Nieuwe kerkhoven
18 juli 1784. Er werd een plakkaat van onze keizer gepubliceerd in verband met de begrafenissen in alle parochies en steden. Wegens de stank die er op sommige plaatsen bevonden werd moest iedereen voortaan buiten begraven worden. De wetheren hadden na de afkondiging van de nieuwe wet maar twee maanden om een nieuw kerkhof te maken. Daarbij kon niemand nog een voorkeursbehandeling krijgen, noch de rijken als de armen, de geestelijke en wereldlijke personen. Toch waren er nog diverse uitzonderingen die het oud kerkhof mochten gebruiken voordat het nieuwe kerkhof helemaal open en onbesloten zou zijn. In de maand oktober bracht zijne majesteit een nieuwe wet uit in verband met het trouwen en twee geboden over het bloedverwantschap om te kunnen trouwen.
We zouden niet langer naar Doornik moeten gaan om vrijgesteld te worden van bloedverwantschap of van de kerkgeboden in dat verband. Zijne majesteit wilde geenszins toestaan dat vrienden met vrienden door middel van geld de tijd van de kerkelijke geboden zouden kunnen inkorten, maar dat zowel een rijke als een arme hun tijd moesten afwachten volgens de geboden van de heilige kerk. En ook als ze getrouwd waren ze dan gedurende een periode van drie jaar geen kinderen zouden winnen en moesten er in dit verband krakelen of ruzies zouden ontstaan ze dan met hun klachten naar de burgemeester of hun pastoor moesten stappen. Ze zouden dan met behoorlijke middelen van elkaar moeten scheiden en van gelijke doen met diegene die niet beschikte over een inkomen en met een menage met vrouw en kinderen.
Op 16 november 1784 is er rond middernacht een grote brand ontstaan in Komen. Men heeft alarm geklopt rond 2u en de brand heeft nog zeven woonsten overmeesterd eer dat ze die zijn komen blussen. Hoe het vuur begonnen is weet men niet, maar volgens de roep onder het volk zou het vuur aangestoken zijn. Er woonde daar iemand die geen al te goede naam had. Hij had al diverse berichten ontvangen dat hij zou moeten wegtrekken uit Komen of dat hij anders in het gevangenhuis zou belanden. En zo heeft hij op een bepaald moment aan zijn buren gezegd dat als hij ooit zou moeten verhuizen hij niet alleen zou zijn. Bovendien heeft men gehoord dat hij nog op de dag van de brand al zijn meubelen uit zijn huis gedragen heeft.
De stoel der waarheid
In diezelfde maand werd een ordonnantie gepubliceerd i.v.m. de aanwerving van bedienden, commissarissen, dienaren, heren der stede, burgemeesters en baljuws. Ze mochten allen rekruten in dienst nemen op voorwaarde dat vanaf het moment dat wie zijn naam zou opgeven hun loon, met uitzondering van de kost, zou beginnen te lopen aan een halve schelling per dag tot de tijd dat ze zich op weg zetten naar de stad. Bij hun aankomst in het regiment zouden ze prompt hun handgeld van 28 Brabantse guldens ontvangen, van welk geld diegene die hen in dienst had genomen er 4 gulden moest van krijgen en de opdrijver 6 gulden zodat de rekruut maar 18 gulden zou behouden.
Nadat deze ordonnantie uitgegeven was op het stadhuis kreeg de pastoor of een man van de kapelanen de verplichting om datzelfde plakkaat voor te lezen vanaf de ‘stoel der waarheid’ in de kerk, en dat elke zondag gedurende zes weken lang. En dan is er nog een reeks wetten gepubliceerd geweest over de getrouwden, te weten van het huwelijk van dewelke ik enkele van de bijzonderste wil verhalen. Ten eerste dat er geen verwantschap meer mag samenkomen. De tweede dat er geen kerkelijke vrijstellingen meer toegelaten zijn, tenzij ziekte of armoede. Ten derde dat getrouwde lieden die al drie jaar getrouwd zijn zonder dat daar kinderen van gekomen zijn en waardoor hierom soms krakelen in hun huwelijk zouden ontstaan dat ze daarom van elkaar zouden mogen scheiden indien het de getrouwden zou believen. Dat zou ook gelden voor koppels welke niet met elkaar overeenkomen, ook deze mogen van elkaar scheiden.
Grote kans op oorlog
Op de 1ste januari 1785 is er gepubliceerd vanwege zijne keizerlijke majesteit dat er een grote kans bestond dat er oorlog tegen de Hollanders op komst was. En dat alle deserteurs gerust en zonder vrees naar hun regiment mochten terugkeren om opnieuw de wapens te dragen, en dat voor de tijd die ze nog niet voldaan hadden. De Hollander heeft nog tijdens januari voor het eerst een overvloed van water laten stromen in de omgeving van Sluis zodat een menigte van huizen en landen grotendeels onder water kwam te staan.
Volgens het zeggen van keizer Jozef II zouden ze al die schade moeten herstellen. Het jaar 1785 begon vrij identiek als dat van 1784. Op de 1ste dag viel er zoveel regen tussen 21u en 24u dat het haast niet mogelijk was om naar buiten te gaan. En daarna bleef het koud met sneeuw tot de 4de april. Tot aan de 27ste mei is er niet genoeg regen gevallen om de straten te wassen. De afwezigheid aan water heeft grote schade veroorzaakt aan de vruchten der aarde.
In april werden er drie lieden opgeknoopt en op de 11de mei nog iemand. Die laatste werd opgepakt in Rollegem nadat hij al zeker 25 jaar de ene diefstal na de andere had gepleegd. In de wandeling noemden ze hem ‘Pitjen de Dief’, hij was eerder al twee keer in de gevangenis beland door toedoen van de bisschop van Ieper en door de graaf van Dadizele. Ook op de 27ste mei werd er nog een opgehangen in Ieper. Een zekere Speybrouck die kapitein was van een bende waarvan de eerstvermelde drie ook al lid van waren geweest. Naast Speybrouck werd nog iemand van zijn trawanten gegeseld op de Ieperse markt. Een aantal van de bendeleden werden naar Gent gevoerd en enkelen werden verbannen.
Op 15 juni 1785 werd een zekere jongeman met name Leander overreden op de kasseiweg lopende van het nieuw Kruiseke naar Beselare, omtrent het midden van de bocht en jammer genoeg werd zijn hoofd in stukken gereden. Het ongeval kon gebeuren omdat hij vooraan op zijn wagen in slaap gevallen was. Op de 20ste oktober heeft mijnheer Dutoicht te Capelle-ten-Brielen zijn eerste mis gedaan. Hij was daar verkozen als eerste zielenbestuurder vermits het nodig was bevonden om hier een nieuwe parochie te maken voor het gerief van de bewoners.
Volgens de gazetten en de maandboekjes
1786. Het begin van dit jaar tot op de laatste dagen van de kortemaand was het weer redelijk en zelfs lieflijk. Maar de drie weken die er op volgden waren wel het tegendeel. Drie weken lang koude dagen waardoor we niet eens konden werken. In de kortemaand publiceerden ze een plakkaat dat de vrijmetselaars hun vergaderingen enkel nog mochten houden in een van de bijzonderste steden van het keizerrijk en dat onze majesteit vooraf wilde verwittigd zijn van de plaats en de tijd van deze samenkomsten, samen met een lijst van diegenen die ze bijwoonden vermits de namen daar momenteel nog van verzwegen werden.
–
Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


