De vierschaer is het tribunaal in de hoogste expressie. In de kamer “ter siege” of in de “gemeene kamer” worden de minder zwaarwichtige rechtzaken uitgevoerd. De vierschaer behandelt zaken van kapitale en correctionele aard.
Het lijkt vreemd, maar aanvankelijk worden de zittingen in open lucht gehouden. Op één van de bijzonderste kruispunten in de stad staan vier banken (scarre) opgesteld. Eén voor de baljuw. Rechtover de baljuw zitten de schepenen en op de twee andere banken zitten de verdediger en de betichte. Hier komen we terug naar de origines van de naam van de “vierschaer”. Ze slaan op de vier scarres ergens op de kruising van belangrijke straten. Daar waar het middeleeuwse recht wordt uitgesproken.
In de keure van 1174 staat geschreven dat de schepenbank van Ieper haar zittingen houdt in open lucht; “et cil ki la plaie a fait doit estre semons sour le marchiet par les eschevins et par le justice le conte”. Er kan natuurlijk enig voorbehoud gemaakt worden tegenover deze tekst want mogelijk wordt hier een gebouw vermeld dat aan de Ieperse markt is gelegen en waar de schepenen zetelen. Hoe dan ook, in het begin van de jaren 1300 houden de magistraten hun zittingen in verscheidene gebouwen en plaatsen in het rechtsgebied “in domo templi” op de “terre de la ville”, op “la motte le conte” (Zaelhof), of “supra motum”. Het is trouwens de klerk die notuleert waar de rechtszittingen plaats grijpen.
In de 14de eeuw zetelt de vierschaer twee keer in de week: op woensdag en op vrijdag. Op vrijdag gaat het meestal over schuld- en erfeniskwesties. De echte misdaden komen voor op woensdag. Als de vierschaer is “gebannen” en alle betrokken partijen gehoord zijn, richt de baljuw zich persoonlijk tot alle individuele schepenen en vraagt van hem een veroordeling of een vrijspraak. Het is dus de baljuw die de keuze maakt en de schepenen één voor één ondervraagt. “De Scepenen worden ghemaent van den rechte naer tale ende naer nedertale”.
Geen vrijspraak betekent automatisch een veroordeling en een straf. De voornaamste straffen in de 14de eeuw zijn verbanning, strafbedevaarten, doodstraf, verminking, verlies van burgerrechten, ambtsberoving, ontzegging van het recht om als getuige op te treden of de huissloping. Het is de baljuw die zorgt voor de uitvoering van de straffen.
Als de schepenen en de baljuw oordelen dat een vrijspraak gerechtigd is dan wordt de aanklager verplicht om de kosten van het geding te betalen. De beklaagde wordt vrijgesproken. Dat kan als hij gehandeld heeft in wettige zelfverdediging, als hij gehandeld heeft zonder slechte bedoelingen of wanneer het slachtoffer zelf een banneling was. Ook procedurefouten kunnen leiden tot een vrijspraak. In de middeleeuwen is de manier waarop een klacht wordt aangebracht aan strikte regels gebonden. De minste fouten tegen die regels geven procedurefouten en aanleiding tot de meest ongehoorde uitspraken. “Pietre de le Thune ets jugiet d’escapez sanz repondre a loy sour le demande ob luy proposée par Jaquème, fieus Paesschen, pour che que Jaquème ne plaida point le stile de le vierscare”.
Ook de baljuw moet erg op zijn hoede zijn om de debatten te leiden en bij de strafaanklachten. Als hij bijvoorbeeld “het lijf verbeurd” verklaart van de betichte en de schepenen het daarmee niet eens zijn, wordt de beschuldigde vrij gesproken. Diegenen die de verschrikkelijkste misdaden hebben begaan, zo bijvoorbeeld een ontaarde moeder die haar kind levend begraven heeft, worden vrijgesproken omdat de baljuw een fout maakt bij het uitspreken van de aanklacht. In bepaalde gevallen verlenen de schepenen genade. Vooral Goede Vrijdag wordt gebruikt om vergiffenis of kwijtschelding van straf te vragen.
Het strafrecht maakt tijdens de middeleeuwen een grote evolutie mee. Het strafrecht baseert zich op zijn Germaanse wortels. Strenge bestraffing van inbreuken op de “freda”, op de hoofdman, de gouw en het land. Er bestaat maar één principe: oog om oog, tand voor tand. De Vlaamse gemeentetribunalen baseren zich op die voorvaderlijke rechtsprincipes. In de keure van Ieper staat geschreven: “et si aucuns ochist homme il donra teste pour teste”. De kerk zorgt er voor dat er meer zachtheid komt in die barbaarse grondbeginselen. In de 14de eeuw heeft de invloed van die kerk gezorgd voor een revolutie in het rechtswezen. De oeroude Germaanse principes zijn weggevallen. De doodstraf wordt nu eerder uitzonderlijk toegepast.
In de keure van 1171 wordt nog de doodstraf gevraagd voor het verkrachten van een vrouw. “quiconques aura femme efforchie par forch et il est convenues par le vérité des eschevins il sera condampnes a le hart”. In de 14de eeuw wordt verkrachting bestraft met verbanning. In de 11de, 12de en 13de eeuw zijn de doodstraf, de verminking, de verbanning en de huissloping de voornaamste straffen. Geleidelijk aan wordt de boete (composito) als straf toegevoegd.
