banner
mrt 27, 2020
1388 Views

Drama in de slaapzaal

Written by
banner

Anno 1914, op de 7de november. De zusters van het Onze-Lieve-Vrouwehospitaal vertrokken naar Poperinge. Net zoals de gewonde burgers die ze verzorgden. Het waren de Engelse ambulanciers die voor het vervoer zorgden. De 56 gewonde Duitse soldaten bleven achter onder de zorgen van vier Franse priesters-soldaten. De avond van de 7de was echt wel angstaanjagend. Brandstichtende obussen wisselden af met een regen van schrapnels en zorgden voor branden in het centrum van de stad.

Op de grote markt, in de Tempelstraat en de Boterstraat. Heel wat schone woonhuizen raken vernield. Die avond liep ik tussen de vallende schrapnels door de brandende straten. Ik en mijn toegewijde vicaris mijnheer Leys. De hemel leek een vreemde mengeling van gitzwart en laaiend vuur, vlammen als rode golven, aangewakkerd door een zware storm, subliem in hun verschrikking, de vlammen die al zoveel voorgevels deden kreunen en kraken en de zwaargeworden voorgevels lieten instorten. Meer dan eens liepen we door de brandende straten terwijl een niet te verdragen hitte onze gezichten teisterde.

Anno 1914, op de 8ste november, bleef de hagelstorm der obussen maar neervallen op Ieper, met diverse inslagen vlakbij. Zo aan de hoek van de Wenninckstraat, op twee woningen dichtbij het postgebouw en op het hotel van senator Fraeys die allemaal ten prooi vielen aan de vlammen.

Anno 1914, op de 9de november, keerden vier zusters terug naar Ieper om nog wat noodzakelijk materiaal op te halen. De gewonde Duitsers lagen er nog en smeekten de nonnen om hen niet zomaar achter te laten. Twee van hen zouden hier bij hen achterblijven terwijl de andere twee zusters naar Poperinge terugkeerden. De inslagen van de obussen bleven ondertussen maar komen. Ieper bood een dieptrieste indruk nu veel inwoners vertrokken waren. Enkele toegewijde mannen vormden op initiatief van mijnheer de deken een tijdelijk comité dat moest waken over de belangen van de inwoners. De stad zat nu al twee dagen zonder vlees en brood.

Heel wat woningen waren verwoest door het vuur en door de afwezigheid van de pompiers. Plundering leek nu wel een constante factor en was zowat algemeen. Het kwam er nu dus op aan om de inwoners van voedsel te voorzien, de woningen van brand te vrijwaren en al die diefstallen tegen te gaan. Een schare vrijwilligers verenigde zich in een gemeenschappelijke doelstelling om de inwoners daarbij te ondersteunen. Op de Vandepeereboomplaats die zich uitstrekte tot aan de kathedraal waren ondertussen al honderden obussen neergeploft. De rails van de tram waren gebroken en weggeworpen alsof ze niets voorstelden. In hun plaats zagen we een diepe put in de straat met zeker 50m³ opgeworpen aarde. Die nacht viel de Bank van Kortrijk ten prooi aan het vuur terwijl meerdere woningen opnieuw verscheurd werden door de obussen.

Anno 1914, op de 10de november, begon het eindelijk wat te kalmeren. Invallende obussen werden nu zeldzaam. Maar rond 10u was er toch een projectiel dat een deel van het metselwerk van mijn sacristie in aanbouw in puin liet belanden. Ik liep er samen met mijnheer Leys naartoe. We bevonden ons net in de kerk om de schade te bekijken tot er zich opnieuw een ongelooflijke explosie voordeed. Mijn kerk vulde zich ogenblikkelijk met een wolk van grijze kalkstof die ons elk zicht ontnam. Het gekraak van het kerkmeubilair klonk sinister. Ik greep mijn vicaris bij de schouder en we wierpen ons op de grond. Pas toen het geraas ophield durfden we ons te rechten.

