Veurne. Buiten een kwestie van feestdagen die in de weg staan van marktdagen blijft het relatief rustig de volgende jaren. Daar zal in 1551 wel eens een einde kunnen aan komen. De (gedwongen) afspraken tussen de koning van Frankrijk en de keizer uit 1545 worden niet al te lang gehouden en het ‘hadde nauwelijks zes jaar geduurd alswanneer den oorloge tussen de voorzeide monarchen wederom begoste.’ Op 29 september 1551 wordt het slecht nieuws in de Nederlanden afgekondigd.
‘De koning van Frankrijk, eerst te weer zijnde, zond met het begin van de zomer van 1552 grote en sterke legers naar de Nederlanden om daar een oorloge te doen en hierdoor werden er enige steden en versterkingen bemachtigd.’ Het land wordt in die periode bestuurd door Maria, de zuster van keizer Karel en die kan alleen maar vaststellen dat haar legers niet bij machte zijn om de Fransen af te stoppen. Op 4 juli 1552 vertrekt er een boodschap naar al de stadsbesturen van de Nederlanden. Het magistraat van Veurne wordt niet over het hoofd gezien.
De inhoud van de brief komt neer op een mobilisatie. Lees zelf maar: ‘Er werd bevolen dat ze de namen zouden doorgeven van de namen der edelmannen en direct al de weerbare mannen uit hun gebied op te trommelen en dat ze zich met hun oversten zouden laten vinden in het leger van de keizer, toegerust zoals het hoorde. Ze mochten hen stellen onder de kapitein die ze begeerden te kiezen. En wie niet opdaagt zal beschouwd worden als een vijand van de keizer en het vaderland.’
De wethouders hier in Veurne zijn snel klaar met hun lijst van edelen. Ik tel er zesentwintig. Onder hen zit er welgeteld één ridder: Vigor de Cortewille. ‘Al deze personen, uitgezonderd enige die wettelijk beletsel hadden, trokken in schone toerusting naar het leger om aan het voorzeide bevel te voldoen’. Tegen april 1553 staat een flink keizerlijk leger klaar om aan zijn campagne te beginnen. Op het einde van die maand begint er een aanval op de versterkte stad van Terwaan die op 20 juni stormenderhand wordt ingenomen, geplunderd en in brand gestoken.
In de Westhoek kunnen ze hun geluk niet op. Terwaan ligt slechts op enkele kilometer van St.-Omer en het gevaar dat de Fransen over de Aa of over de Nieuwe Dijk zouden getrokken zijn om het land te verwoesten, lijkt met de inname van de heilige stad bezworen. ‘Tot Veurne werden over dit gewin grote vreugdetekenen bedreven alsook op al de prochien van de kasselrij.’
Voor Terwaan betekent dit het einde van de rit. ‘De keizer gaf na de overwinning de opdracht dat men heel deze stad zou vernielen. Daarom deed de koningin-regentes aan de magistraten van de stad en de kasselrij van Veurne schrijven dat ze naar daar zouden sturen zoveel metselaars, muurbrekers en aardewerkers als er mogelijk was. Ponthus de Lalain, de keizerlijke bevelhebber ter hoogte van Terwaan schreef ook naar de wethouders dat zij terstond drieduizend mannen met leeftochten voor een tweetal weken naar daar zouden sturen om de stad te verwoesten en af te breken. ‘
Aan die laatste eis kan Veurne onmogelijk voldoen. Zoveel werkvolk hebben ze niet eens. ‘Uiteindelijk stuurden de gezeide magistraten op de 28ste juni 1553 al de metsers die in hun gebied woonden en ook omtrent negenhonderd lieden die gewoon waren om aardewerken te verrichten naar Terwaan. Die hielpen deze stad zodanig breken en teniet doen, zowel de kerken, kloosters als andere huizen dat men aldaar niets anders dan een steenhoop meer en zag. De keizer verbood alsdan van ter plaatse nog te bouwen, zodat men tegenwoordig niet en kan bemerken dat daar eertijds een zo oude en sterke stad gestaan heeft.’ Ik ben er ooit eens op bezoek geweest en herinner me de doodse stilte, de magie van de afgebroken kerk en de resten van de puinen nog levendig.
Vanuit het oude Terwaan is ooit het christendom over de Westhoek uitgerold. Hier regeerde de bisschop over een bisdom dat reikte tot in Ieper en tot Nieuwpoort en zwaaide hij de scepter over de geestelijken en de mensen van de Westhoek. En wat nu met deze verdwenen stad? Wie zal nu de toekomstige bisschop mogen huisvesten? Welke Westhoekstad zal zijn borst nat kunnen maken om voortaan als bisschopsstad de plak te zwaaien over de streek? De magistraten van Veurne menen dat ze de grootste kans maken. Ze hebben toch maar mooi meegewerkt aan de afbraak van Terwaan.
Veurne is een rustig oord, ver van de grens en centraal in de Vlaamse kwartieren. Ze zijn hier in het bezit van een schone collegiale kerk, fraaie huizen en nog ander mooi gerief die hen perfect in staat stelt om de bisschoppelijke staat te onderhouden. ‘En men vergat er ook niet aan toe te voegen dat de streek doorsneden was van schone vaarten, et cetera et cetera.’ Dan is er tot slot nog de uitdrukkelijke verwijzing naar de ketterij die overal te lande de kop opsteekt. Nee. Voor het stadsbestuur is het duidelijk: Veurne is de ideale locatie om te dienen als bisschoppelijke residentie.
De beslissing wordt uitgesteld. In de plaats hiervan komt er op 25 juli 1554 een prinselijk huwelijk. Filips, de zoon van de keizer, trouwt met Maria, de koningin van Engeland, beter bekend als Mary Tudor. In Veurne krijgen ze de opdracht om festiviteiten op te starten want hun toekomstige vorst zal voortaan eveneens dienst doen als koning van Engeland. ‘Ze volbrachten zulks door het houden van zeer sierlijke en godvruchtige processies en met het vertonen van spelen en vuurwerken.’
Keizer Karel zit ondertussen op zijn tandvlees. In Veurne zwaaien ze hem alle lof toe. Karel sukkelt met het ‘flerecijn’ en wil vertrekken uit het gewoel van de wereld om voor de rest van zijn dagen God te dienen en met rust wil gelaten worden. ‘Daarom heeft hij zich ontmaakt van al zijn landen, rijken en staten. Hij liet het keizerrijk met zijn erflanden in Duitsland aan Ferdinandus zijn broer, de Roomse koning.’ De rest gaat op 26 oktober 1555 tijdens een vertoning met de nodige tralala in Brussel naar zijn zoon Filips. Een jaar later scheept hij in voor Spanje, naar het ‘klooster van de eremyten, genaamd St. Yusto, van de orde van St.-Jeronimus, een gesticht gelegen in het land van Estramadure, acht mijlen Piacenze, in een wildernis, alwaar hij zeer zaliglijk geleefd heeft tot het einde van zijn leven.’
Dit is een fragment uit Boek 6 van De Kronieken van de Westhoek