Ook het Romeins recht doet zijn intrede in de vonnissen van de vierschaer: de betichte is onschuldig zolang de aanklager zijn schuld niet heeft bewezen. Het nieuwe recht betekent een bocht van 180° tegenover het oude Germaanse recht, waar de water- en vuurproef nodig waren om de onschuld te bewijzen. De mix van het Romeins recht met de christelijke principes van de kerk zorgen voor een meer gebalanceerde rechtspraak in de 14de eeuw. Een rechtspraak die dan ook in die jaren zijn beste periode meemaakt.
In de 21ste eeuw hebben we te kampen met een chronisch gebrek aan gevangenissen en ruimte voor gevangenen. De middeleeuwse magistraten breken zich zeker het hoofd niet met de vraag of een lang gevangenisregime al dan niet gunstig inwerkt op een veroordeelde. De gevangenisstraf wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegepast. De gevangenis heeft meer de functie van een veiligheid tot wanneer de straffen zijn uitgesproken.
In Ieper wordt de gevangenisstraf vooral toegepast in schuldzaken, waarbij schuldeisers zeker ook hun zeg in hebben. In een keure van 1291 verordenen de schepenen dat de schuldenaar voor 15 dagen opgesloten wordt in de stadsgevangenis. Na die termijn mag de schuldeiser hem opeisen als zijn persoonlijke gevangene. De schuldeiser mag de schuldenaar op gepaste manier in zijn eigen woning opsluiten. Er bestaan bepalingen voor: de manier van het in de boeien slaan is gepreciseerd, de ketting mag niet te licht zijn en niet te zwaar. Langdurige gevangenisstraffen zijn niet aan de orde. Mensen die de rest van hun leven moeten doorleven tussen celmuren en wegkwijnen bij gebrek aan vrijheid, zon en vrije lucht worden eenvoudigweg terechtgesteld of verbannen naargelang de ernst van hun misdrijf.
Af en toe veroordelen de schepenen een schuldige tot een gevangenisstraf van onbepaalde duur. Vooral als ze op het tribunaal beledigd worden door de beschuldigde. De schuldige moet in de gevangenis blijven tot dat het de magistraten belieft om het vonnis op te heffen; “au rapièl d’eschevins”. Sommige overtreders van de keure worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertig dagen of het dubbel ervan. Een zekere Cotinet die het aandurfde de baljuw te beledigen krijgt veertig dagen gevangenisstraf. Hij wordt verplicht om ereboete af te leggen tegenover de heer en de wet. Daarna wordt hij voor zeven jaar verbannen. Pierre Bieseboud vliegt voor vijftien dagen in de bak omdat hij in zijn huis met teerlingen liet spelen. Wie de tegenpartij aanvalt wanneer die in de handen is van de peysmaekers riskeert ook voor vijftien dagen te worden opgesloten.
Een individu die de prijs van de vis wat te hoog vindt en denkt iets van die prijs af te doen door de straatventer een pak slaag te verkopen, krijgt dezelfde straf. Voor het slecht uitoefenen van een stadsambt of voor het bevuilen van de straten worden gevangenisstraffen van een week of minder uitgedeeld.
Ook wanbetalers van stadsbelastingen worden met celstraffen getrakteerd: “…. IIJ jours et IIJ nuits pour ce qu il ont esté désobeinans de payer leur taille…”. De gevangenissen krijgen toezicht van een opzichter die wekelijks nagaat hoe de gevangenen behandeld worden. Voor schulden en civiele zaken mogen de gevangen niet in de “ijzeren” of “blocken” worden gelegd. Misdadigers worden in ijzers en boeien geslagen “bij zulcker maniere dat hij ze niet en quetyze noch en myncke in hun beenen noch andere leden..”.
In de 12de eeuw wordt de doodstraf nog regelmatig toegepast bij roof, verkrachting en doodslag. Ook het verleiden van minderjarige meisjes wordt mogelijk zo bestraft. In de 14de eeuw wordt voor dat laatste meestal overgegaan tot verbanning. Maar zelfs ondanks de zachtere rechtspraak wordt de doodstraf nog altijd vrij consequent toegepast en worden er zelfs nog gevallen aan toegevoegd. Zo is ketterij eveneens een reden om de doodstraf te krijgen. De basisgedachte bij de schepenen blijft: de schuldige moet onschadelijk gemaakt worden. De doodstraf of de verbanning zijn de enige alternatieven om dit te realiseren.
Bij een zware aanslag tegen de veiligheid van stad en land zijn de magistraten onverbiddelijk. In 1362 wordt een samenzweerder tegen de graaf en de baljuw op de Ieperse markt terechtgesteld. Tijdens een volksopstand van datzelfde jaar wordt de baljuw in één van de ramen van het belfort geduwd. De dader wordt terechtgesteld. In 1381 is er een opstand van de rode kaproenen. Ze worden voor eeuwig verbannen, de aanvoerder wordt terechtgesteld “de ce qu il avoit este kievetain des rouge capprons vers Dickemue…ainsi qu il mes ne confessa”. Oproerlingen hebben het al wel eens gemunt op de magistraten zelf; “justiciet de le gibet….de faire emeute et conspiration pur venir au pont du jour a la porte de le ville tuer des ischerenieters, venir a le marchiet et wainguier le bezand et emprisonner la loi”.
Dit is een fragment uit Boek 3 van De Kronieken van de Westhoek


