8 januari 1567. De onrust houdt niet op. Er staat opnieuw een avondlijke inval op het programma van de soldaten. De helft van het vendel van commandant Del Valle gaat dit keer enkele verdachten oppakken in Elverdinge. Maar de parochianen daar staan hen met hun geweren in aanslag op te wachten. De Elverdingenaars verschansen zich in hun parochiekerk en luiden er de klokken. Een deel van de bewoners ontsnapt via de achterzijde van de kerk terwijl een tiental mannen in de toren vlucht. Lang duurt het allemaal niet.
Er wordt wel een soldaat neergeschoten. De man overlijdt korte tijd daarna. De soldaten pakken achteraf zeven betrokkenen op. Onder hen hun predikant en de soldaten lopen vervolgens in en uit de woningen van het dorp waar ze veel huisraad stelen. Dat is natuurlijk gemakkelijk want de dorpelingen zijn in zeven haasten weggevlucht. Bij het krieken van de volgende morgen komen de soldaten met hun Elverdingse gevangenen binnengestapt door de stadspoorten van Ieper.
9 januari 1567. Nieuwkerke staat ook op het programma. Dat geuzennest moet dringend uitgezuiverd worden van radicale elementen. Rond de middag strijkt het vendel van kapitein Carlo er neer bij de provoost van Nieuwkerke. Op zoek naar crapuul dat malheuren heeft aangericht in de lokale kerk. Het scenario van Elverdinge herhaalt zich: die van Nieuwkerke willen hen niet zomaar binnenlaten en beschieten de soldaten vanuit de kerk.
Carlo geeft de opdracht om geweld te gebruiken, ‘groote forse’. De deuren van de woningen worden ingebeukt, huisraad gestolen. Iets wat de Nieuwkerkenaars hoegenaamd niet pikken. Het vervolg kan ik natuurlijk raden. Een open oorlog waarbij er van beide zijden met scherp wordt geschoten. Gewonden en doden. Terwijl de soldaten van Carlo terugkeren naar Ieper likken die van Nieuwkerke hun wonden. Ik veronderstel dat de poging om de obscure elementen hier gevangen te nemen niet bijzonder geslaagd is.
14 januari 1567. Een dronken soldaat zorgt op het middaguur voor de nodige tumult hier in Ieper. Hij wil met alle geweld binnenbreken in een woning dicht bij het centrum. De buren zien het allemaal gebeuren en willen de inbraak beletten. De huurling wordt bekogeld met stenen en zet het op een lopen. Wat later keert hij op zijn stappen terug. In het gezelschap van enkele spitsbroeders, maar de buren staan er nog en verjagen het viertal opnieuw. ‘Alarm, alarm’, roepen ze om zich heen. Het paniekerig geroep van de soldaten zorgt voor grote beroering bij de garnizoenen.
Binnen het half uur staan al de vendels met man en macht op de markt te dampen van agitatie. De inwoners en de winkeliers sluiten haastig hun deuren en ramen. De rust keert gelukkig snel terug. De zatlap uit de compagnie van Carlo mag het komen uitleggen en wordt opgeleid en gevangen gezet. Rond 14u uur keren de soldaten naar hun logement terug. Het voorval toont aan hoe erg de zenuwen gespannen staan bij ons. De minste vonk kan zorgen voor een explosie van geweld.
15 januari 1567. Simon Uyttenhove laat zijn manschappen oprukken om justitie te doen over een zekere Lambert. De man, een ‘beeldensmijter’ uit de eigen stadsmilitie, wordt er van beschuldigd dat hij geweld heeft toegepast bij een buitenbewoner van het Ieperse. De ladder wordt klaargezet voor het schavot. De schandpaal prijkt zoals altijd pal voor het bezant en Lambert staat er gekneveld als de pineut van dienst.
Dat zal hier slecht aflopen. Tot zijn echtgenote plots krijsend en huilend tot bij Uyttenhove komt met zes van Lamberts kinderen. ‘Gratie, gratie, alstublieft, vergeef mijn man voor wat hij gedaan heeft’. Simon moet medelijden hebben met zijn gezin. Op slechts enkele stappen van de ophanging verwijderd krijgt de sukkelaar zijn gratie. Zolang hij zich maar niet meer aanbiedt bij het stadsregiment.
16 januari 1567. De zenuwachtigheid in en rond de stad houdt Ieper in een bevreemdende wurggreep. Vanmorgen snijdt het geluid van de trompetten door merg en been. De regimenten van Egmont houden grote oefeningen. Ze vertrekken in vol ornaat door de Torhoutpoort in de richting van Hoge Zieken waar ze een defilé houden en gemonsterd worden. Achteraf keren ze terug naar het centrum.
Tussen die soldaten zitten niet altijd de meest fijnzinnige figuren. En dat is dan nog zwakjes uitgedrukt. Ongeletterde nietsnutten die zelf hun eigen vader en moeder zouden vermoorden, te lui zijn om te werken en uiteindelijk als huurling in dienst getreden zijn op zoek naar buit en andere malafide opportuniteiten. Twee van die mannen hebben het de voorbije dagen hier in Ieper maar al te bont gemaakt en zijn veroordeeld tot de strop. Hun collega’s laten dat niet zomaar gebeuren. Aan de buitenzijde van een raam aan de lakenhalle wordt een balk gemonteerd waar de mannen zullen worden opgeknoopt.
Terwijl hun officier het touw vastmaakt aan de balk gaan zijn manschappen hem plots te lijf. Mijnheer Frennes en kapitein Del Valle tonen zich woedend om dit gebrek aan discipline en omdat de executie zo vertraging oploopt. Onder druk van de massa laten ze de makkers die de officier wilden aanranden uiteindelijk lopen.
De ellende tussen de burgers en de soldaten houdt aan. Water en vuur zijn ze voor elkaar. De toestand op het platteland is ook al niet beter. De vechtjassen zorgen voor grote overlast bij de landman. Ze duiken overal op en eisen eten en drinken alsof ze de baas zijn van het pand. De legerleiding zit zelf wel verveeld met de effecten die hun manschappen veroorzaken. Ze moeten rust brengen en doen net het omgekeerde.
De kapiteinen van de diverse vendels en mijnheer Frennes verspreiden het bevel dat er geen enkele soldaat, zowel Vlaming als Waal, zich nog verder dan de stadspoorten mag wagen zonder de uitdrukkelijke toestemming van Frennes zelf. Wie dat bevel negeert riskeert zijn lijf en de landlieden mogen de soldaten eigenhandig vangen en aan het gerecht uitleveren. De justitie zal ze allemaal ter dood veroordelen. Het is in elk geval een bevel dat aan de ribben kleeft.
Dit is een fragment uit Boek 8 van De Kronieken van de Westhoek


