Op het einde van oktober 1794 zetten de Fransen hun oorlog verder in Holland. De winter 1794-1795 is buitengewoon koud. Het vriest zonder ophouden tussen 6 december en 2 maart. De breedste stromen liggen er toegevroren bij. Deze toestand verijdelt de hoop van de Hollanders om de vijand tegen te houden met het water. Generaal Pichegru trekt met ruiterij en grof geschut over het ijs en overmeestert Zeeland zonder ooit maar zijn schepen te moeten gebruiken. De Hollandse vloot van zijn kant ligt vastgeklampt in het ijs terwijl de dragonders gewoon over het ijs kunnen stormen om de schepen aan te vallen. Die oorlog is werkelijk een rariteit. Holland wordt onder de naam van ‘Bataafse republiek’ aan Frankrijk onderworpen.
Hoog tijd om terug te keren naar de Westhoek. De verwoestingen na een zware storm geven ons maar een flauw afkooksel van het uitzicht van onze gewest na de doortocht van de Franse legerbenden. Veel steden en dorpen liggen in puin. De weggejaagde inwoners vinden bij hun terugkeer amper nog de plaats waar hun woonsten gebouwd stonden terug. Of ze zoeken tevergeefs naar ouders, vrienden en familieleden die gedurende deze vreselijke tijd omgekomen waren. Hier heerst alleen maar droefheid en ellende.
In het Veurnse lijkt er geen einde te komen aan de opeenvolging van rampen. Na de onderwaterzetting door het zeewater blijft het niveau maximaal staan tot de 19de juli. Uitgestrekte zaai- en weilanden liggen er ondergespoeld bij. Veel inwoners moesten wegens de overstroming hun huizen verlaten of ze kunnen ze door de regen niet langer bereiken. De landlieden leiden hun vee naar hogergelegen percelen en voeden de dieren met de veldvruchten die ze zelf in het water gaan afsnijden.
Velen zijn verplicht om hun paarden en vee voor een spotprijs te verkopen. Op 19 juni 1794 laten de Fransen de waterstand gelukkig met 30cm zakken waar het blijft staan tot in maart van 1795. Slechts weinige velden kunnen in het voorjaar al bezaaid worden. Er zijn niet voldoende paarden beschikbaar voor het landwerk en de grond is zo doorweekt van het zoute water dat hagen en bomen verkwijnen en afsterven. De aardappelen, rapen en groenten vervriezen in de grond. Er heerst overal een grote schaarste van levensmiddelen.
De prijs van de tarwe stijgt in het voorjaar van 1795 tot ongekende hoogte. Per Veurnse zak moeten de mensen al meer dan 50 ponden neertellen. Te midden deze ellende barst er dan nog een besmettelijke ziekte uit. De gevreesde ‘rode loop’ die van aan de zeekust tot aan Ieper talrijke slachtoffers naar het graf sleept. Tegen deze kwaal gebruiken de mensen vijfvingerkruid die ze bakken in koeken en ze drinken daarbij op look getrokken azijn. Veurne-Ambacht, van oudsher het rijkste gedeelte van Vlaanderen is nu in uiterste armoede gedompeld.
Charles de Latre, burgemeester en landhouder van de stad en de kasselrij van Veurne doet wat hij kan om de toestand van de inwoners wat te verzachten. De Franse gezanten Briez en Haussman organiseren in Brussel op 5 januari 1795 een vergadering met afgevaardigden uit het overwonnen land om de integratie met de republiek te bespreken. Met het geluk van de inwoners als doelstelling. Best een cynische ambitie als men eerst alles ten gronde vernielde. Veel steden krijgen vanuit Brussel afgevaardigden aangemeten die uit de clubs van de Fransgezinden komen en het is niet verwonderlijk dat al die betrokken plaatsen een meerderheid vinden om Vlaanderen bij Frankrijk te hechten.
De Latre, de afgevaardigde van Veurne houdt de boot af uit reden dat hij hiertoe niet gemachtigd is. Na een uitleg over de dramatische toestand in zijn kasselrij vindt hij de Franse gezant Briez warempel bereid om in plaats van sancties over te gaan tot de schenking van 8.000 pond voor de 42 gemeenten door het ‘edelmoedige’ Frankrijk. De Latre probeert nog extra middelen los te krijgen voor de inwoners van Roesbrugge en omgeving waar de mensen nog in de bossen verblijven en het heel die harde winter moesten stellen met bladeren als lichaamsbedekking.
De Vlaamse gewesten hebben zich in de loop van de geschiedenis door heel wat zware rampen moeten worstelen. Langdurige oorlogen, besmettelijke ziekten, koude winters, overstromingen en telkens opnieuw hebben de mensen de ruggen gerecht en is de vruchtbare grond herrezen als bron van nieuwe welstand. Toch zullen onze inwoners nooit dergelijke ellendige toestand als die van 1795 hebben meegemaakt. En dan moet ik het nog hebben over twee extra rampzalige toestanden die onze voorouders nog dieper in de miserie storten. De assignaten en de gedwongen leningen die aan al de overwonnen landen worden opgelegd!
De Franse nationale vergadering gaf op 19 december 1789 papieren geld uit met de staatseigendommen als onderpand. Meer bepaald de geroofde bezittingen van de clerus en de adel als borg. Op zo’n manier geld maken is natuurlijk weel heel gemakkelijk en dus volgt de ene uitgifte na de andere. In 1793 zijn er al voor 45 miljard assignaten in omloop.
Dat papieren geld boezemt echter zo weinig vertrouwen in dat er een jaar later maar een zesde van zijn oorspronkelijke waarde overgebleven is. Een devaluatie van meer dan 80% met andere woorden. De inwoners van de republiek zien zich verplicht om dat geld ‘uit erkentenis voor de weldaden van de onsterfelijke republiek’ als betaalmiddel te aanvaarden. De Fransen nemen de paarden en de koeien mee van bij de landlieden en betalen ze met een pak slechte papieren. Een financieel drama, een ruïne voor de mensen.
Deze manier van betalen betekent voor heel veel mensen de totale ondergang. De gedwongen opvorderingen voor het leger worden immers met dat papiergeld betaald. Winkeliers moeten hun lijnwaad, stoffen en eetwaren afleveren bij het leger en krijgen er assignaten voor in ruil. Terwijl alles wat ze zelf hoeven te betalen aan de Fransman wel degelijk in goud of zilver moet zijn.
Ofwel in graan, maar dan wel verrekend aan de prijzen van 1790, de helft van de prijzen uit 1795. Als er dan werkelijk niets meer te plunderen valt kunnen de mensen alsnog de Franse assignaten gebruiken om de Fransen te betalen, maar dan wel aan een honderdste deel van de aangeduide waarde op het papiergeld. Beeld u in dat een briefje van 100€ er plots maar 1€ meer waard is! Wie niet bij machte is zijn schulden te betalen ziet zich verplicht om zijn meubelen, huizen en land te verkopen. Het opdringen van die assignaten die zo’n korte tijd tot een belachelijke waarde vervallen, verlamt natuurlijk de handel en de nijverheid en maken alle koopmanschap onmogelijk.
Daarom worden ze op 7 juli 1795 helemaal teruggeroepen. De ‘gelukkige’ bezitters ervan mogen ze omruilen tegen 2 centiem per 1,25 frank en dit slechts tot begin 1797. In die tijd is er sprake van 2 oordjes per pond. Het komt er een beetje op neer dat alle geld meteen verdwenen is.
Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek


