Tijdens de eerste voorjaarsdagen van 1326 organiseren de Ieperlingen een raid op de ‘kaardtoestelen’. Controleur Jan Christiene, vergezeld van Willem van der Heule, Roelant Abrame en hun gezellen ‘voeren in de dorpe omme de carden’. Het kaarden, een soort kammen van de warrige wol, is een stap in het productieproces van de wol die het gemakkelijk maakt om de wol achteraf te spinnen. Het kaarden is in die periode een innovatie die het mogelijk maakt om wol van diverse soorten te vermengen en die te camoufleren tot één homogeen product.
De grote steden zweren op hun ambachtelijk productiemethodes met enkel de topkwaliteitswol van Engelse herkomst. Het gebruik van kaardapparaten is in Ieper, Gent en Brugge dan ook zeer streng gereglementeerd om elke insinuatie te voorkomen dat er toegevingen gedaan worden aan de kwaliteit.
Op het platteland hebben ze allemaal geen boodschap aan die Ieperse kwaliteitsstandaarden. Ze vermengen zonder probleem Vlaamse, Schotse, Engelse en Spaanse wol. Ze generen zich trouwens niet om de gekaarde wol aan de man te brengen in Ieper zelf. Het is een praktijk waar de Ieperse ambachten van huiveren. De import van gekaarde wol wordt vanzelfsprekend verboden. Zowel in Gent, Brugge als Ieper wordt niet getolereerd dat de inwoners van te lande zich inlaten met het kaarden.
De expedities van 1 maart en van 12 april zijn er op gericht om het kaarden te stoppen. De kaardapparaten en de gekaarde goederen worden in beslag genomen. De opdracht voor de raids komt van de deken van de volders die hiervoor geld krijgt uit de stadskas. Rond 3 mei 1326 grijpen de Ieperlingen nog eens in te Watene waar alle textiel en toebehoren in beslag wordt genomen. Tussen Ieper en Poperinge zijn de relaties nog steeds goed te noemen. De rebellie tegen de Fransen sluimert onderhuids en verbindt ongewild het lot van de steden.
Er is sprake van wederzijdse bezoeken met de uitwisseling van wijn als geschenken. Ook met de andere omliggende steden blijven de goede relaties onderhouden. Vooral met Sint-Winoksbergen zijn er regelmatig contacten. De afwezigheid van de graaf werkt de wetteloosheid in de hand. In 1326 heeft de plattelandsbevolking geen last van grafelijke inmenging of controle. Alleen de sterksten hebben het nu voor het zeggen. De economische keure die Lodewijk van Nevers aan Ieper heeft toegestaan, laat de ambachten de mogelijkheid om bij weigering of afwezigheid van de grafelijke baljuw, zelf de controle uit te voeren.
De wolmisbruiken op het platteland lopen zodanig de spuigaten uit dat de gezworenen en de schepenen van Ieper besluiten om gebruik te maken van hun rechten. Vooral schepen Willem van Moorslede gaat zich gaandeweg opwerpen als absolute hoofdman van de ambachten. Met het excuus van een grondige aversie tegen alles wat graafsgezind is en dank zij de komst van Zannekin, houdt de Fransgezinde burgerij zich op de achtergrond in Ieper en laat het bestuur noodgedwongen over aan de ambachten. Willem van Moorslede houdt natuurlijk een schizofrene houding aan. Aan de ene kant beroept hij zich op de keure die ze kregen van zijn aartsvijand Lodewijk van Nevers en anderzijds eisen ze alle rechten om zelf de uitvoerders te zijn van die voorrechten.
De dubbele agenda van Willem van Moorslede is eigenaardig. Enerzijds maakt hij de koppen van zijn eigen volk en van de gewone mensen opstandig tegen alles wat graaf en Frans is en anderzijds misbruikt hij zijn machtspositie in eigen stad om op te treden tegen mensen op het platteland en de ‘smalle’ steden die eigenlijk aan zijn kant zouden moeten staan, maar die wel door hem opgejaagd worden wegens zogezegde oneerlijke concurrentie. Wat er zich het volgende jaar gaat afspelen, dient dus best allemaal in die context bekeken te worden.
