banner
nov 24, 2025
63 Views
Reacties uitgeschakeld voor Carmagnolen in de Westhoek

Carmagnolen in de Westhoek

Written by
banner

Menen staat nu toch weer onder het gezag van de Oostenrijkers. Op 15 september komt de hertog van York naar hier om zijn hoofdkamp te installeren. Diezelfde dag vallen de Carmagnolen binnen in Veurne waar slechts een kleine afdeling Engelsen belast is met de bewaking van de voorraad en het krijgstuig. De Franse aanval is een drieste gebeurtenis. Ze roven al de magazijnen van de Engelse legers, bezetten onmiddellijk hele delen van Veurne-Ambacht, alles ten westen van de Lovaart.

Roven en branden er op los, op twee weken tijd gaan meer van 20 woningen en boerderijen op in de vlammen. De buitgemaakte vruchten en het hoornvee verhuist naar Frankrijk. In 1793 zal Veurne maar liefst vier keer geteisterd worden door de Carmagnolen. Na een hevige strijd moeten de Oostenrijkers opkrassen uit Veurne, de stad valt in de macht van de Fransen die er hun kunde van plunderaars weer volop kunnen demonstreren. Ze hebben het vooral gemunt op de abdij van Sint-Niklaas. In de hoop daar goud en geld aan te treffen en natuurlijk om hun wraaklust uit te werken op de kloosterlingen.

De revolutionairen zijn niet vergeten dat de Duinkerkse pastoor Maquet in de abdij een schuilplaats vond nadat hij weggevlucht was omdat hij zijn eed aan Frankrijk niet wilde afleggen. Gelukkig voor Maquet was hij hier samen met de andere kloosterlingen vertrokken. Abt Rycx heeft in zijn rijtuig zowat alles van waarde meegenomen.

De Carmagnolen doorsnuffelen de abdij van onder naar boven. In de ziekenzaal vinden ze een pater te bed met een andere figuur die blijkbaar als geneesheer gekleed is. De Fransen sleuren de zieke verscheidene keren uit zijn bed, onderzoeken het beddengoed om te kijken of hij niets verborgen houdt. De rovers zijn furieus dat ze hier niemand in gijzeling kunnen nemen, want die brengen natuurlijk goed op. Op de zolders binnen ze het gewassen lijnwaad van de geestelijken. Ze stropen hun eigen kleren uit en trekken twee of drie hemden over elkaar aan.

Hun eigen vodden en lompen laten ze liggen, de ‘Nations’ zijn in feite de naam van soldaten onwaardig en lopen er zo armoedig en vuil bij dat ze eerder aan landlopers doen denken. In de archiefruimte van de sacristie boeken ze dan toch wat succes in het zoektocht. Hier ligt tamelijk veel geld en zilverwerk die de abt noodgedwongen moest achterlaten. Ze kleden zich met de misgewaden van de priesters en gaan er spottend de processietoer mee op in de straten van Veurne. Met een boek in de ene hand en een fles wijn in de andere zingen ze hun ‘Kyrië Eleison en de Carmagnole’.

In de rest van Veurne-stad gaat het niet beter. Het college van de Oratoren en de kerk van Sint-Niklaas ondergaan dezelfde behandeling als de abdij. De woningen van de stedelingen worden evenmin gespaard. Ook hier breken de plunderaars binnen, bijzonder verlekkerd op zilverwerk en op alles wat ze eenvoudig kunnen meedragen. Terwijl ze drinken en drinken en dan beschonken de vreedzame burgers de goorste verwensingen naar het hoofd slingeren en de vrouwen beledigen dat het geen naam heeft. De Fransen pakken Charles-Antoine de Latre, de burgemeester van Veurne en landhouder van de kasselrij op en brengen hem over naar hun kamp in Cassel. Generaal Omoran stelt de burgemeester na een bepaalde tijd op vrije voeten.

Na de inname van Veurne begint de Franse generaal op 15 september 1793 aan de beschieting van Nieuwpoort. De Oostenrijkers en de mannen uit Hannover binnen in de stad zijn militair zeker de minderen en verdedigen zich dan maar met het water. De bevelhebber laat bij hoogtij het zeewater vloeien door de buitenregio van Nieuwpoort. Deze onderwaterzetting dwingt de Fransen om zich terug te trekken naar Veurne.

Op 26 september verdrijven de geallieerden hen ook weer uit Veurne. Het is duidelijk een oorlog met wisselende kansen. Jean-Baptiste Jourdan is ondertussen aangesteld als bevelhebber van de Franse troepen in het noorden. Onder hem dienen de generaals Jean Victor Moreau en Dominique Vandamme. Met de macht van het volk keren hun legers terug naar Veurne. We noteren als datum 22 oktober 1793. De aanval is onweerstaanbaar en duurt van 5u in de morgen tot rond de middag. De Oostenrijkers moeten plooien voor het groot geweld van de Fransen.

Veurne is nog maar eens in de macht van deze roversbenden die er deerlijk huishouden. Burgemeester de Latre leidt de indringers naar de raadzaal en vraagt dat de vijand genade zou willen tonen voor de stad en zijn inwoners en hen zouden willen in bescherming nemen. Generaal Vandamme, zelf afkomstig van Cassel repliceert dat hij in de stad komt als overwinnaar en dat hij zijn soldaten er zal laten uitrusten op kosten van de inwoners.

Zijn woorden zijn weinig geruststellend; de Fransen zullen hier zeker hun voordelen zoeken en vooral weerwraak nemen over de beledigingen die de citoyens dagelijks hebben moeten ondergaan van het zogezegde ‘huis van Oostenrijk’. Na wat tegenpruttelen van een lokale raadsman kan Vandamme maar zo duidelijk zijn: ‘Je viens vous annoncer la mort et la misère, je ne vous laisserai que vos yeux pour pleurer’. Ik vertaal deze huiveringwekkende boodschap als volgt; ‘ik breng u dood en ellende en laat u enkel uw ogen om te huilen’.

Vandamme houdt woord. Winkels en magazijnen worden leeggeroofd, goederen en voorraden weggesleept. De generaal eist een oorlogsschatting van 1 miljoen pond en in afwachting van die betaling dienen vier prominente gijzelaars in hechtenis te blijven. Dat zijn de heren de Latre, Vermeesch, de Moucheron en Bernier-Mestdach. Ze geven hun vrijheid op en vertrekken de volgende dag naar Duinkerke en van daar leiden de Fransen hen naar de vesting van Rijsel.

Ze zullen er tot de 8ste juli van 1794 gevangen blijven. Generaal Vandamme laat het volgend verslag van de inname van Veurne voorlezen op de conventie in Parijs; ‘Ik ben deze morgen om 1u uit Duinkerke naar Veurne vertrokken. Ik verdeelde mijn leger in twee delen, het ene trok naar de Duinkerkse poort, het andere leger naar de poort van De Panne. Generaal Paugerat, aan het hoofd van 4.000 mannen zou Veurne langs een andere zijde aanvallen. De aanval werd om 5u ingezet en hoewel de vijand goed versterkt en in groot getal was, dreven wij hem uit de stad, het zwaard in de rug.

Enige benden vervolgen hen nu nog: 100 slaven van deze dwingelanden zijn op het slagveld gebleven, 60 zijn er gevangengenomen. Drie uitwijkelingen zijn in onze macht gevallen. Gij weet wat ik er mee doe. Ik geef mij de moeite niet van de krijgscommissie over hun lot te doen beslissen: mijn pistool en mijn zwaard maken er kort spel mee! Morgen zal ik Nieuwpoort innemen en overmorgen Oostende.’ De generaal vervolgt zijn verslag met een kanjer van een leugen; ‘in Veurne is geen plundering begaan, de republikeinen vragen enkel om te vechten en te overwinnen!’.

Hij eindigt tenslotte als volgt: ‘Terwijl ik Oostende te lande zal aanvallen, moet Castaignies de stad langs de zee beschieten. Ik hoop dat men mij binnen acht dagen zal zeggen dat er een schone haven “was” te Oostende. Ik ledig de geldkoffers van de dwingelanden en niet tevreden met deze belasting, leg ik een voorraad aan tegen de winter zodat het leger niets zou kosten aan de republiek. Leve de vrijheid!’.

Zijn verslag toont hoe fanatiek en scrupuleus Vandamme door de Westhoek raast. Nu ja, zijn voorspelling om in één beweging Nieuwpoort en Oostende te overmeesteren is in elk geval een miskleun. Hij begint inderdaad de volgende ochtend aan het beleg van Nieuwpoort en beschiet de stad dag en nacht, een beschieting die duurt tot op 30 oktober. Maar de keizerlijke troepen houden moedig stand.

Dankzij het openen van de sluizen en het onder water zetten van Veurne-Ambacht dwingen ze de Fransen zelfs tot de aftocht. Die overstroming is dan wel een geluk voor het behoud van Nieuwpoort, Oostende en het Brugse Vrije. Aan de andere kant brengt het water natuurlijke enorme schade aan voor de Veurne-Ambachters die hun vruchtbare bouwlanden en weiden een hele winter overspoeld zien van het ziltige zeewater.

Ze beseffen nu al dat ze de volgende jaren niet aan oogsten zullen moeten denken. Een verslag van de heer Marrannes aan de Belgische Staten schildert de erbarmelijke toestand in het Westland: ‘de 21ste november 1793 zijn de Fransen vertrokken uit Alveringem, Wulveringem, Vinkem, Oeren, Sint-Rijkers, Izenberge, Hoogstade, Gyverinkhove, Pollinkhove enzovoort, nadat ze 73 dagen aldaar hun verblijf gehouden hebben en een extraordinaire schade aldaar gedaan hebben, dewelke dan maar vertrokken en nu waren tot Leisele en Houthem en daaromtrent.’

Op 15 oktober overwint Jourdan de bondgenoten in Wattignies aan de zuidkant van Rijsel. Daardoor rukken nu diverse legerbenden op om bezit te komen nemen van al de plaatsen tussen Menen, Waasten en Poperinge. Op 22 oktober verschijnen de Fransen voor Ieper die ze gedurende twee dagen beschieten. Tijdens die periode krijgen de Ieperse bezetters extra versterking en houden ze de stad met 7.000 mannen bezet.

Ze wagen een uitval door de Bellepoort en ontmoeten de vijand bij Dikkebusvijver. Na een hevig gevecht moeten de Oostenrijkers met het nodig verlies van krijgers naar Ieper terugkeren. De 29ste slagen ze wel in hun opzet om de Fransen te verdrijven. Ook in Poperinge en Menen is er sprake van een bezetting door de geallieerden.

Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek

 

Article Categories:
fragment uit deel 10
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.