet betaald worden op Sint-Jansdag. De verkoopakte wordt ondertekend in 1310. Robrecht van Bethune, de graaf van Vlaanderen geeft er op 28 januari 1311 zijn goedkeuring aan.

De grond wordt stilaan bekend als de “Stadspolder” die zich onderscheidt van de westelijk gelegen “Lenspolder” die eigendom is van Jan Van Belle. De stad krijgt de toelating de aanslibbingen buiten de polder te gebruiken om de dijken te versterken, zolang er maar geen schade toegebracht wordt aan de dijk van de polder van Jan van Belle. De Stadspolder is ter hoogte van de Kokstraat begrensd door een gracht, de “dilf”, die gebruik makend van een sluissysteem, het overtallige water naar de Ijzerhaven loost.

De aankoop van de Stadspolder door Nieuwpoort leidt tot moeilijkheden met de slokoppen van Sint-Walburga in Veurne die menen rechten te kunnen laten gelden op de tienden van het hele gebied. De stad Nieuwpoort is natuurlijk een andere mening toegedaan. Het is het begin van een geschil dat zal aanslepen tot 4 juli 1662. Driehonderdvijftig jaar.

Ten westen van de Stadspolder, noordelijk van de duinen, tussen de kreken van Groenendijk, het vroegere Vloedgat, en de haven, ligt dus de Bellepolder. Het gebied dat Nieuwpoort met Oostduinkerke verbindt, wordt rond 1307 ingelijfd bij de stad Nieuwpoort. In 1300 is de polder van enkele honderden hectaren nog het eigendom van Zeger van Belle die het geërfd heeft van zijn vader Boudewijn van Belle. Zowel vader als zoon hebben het geschopt tot maarschalk van Vlaanderen en hebben dank zij hun militaire loopbaan een belangrijke status verworven in het graafschap. Hun status zorgt voor een vrijstelling van cijnzen op hun polderland in Nieuwpoort.

Ondanks het feit dat de Bellepolder nu tot Nieuwpoort behoort, blijft de familie van Belle wel degelijk eigenaar ervan. Het gebied en de omringende duinen zullen trouwens geleidelijk aan uitgroeien tot de “Polderduinen”. In 1314 is Jan (Jehanne van Bellen), de zoon van Zeger van Belle, de bezitter van het gebied dat 119 achterlenen omvat.

Op 18 mei 1320, wordt er nog een nieuw gebied toegevoegd aan Nieuwpoort. Een streep grond van 18 hectare (40 gemeten), dankzij de dijkwerken gewonnen in de bedding van de Ijzer tussen Nieuwendamme en de zee. De grond moest eigenlijk toebehoren aan Isabella van Gistel maar die had op 4 januari 1294 afgezien van haar eigendomsrechten. De gronden tussen Nieuwpoort en Lombardie zijn aanvankelijk niet als bouwgrond bestemd.

De grafelijke aanwezigheid is nooit veraf in Nieuwpoort. Na de indijking van de polders aan het oude Vloedgat is er een duinengebied ontstaan ter hoogte van de Nieuwe Ijde. Een domein dat eigendom is van de graaf. De weiden worden door zijn ontvanger in pacht gegeven om er runderen op te kweken. De pachters worden verplicht om een heffing te betalen op de uitbating van hun veehouderij. De “pasturage des biestes de le Nieue Hede es dunes” brengt rond 1295 jaarlijks een goede 11 Parijse ponden op. In het jaar 1300 bedraagt de pachtprijs 8 ponden. Die prijs blijft trouwens aangehouden wanneer de illustere Brugse volksheld en beenhouwer Jan Breidel de weide gaat pachten.

De geschiedenisboekjes vertellen natuurlijk niet dat Jan Breidel een slechte betaler is. En toch is dat het geval. De Bruggeling pacht de weiden tussen 1302 en 1306, maar blijft zijn jaarlijkse pacht van 8 ponden elk jaar opnieuw schuldig. In 1307 blijkt hij nog een openstaande pachtrekening te bezitten van 30 pond. Ook de pachters die de “pasturage” na hem huren, blijken hun pachtgelden niet op de voorziene betaaldata vereffend te hebben. Er zal trouwens een einde komen aan die verpachting van de “pasturage” als Ryquart le Reude het gebruiksrecht krijgt voor zijn hele leven.

Waar ligt de aanlegplaats van de Nieuwe Ijde precies? Rond het jaar 1900 zullen archeologen stoten op de restanten van een middeleeuws vissersdorp waar het vol ligt met spellewerkersspelden. De plek ten noorden van Oostduinkerke staat sindsdien bekend als de Spelleplekke. De Spelleplekke bevindt zich aan de rand van een brede zee-inham, de resten van de monding van de oude Ijzer, waar zich rond 1300 het vrij dynamische haventje van de Nieuwe Ijde (Yde) situeert. Nog geen eeuw later zal de geul dichtslibben en zal Nieuwe Ijde letterlijk en figuurlijk onder het zand van de tijd worden begraven.

Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 3
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.