Het bleek dat we met zes personen aanwezig waren in de kerk. De scherven van de obus, hout, weggevlogen steenbrokken hadden het huis van God met een onweerstaanbare kracht gebroken en in gaten geslagen, vernield, verwoest, verpulverd en weggevaagd. Van de zes personen die zich binnen de Sint-Pieterskerk bevonden werd eigenaardig genoeg niemand gewond. Aan de buitenzijde was dat niet het geval. De weduwen Wyckaert en Lefevre werden dodelijk getroffen vlak voor het portaal van de kerk. De uitbouw van de kerk (de absis) was helemaal verdwenen. Het altaar van het Heilig Sacrament en het hoofdaltaar lagen begraven onder een stapel puin. Door het gapende gat boven de nis zag ik dat de houten dakconstructie vuur had gevat. Het duurde niet lang voor een geïmproviseerd brandweerkorps toegesneld kwam.

De pompiers waren zeer rudimentair georganiseerd, zonder ladders, zonder pompen en bijna zonder water maar toch werden onze inspanningen met succes beloond. Mijn kerk kon aan de vuurpoel ontsnappen. We besteedden een groot deel van onze namiddag om tussen de brokstukken toch de heilige hosties te kunnen redden. De kerk was hoe dan ook buiten gebruik waardoor we ons nu moesten terugplooien op de kapel van Sinte-Godelieve. Die avond… mijn vicaris en ikzelf, we zagen onszelf zitten in de kleine kelder van de gebombardeerde pastorie. Onze dienstmeisjes waren al enkele dagen vertrokken uit Ieper en we hadden een maaltijd gekregen bij de zwarte zusters en nu zou de nachtrust volgen in die kleine kelder. Onze biechtvaders, de paters-karmelieten waren ook al gevlucht.

Mijn vicaris vroeg of hij mocht biechten. Had de man dan al een voorgevoel? En achteraf keerden we de rollen om en biechtte ik mijn zonden op aan hem. We onderwierpen ons beiden aan de wil van God, ons leven en onze dood lag in zijn handen.

Anno 1914, de nacht van de 10de op de 11de november verliep vol agitatie. Rond 5u werd er aan de deur van onze kelder aangeklopt. Mijn huis had immers niet langer buitendeuren. Het was de aalmoezenier van het gasthuis van de zwarte zusters die kwam vragen of de vicaris niet tot bij een stervende persoon wilde komen. Mijnheer Leys sprong onmiddellijk recht en vertrok met het heilig oliesel. Ikzelf wilde nog een halfuurtje slapen. Hij was amper enkele ogenblikken vertrokken toen er een obus tussen hem en mij ontplofte. Tussen hem en mij kan er amper een afstand van 12m geweest zijn. Een hevige klap, puin dat donderend op mijn hoofd neerviel en ik hoorde het huilen van pijn.

Ik kon me uiteindelijk in de volslagen duisternis van onder de brokstukken bevrijden en klauterde over de ingedeukte kelderdeur en rende naar het hospitaal. Daar trof ik een ingestorte slaapzaal oude mensen aan die zich probeerden te bevrijden uit het puin. Onder hen bevond zich mijn arme vicaris. Het duurde niet lang voor ik samen met enkele dappere mannen kon beginnen om hem uit zijn netelige positie te bevrijden.

Terwijl we haastig bakstenen en hout weghaalden kon ik al de hiel van zijn schoen bemerken en we slaagden er in om zijn hele lichaam van puin te bevrijden. Het was inderdaad die arme mijnheer Leys die geplet zat tussen een ijzeren bed en de muur. Het bloed liep uit zijn ogen, oren, mond en neus. Hij toonde nog tekenen van leven en ik kon hem nog net de laatste Sacramenten toedienen. Enkele ogenblikken later hield hij op met het leven. Deze man die zoveel kwaliteiten had bezeten, wat een onvoorstelbare schat was hij voor onze parochie geweest! Samen met hem werden er vier andere personen gedood en meerdere anderen zwaar gewond.

We vervoerden de gewonden en zorgden voor de doden en pas dan kon ik me gaan opfrissen om de mis te kunnen doen. Ik was volop bezig om mijn toilet te maken als een nieuwe obus het klooster trof. Terwijl ik in paniek wegliep viel ik haast over een lichaam dat als een wit pakket vol stof mijn weg belemmerde. Het was hoofdzuster die door de luchtverplaatsing een geweldig smak moet gemaakt hebben, het leek wel of ze geen teken van leven meer gaf.

Uit het dagboek van priester Camille Delaere van Sint-Pieters

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *