Hoe wonen onze voorouders in de vroegere tijden? Tot ver in de jaren 1000 wordt er helemaal niet gebouwd in steen. Stenen zijn niet verkrijgbaar. De Romeinen kenden bakstenen maar hun bouwmateriaal raakt na de Romeinse bezetting volledig in onbruik.
Sandeshoved aan de Onie
Hoe wonen onze voorouders in de vroegere tijden? Tot ver in de jaren 1000 wordt er helemaal niet gebouwd in steen. Stenen zijn niet verkrijgbaar. De Romeinen kenden bakstenen maar hun bouwmateriaal raakt na de Romeinse bezetting volledig in onbruik. Hutten, steden en openbare gebouwen wordt gebouwd in hout en leem. Het is natuurlijk erg vergankelijk bouwmateriaal en schrijver René Dumon schrijft dat het tevergeefse moeite is om in Nieuwpoort op zoek te gaan naar sporen van bewoning in de zeer vroege tijden. Sporen van het verblijf van onze voorouders zijn niet zozeer fysiek terug te vinden maar wel in de afkomst van de plaatsnamen die men ter plaatse aantreft. Ik ben het met hem eens.
Hoewel de meeste benamingen uit de verafgelegen tijden, door tijd en sleet, en door velerlei omwoelingen, worden uitgewist, zijn er gelukkig enkele lang genoeg blijven voortbestaan, om te kunnen opgemerkt en opgetekend worden in middeleeuwse documenten die op vandaag nog beschikbaar zijn. Die benamingen leveren op zichzelf al een stevig bewijs dat er mensen woonden. Nieuwpoort telt 3 namen die teruggaan naar de Keltische tijden. Dus naar de periode voor het begin van het nieuwe jaarstelsel. Eén ervan is de Onie. Een tweede benaming uit de vroegste tijden vinden we in Sandeshoved en in het verwante Sandascuad.
De naam Sandeshoved verschijnt voor het eerst in een document van 1112 en Sandascuad vinden wij in een oorkonde opgesteld tussen 1083 en 1093 in geschriften van de abdij van Sint-Winoksbergen. Beide namen bevatten het woord ‘Sand’, een woord dat tot Keltische tijden teruggaat. De term ‘Sand’ heeft hier helemaal niet de betekenis van zand volgens Dumon. Sandeshoved en Sandascuad liggen op dezelfde voorhistorische zandbodem die zich uitstrekt tussen Groenendijk, Nieuwpoort, Sint-Joris en verder. Deze zandbodem is bespoeld door de Onie. Om de oever of het strand van deze stroom te beschrijven, bezitten onze Keltische voorouders een gepaste term: Ouissan of Wissan. Ouessant, Wissant en de brug van Cuetewyc.
Als plaatsnaam treffen wij het vandaag nog aan in Frankrijk en wel in de vorm Ouessant en Wissant. Onze voorouders zullen die plaatsnamen in de loop van de tijden uitspreken (en er bestaat alleen een mondelinge overlevering) als Quissan of Wissan wat later onder invloed van de Saksen en de Germaanse inwijkelingen zal evolueren tot Ouissande of Wissande. Later nog, toen bepaalde plaatsen die er op ontstonden, als ‘Wissandeshoved’ of ‘Wissandascuad’ bekend geraakten, heeft het volksgebruik deze namen verkort door het laten wegvallen van het voorvoegsel ‘Wis’. In 1269 verschijnt een grafelijk decreet in verband met het onderhoud van de waterlopen in Veurne-Ambacht. Daar staat de naam ‘Cuetewyc’ voor de eerste keer vermeld.
Cuetewyc blijkt volgens het document dichtbij Nieuwpoort te liggen. Het Langelis (de volkse naam voor Langeleed, een afwatering die uitmondt in de Ijzerhavengeul te Nieuwpoort) wordt in 1269 Dunval genoemd. Volgens de tekst van het decreet komt de Dunval aan in Nieuwpoort aan de brug die vermeld staat als ‘pont de Cuetewyc oost’ waarna het water verder stroomt tot aan de ‘dusques a Nuefport’ (de haven van Nieuwpoort). Schrijver René Dumon identificeert in zijn geschiedenis van Nieuwpoort de ‘pont de Cuetewyc oost’ met de plaats die anno 2000 bekend staat als de Arkebrug. Aan de Arkebrug bevindt men zich nog niet in de stad van Nieuwpoort. Maar het is de enige weg om vanuit de richting Pervijze, Ramskapelle, Wulpen en Oostduinkerke in Nieuwpoort te geraken.
De beboste gronden van Cuetewyc
Cuetewyc Oost is dus al een plaats van belang voor de 13de eeuw want alle verkeer moest er langs. En de term ‘Oost’ wijst er bovendien op dat het een afgescheiden gehucht is van het moederdorp Cuetewyc dat verder in het westen ligt. Westwaarts van de Arkeburg (waar zich nu de Kalkovenburg bevindt) ligt in de vroege tijden het dorp Cuetewyc. Maar welke betekenis heeft de naam Cuetewyc? In de Keltische taal van onze voorouders kent men het woord ‘Coed’. Bos. Deze betekenis stemt letterlijk overeen met de beschrijving van het grondgebied waar Cuetewyc gelegen is, namelijk op de beboste gronden aan de zuidkant waarop Nieuwpoort is gebouwd.
Alle getuigenissen wijzen er op dat sommige gronden, nu door de westwijk ingenomen, door een Keltisch sprekend volk als woonplaats werden gekozen. Meer dan 2000 jaar geleden. De Kelten noemen de plaats Coed. Ze zullen er bomen vellen, houten hutten bouwen, het land bewerken en zich toeleggen op de visvangst. Aan de zuidkant van de zandbodem staan hun woningen en leggen ze zich toe op de landbouw. Aan de noordkant meren ze hun boten aan in het water van de Onie. Het ontstaan van Nieuwpoort vindt dus waarschijnlijk plaats vóór de komst van de Romeinen. Hier op een beboste plaats in de huidige westwijk van de stad. Coed is de eerste naam die men er aan gegeven heeft. Het achtervoegsel ‘wyc’ wordt er achteraf bijgevoegd. Onze oudst bekende voorouders behoren tot de Keltische stam van de Morinen.
Caesar wil de kustbevolking onderwerpen
Het Morinisch territorium grenst hier ter hoogte van de Onie aan dat van de Menapiërs. Als de Romeinen Gallië binnenvallen zijn de Morinen en de Menapiërs de laatsten om zich aan Rome te onderwerpen. In hun verzet tegen Julius Caesar worden ze in grote mate geholpen door de vele bossen en moerassen die men in de streek aantreft. Maar Caesar wil de volkeren kost wat kost onderwerpen. Het stevig bezit van de kustlijn is een must wil hij succesvol een expeditie organiseren tegen Engeland en wil hij het meesterschap verwerven over de Noordzee. Alle kustbewoners, van de Schelde tot aan Brest, spannen samen om hem dit meesterschap te betwisten. Een machtige vloot wordt verzameld, maar bij de zeeslag ter hoogte van het Franse Quiberon, op de kusten van Bretagne, worden de kustbewoners verpletterd en verslagen.
Voor Caesar ligt in 56 voor Christus de weg naar Engeland wijd open. In deze nederlaag hebben onze voorouders zo veel schepen en zo veel volk verloren, dat ze niet in staat zijn Caesar nog verder het hoofd te bieden. In augustus van het volgende jaar onderwerpen ze zich aan Caesar. De Romeinse era is nu definitief aangebroken. Ze zal 400 jaar duren. Aanvankelijk gebeurt die onderwerping niet met echte overtuiging. Met lange tanden dus. Veel families wijken liever uit naar Engeland dan te leven onder de dwingelandij van de Romeinen. Het aanvankelijk passieve verzet verandert geleidelijk aan in gewapende rebellie. De Romeinen zijn echter te sterk, de opstanden worden keer op keer onderdrukt en stilaan sterft het verzet uit. Met de evolutie van de tijd en de komst van nieuwe generaties begint de lokale bevolking zich aan te passen aan de bestaande situatie. Geleidelijk aan zal zelfs de dag aanbreken dat de jonge Morinen vrijwillig dienst zullen nemen in het Romeinse leger, en ver van huis en haard, hun trots zullen opofferen voor de glorie van Rome.
De Romeinse expeditie naar Engeland in -55
Na de slag van Quiberon bezit Caesar het volledige meesterschap over de zee. Al snel zullen expedities opgestart worden om Engeland te veroveren. Het verhaal van de expedities naar Engeland is een niet onbelangrijk onderdeel van de wereldgeschiedenis en speelt zich af in onze Westhoek. Onze voorouders hebben dan ook die gebeurtenissen meegemaakt. In het najaar van 55 voor Christus wordt een eerste verkennende expeditie uitgevoerd. 10.000 Romeinen wagen de oversteek en ontschepen aan de zuidoostkust van Engeland. Ze ondervinden weinig tegenstand, maar de tijd om Engeland te veroveren is nog niet rijp. Caesar besluit zijn grote kans te wagen in de lente van het volgende jaar (54 voor Christus). Met een armada van 36.000 soldaten, 4000 ruiters en 600 schepen wil hij Engeland binnenvallen.
Op enkele maanden tijd moet alles klaargemaakt en verzameld worden. In alle kusthavens worden met man en macht schepen gebouwd, wegen aangelegd en gebeurt alles wat nodig is om de invasie van Engeland tot een succes te maken. Langs de Onie gonst het van de bedrijvigheid. Caesar koestert geen illusies over de betrouwbaarheid van het vijandige kustvolk. Het bouwen van zijn schepen wordt daarom toevertrouwd aan de plaatselijke scheepswerven, die echter onder bestuur en toezicht staan van vreemde specialisten en vaklieden. De plaatselijke bevolking moet zich tevreden stellen met handenarbeid, eigenlijk is het dwangarbeid, uitgevoerd onder militair toezicht, en dat voornamelijk bestaat in het droogleggen van grond, het delven van dijken, het vellen van bomen en het vervoer. Op 10 juni van het jaar 54 voor Christus ligt de vloot klaar in Portus Icius om uit te varen. Het duurt tot 5 of 6 juli vooraleer de vloot kan uitvaren. De expeditie slaagt. Verscheidene Britse volksstammen onderwerpen zich, offeren gijzelaars en beloven oorlogsschattingen te betalen.
Portus Icius en Caesar
Toch heeft Caesar zijn plannen niet volledig kunnen realiseren. Hij blijkt over onvoldoende manschappen te beschikken om een bestendig garnizoen op Engelse bodem te behouden en de beschikbare mannen zijn immers van doen op het vasteland waar de dreiging van oproer zorgwekkend is. Hij moet zich dus met de formele onderwerping van de Britse stammen tevreden stellen en vertrouwen stellen in hun beloften. Hij trekt al zijn troepen terug. In september van -54 is Engeland al opnieuw ontruimd. Onder geschiedschrijvers wordt er over de exacte ligging van Portus Icius nog altijd geredetwist. In de hele discussie wordt er onvoldoende aandacht besteed aan de Vlaamse Westkust. Volgens schrijver Dumon is het helemaal niet onmogelijk dat de oude haven van Koksijde de Portus Icius van Caesar is geweest.
Maar waarom dan? Caesar zelf schrijft in zijn boek ‘De Bello Gallico’ de volgende passage: ‘Omnes ad Portum Icium, quo est porto commo-dissimum in Britanniam trajectus esse cognovit’. In mensentaal betekent dit dat er een bevel wordt uitgevaardigd om heel zijn macht op één enkel punt samen te trekken ter hoogte van Portus Icius. Hij kiest deze locatie uit omdat hij geen andere haven kent die beter geschikt is om de overvaart naar Engeland te dragen. Het feit dat Caesar uitlegt waarom hij Portus Icius gekozen heeft, laat vermoeden dat zijn keuze enigszins onverwacht is. In militaire en politieke kringen zal men wellicht verwacht hebben, dat het inschepen zou plaats grijpen in een haven die zeer dicht bij Engeland lag. De kortste weg is ver genoeg.
Portus Icius is de meest geschikte haven
Maar de kortste weg is niet altijd de beste weg en het is dat wat Caesar precies wil onderstrepen. Hij heeft Portus Icius gekozen, zo verklaart hij, omdat het de best geschikte haven is, de ‘porto commodissimum’. Geen gewone expeditie is het die voor de deur staat. Het is een grootse en buitengewone onderneming. De ogen van heel de wereld staan erop gericht. René Dumon is hier wat subjectief. Caesar zal gevoeld hebben dat hij een reden moet opgeven waarom hij geen van de dichtst bij gelegen havens kiest om in te schepen. Niet te Bonen, niet in Wissant en niet in Kales. De kortste weg heeft ongetwijfeld bepaalde voordelen, maar 800 schepen en 40.000 man laten vertrekken op één en hetzelfde tijdstip is iets waarvoor men verder dient te kijken dan alleen maar de kortste weg. Het komt er op aan een haven te vinden die voor zulke onderneming geschikt is.
‘Portus Icius’ ligt verder dan de andere havens, maar is wel bijzonder geschikt voor zijn grootschalige plannen. De andere havens dus niet. Die het dichtst bij Engeland mogen trouwens worden uitgesloten omdat de Romeinse armada enkel en alleen via de stranden van de mogelijke Franse havens zou kunnen vertrekken. En dat wordt kordaat tegengesproken door Caesar die effectief schrijft dat er vertrokken wordt vanuit een haven. In oostelijke richting kunnen wij niet verder gaan dan de Onie te Nieuwpoort. De Onie is de voornaamste haven in heel het land van de Morinen, en zelfs tussen de Rijn en de Seine.
De Onie als voorhaven van de Rijn
De Onie functioneert als de voorhaven van de Rijn. Caesar hoeft dus niet verder oostwaarts te kijken om een geschikte haven te vinden die aan de gestelde voorwaarden voldoet. Nochtans maakt hij geen keuze voor de Onie. Hij kiest voor de haven die bekend staat als Portus Icius. De Onie en Portus Icius kunnen onmogelijk één en dezelfde haven zijn. Het zijn totaal verschillende namen. Waar de schrijver Strabo voordien gedetailleerd de reis van de Rijnschepen heeft omschreven zonder enige allusie te maken op Portus Icius, schrijft hij in latere geschriften ‘Apud Morinos est Itium, quo usus est navali Divus Caesar, in insulam transmittens…’ Strabo verklaart dus dat de haven Itium (Portus Icius) in het land van de Morinen ligt en dat Caesar die haven gebruikt voor zijn militaire aanval op Engeland.
Strabo maakt dus een duidelijk onderscheid tussen Portus Icius en de haven van de Rijnschepen. Het staat vast dat Portus Icius en de haven van de Onie allebei in het land van de Morinen gelegen zijn, maar het is ook duidelijk dat Portus Icius verder westwaarts ligt dan de Onie. Welke havens lagen er westwaarts van de Onie? We tellen de havens die wij al eerder geëlimineerd hebben niet mee. De haven van de Aa in Grevelingen of de Gersta in de buurt van Duinkerke die zich uitstrekt tot aan St.-Winoksbergen zijn kanshebbers. Maar hun namen gelijken in niets op het magische Icius. Het zijn nochtans oeroude namen, die al in de Romeinse tijd moeten bestaan hebben.
