9 april 1590. We krijgen een bloedige maandag voorgeschoteld. De opperschurk Jan Dou en acht van zijn trawanten, samen negen aartsgevaarlijke moordenaars, laten Oostende achter zich en hebben het nu gemunt op het land rond Reningelst. Ze stellen zich verdekt op boven de kasteelmolen van ‘Cleenbusch’. Een houten korenwindmolen op het hoogste punt van Reningelst onderweg naar Loker. Op dat moment sleuren ze al een gevangene met zich mee die ze vastknopen in hun schuilplaats.
Ze vatten het plan op om de volgende dag een aanslag te plegen op een aantal Ieperse beenhouwers die naar Belle reizen om er schapen te kopen. De Ieperlingen hebben een flinke portie geluk wanneer de bende van Jan Dou diezelfde dag nog een andere landman schaakt en naar het bos bij de kasteelmolen meesleept. Diens echtgenote ruikt onraad en laat weten dat haar man gevangen werd. En omdat die vaak zijn weg neemt door dat bewuste ‘Cleenbusch’ vermoedt ze dat er zich daar kwaad volk moet schuilhouden. Baljuw Rollier trommelt enkele plaatselijke pachters op en gaat er samen met de vrouw naartoe terwijl er voortdurend volk samentroept op de heuvel.
En zo worden de zeven Oostendse schurken ontdekt. Ondertussen hebben ze al zeven inwoners ontvoerd en die laten ze nu vrij. In Reningelst wordt groot alarm geslagen. Het blazen van de hoorns zorgt voor een kettingreactie bij de landlieden uit Westouter, Reningelst, Kemmel, Dranouter en die van Belle tot Nieuwkerke. Ze slagen er in om één van de ontvoerders bij de lurven te vatten. De anderen houden zich verscholen in het struikgewas, het ‘bree’ zoals we dat bij ons plegen te zeggen. De heuvellandbewoners ruiken natuurlijk hun prooi, ze snuiven al de zoete geur van vergelding. Dat vertaalt zich in een gespannen drijfjacht. De Oostendenaars worden al gauw betrapt, slaan op de vlucht en gooien in paniek hun wapens weg. Best handig voor een van die boeren die een geweer opraapt en er de gangster ’t Ronckere mee neerschiet. De geus zal later aan zijn verwondingen overlijden. Het lijkt er nog maar een keer op dat hun leider Jan Dou er niet bij is.
De groep landlieden blijft ondertussen aanzwellen en verlegt zijn zoekterrein naar Belle-Ambacht in de buurt van Dranouter. Waar zit de rest? Ze slagen er in om nog een boef te klissen. Het zou om ‘Schaapshoofd’ gaan. Jan Dou zit niet ver, ook hij zit nu zonder geweer. De aanvoerder ontdoet zich van zijn kleren en verstopt zich in een of ander inham van een weide vol braamstruiken, een ‘braambilk’ waar hij als laatste van het vijftal gevangen wordt. Er zijn er dus twee kunnen ontkomen en twee van de negen werden gedood.
De woeste pachters leiden drie gevangenen naar Kemmel en twee naar Belle. Bij het drietal voor Kemmel loopt er één gewonde bij. Baljuw Rollier beslist rond middernacht dat zeven van de landlieden zo snel mogelijk naar Ieper moeten om de wetsheren te informeren over de vangst. Enkele uren later worden ze hier binnengelaten, de hoogbaljuw wordt gewekt en die doet wat later hetzelfde met zijn voorschepenen. Het duurt helemaal niet lang voor er zestien kloeke Ieperlingen onder leiding van kapitein Lamsaem met de heuvellandse landweer vertrekken. Blijkbaar zou er zich nog een bende van zestien ophouden in de buurt van de heuvels.
De volgende dag wordt er ijverig verder gezocht. Van kapitein Sanders Hamerton komen ze hun schuilplekken te weten, of de plaatsen waar ze vaak voorbijkomen en die worden nu bezet gehouden. Met het invallen van de avond staat het land daar nog altijd in rep en roer terwijl er niemand extra wordt aangetroffen. Op 10 april arriveert de Ieperse officier in Belle waar hij Jan Dou en co al een eerste keer vergast op een martelsessie. Drie dagen later slaagt Sanders Hamerton er met zijn mannen in om toch nog een bosgeus in handen te krijgen. Die wordt naar Veurne gebracht.
12 april 1590. In Belle laten ze er geen haar over groeien. Het gerecht spreekt zich uit over het lot van Jan Dou en zijn trawanten. Een jonge Oostendenaar was er voor de eerste keer bij, zijn maidentrip met de grote jongens loopt al direct faliekant af. Hij zal opgeknoopt worden aan de ‘potente’ voor het stadhuis. Jan Dou zelf, een man die weinig of geen kennis heeft van God zal levend geradbraakt worden en dat is ook de straf voor de rest. Na de radbraking rechten de Bellenaars hun gebroken lijken aan schandpalen die op de ‘Rasberg’ opgeslagen staan. Een dag later gaat het proces van de andere drie door in Waasten. De executies verlopen op de markt daar.
De eerste krijgt de brandstapel ten geschenke, de tweede wordt levend geradbraakt en nog voor hij sterft wordt hij dwars over een houten kruis vastgeknoopt. Hier zal hij zijn laatste adem uitblazen. De derde eindigt zijn leven aan een touw. Het dode drietal wordt daarna opgehangen aan schandpalen langs de toegangsweg naar Waasten. Zo nemen deze zes notoire struikrovers afscheid van het leven hier op aarde.
Dan rest er alleen nog de Oostendenaar die gevangen zit in Veurne. Er ontspint zich een hele discussie tussen de koningsgezinden in Oudenburg en een commissaris van Oostende. Discussies over schuld en onschuld tot het duidelijk wordt dat de bewuste man schuldig is aan overvallen en brandstichting bij arme landlieden in Reningelst en Vlamertinge en zo zeker al bij Mahieu Garbe, een geboren Dranouternaar.
Op 16 april spreekt het gerecht in Veurne zich uit over een gepaste straf. En die is dezelfde als bij Jan Dou: de doodstraf na deze verschrikkelijke radbraking. Voor zijn behandeling krijgt de Oostendenaar nog de kans om te biechten. Daar moet hij helemaal niet van weten. De terdoodveroordeelde geus kent noch God, noch geloof. Hij is enkel maar een soldaat in de oorlog geweest en sorry voor diegenen die daar het slachtoffer van werden. Het spijt hem wel dat hij pijn zal lijden, vreselijk wat zijn vriend Jan Dou moest overkomen.
–
Uit deel 8 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