De ambachten hebben de macht gegrepen in de republiek Ieper en gaan die voornamelijk gebruiken als protectionistisch wapen. Hun collega’s in Poperinge zijn geen gelijkgezinden maar vijanden! Het opjagen van de buitengebieden wordt snel zichtbaar. Rond 9 augustus 1326 trekken de Ieperse raadsheren en schepenen Jacobe van der Marct, Willem Doidine, Janne van den Clite, Martin den Rasschere, Jacob Willaye en meester Janne der Boerleken vergezeld van vijfenveertig man uit alle ambachten naar ter Gorghele (La Gorgue), een dorp aan de Leie, in het achterland van Belle en Hazebrouck.
Een week later krijgt Belle zelf het bezoek van de opperbaljuw en twintig man. Belle en zijn omliggende dorpen kennen al eeuwen een intensieve lakennijverheid en bezorgen de Ieperlingen mogelijk oneerlijke concurrentie. Ook Wervik krijgt inspectie van de Ieperse schepenen. Onze Willem van Moorslede is er ook van de partij. Samen met Janne den Hont en Christian Cornelise in het gezelschap van vijftig ruiters.
Eigenlijk is de term inspectie een soort ‘understatement’. Het konvooi bestaat uit tweeëntwintig paarden die zeven met wapens gevulde karren met zich meetrekken. Overal wordt gezocht naar ambachtslieden die het niet al te nauw nemen met de reglementen en de voorschriften die Ieper hen oplegt. De Ieperse stadsrekeningen geven verhelderende details over de raid naar Wervik. Op 6 september 1326 wordt Willem Witbroode vergoed voor een ‘zelscote’, een soort automatische pijlenschieter, die geplet werd onder de wielen van een van de wagens.
De weg van Ieper naar Wervik loopt via het heuvelachtige Zandvoorde, waar halt gehouden wordt. ‘2 trompers ende een horenblasere, van trompene te Zantvoorde met de ghemenen van der steide’. Eind september 1326 bereiken de drieste Ieperlingen de Leie. In Komen steken ze de Leie over. Ze schrikken er niet voor terug om iemand te doden. Op het grondgebied van Rijsel wordt een zekere Jacques Scabaille ontvoerd en onthoofd. Hun tocht naar Wervik, naar Gorghele en naar Belle gaat ongetwijfeld overal gepaard met brandstichting en met verwoestingen.
Met het korten van de dagen verdwijnen de vergeldingstochten wat uit beeld. Buiten een inspectiebezoek van de Ieperse schepenen Jacob van Zillebeke en Willem Noidine aan Langemark, januari 1327, is er weinig geweten. Het elastiekje tussen de opstandelingen en de graafsgezinden wordt ondertussen altijd maar slapper. De mensen in de buitengebieden begrijpen niet dat ze slachtoffers worden van hun Ieperse broeders. Ze zijn toch met zijn allen tegen de Franse repressie? De partijen beschuldigen elkaar van kwade trouw en het breken van beloftes.
Met een burgeroorlog in zicht probeert de graaf opnieuw aan de kant te komen van het gewone volk van de buitengebieden. De van de macht verdreven Ieperse patriciërs proberen in het voorjaar van 1327 de graaf te ondersteunen door hem een lening te verschaffen van achthonderd pond. Maar Willem van Moorslede blijft zeer alert. Tussen 7 februari en 7 maart 1327 worden zowat elke week schepenen, klerken en afgezanten naar Poperinge gestuurd. In de week van 7 maart komt er een nieuwe expeditie naar Langemark.
Clais Folkier, Vromoud de Hane, Meus van Paskendale, Gillis Willay, Casin Bollard en veertien knapen reizen met de baljuw en twee bodes naar Langemark. De volgende maanden is de situatie in de Westhoek gewoonweg chaotisch. De strijd die de ambachten voeren om hun textielhandel te vrijwaren van vermeende oneerlijke concurrentie loopt kras doorheen de gewelddadige meningsverschillen tussen het landvolk, de ambachtslieden, de kerels van de Westhoek en de aanhang van de steenrijke burgerij van het belangrijke Ieper.
–
Uit deel 3 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