Maar waar ligt Portus Icius dan wel, vraagt Dumon zich af. Laat ons even alle aandacht schenken aan het oude Koksijde dat in de middeleeuwen een haven bezit die gevoed wordt door het Langelis dat via Veurne uit westelijke richting komt. De Langelis verzamelde in de vroege tijden het water dat diep uit het Westland kwam en bracht het naar het kustgebied ter hoogte van een grote havenmond te Koksijde. Pas vanaf het begin van de 7de eeuw en het begin van de duinenvorming zal de loop van de Langelis gaandeweg en grondig wijzigen. Al na 100 jaar gaat de Koksijdse havenmond door verzanding ten onder. De nieuwe loop van de Langelis zal een andere uitweg zoeken die uiteindelijk zal leiden naar Nieuwpoort.
Steendam, halverwege tussen Nieuwpoort en Wulpen
Halfweg tussen Nieuwpoort en Wulpen ligt Steendam. In de 19de eeuw is daar een steenbakkerij actief waar bij het graven naar klei gedurende 30 jaar allerhande merkwaardige oude voorwerpen worden opgegraven. Eigenaar Isidoor Florizoone vindt het bizar dat op sommige plaatsen van het bedrijf er maar een zeer dun laagje klei aanwezig is. In tegenstelling tot wat er op andere plaatsen wordt waargenomen, de kleilaag rust meestal op een laag veengrond, rust het kleilaagje hier enkel op zeezand. Van veengrond is er geen sprake. Florizoone ontdekt al vrij snel dat hij zich in de zaat bevindt van een verdwenen waterloop van meer dan 100 m breedte, die komende vanuit oostelijke richting zich enkele kilometer verderop in zee zal gestort hebben. Het moet een waterloop van grote omvang geweest zijn, een waterloop van belang die beschikte ook over een machtige toevoer van stuwwater.
De waterloop kiest de zee in Doornpanne
Metingen wijzen uit dat de waterloop zich tussen Oostduinkerke-Dorp en Koksijde-Bad in zee stort. Precies op de plaats waar zich nu Doornpanne situeert. Boringen in Doornpanne tonen aan dat er ook hier geen sprake is van veengrond. Het duinzand rust er op lagen zeezand en van klei is er amper sprake. Er kan ook geen twijfel bestaan dat er vroeger een waterloop heeft bestaan die zich te Koksijde in zee wierp. We komen even terug op de vondsten van onze bakstenenfabrikant Florizoone. In de 100 meter brede zone tussen linker- en rechteroever van de verdwenen stroom, dus waar de stroom zich effectief bevond, wordt helemaal niets van oudheidkundige waarde gevonden. De oevers zelf bestaan uit zand, maar weg van de oevers, waar de bovengrond uit zware kleilagen bestaat, worden massaal veel voorwerpen opgegraven.
Op géén andere plaats in de regio worden dusdanig veel oude schatten opgegraven. Deze voorwerpen worden alle gevonden onder de klei en rusten op de veengrond. Ze behoren tot de vroegste Romeinse tijden en zelfs tot het Frankisch tijdvak. De vondsten vormen een uniek bewijs dat er langs die grote stroom gedurende zeer lange tijd sprake is van bewoning en dat die bewoning zo goed als verdwenen is bij de overstromingen van de 8e eeuw. De vondsten uit de Romeinse tijd zijn zo overweldigend en zo verschillend, dat het zelfs mogelijk is uit te maken hoe de gewoonten en de gebruiken van de bevolking, van tijd tot tijd, veranderingen hebben ondergaan, hoe bestaande producten door nieuwe werden vervangen, en hoe de mensen zich aan nieuwe gedachten en doorheen de nieuwe tijden hebben moeten aanpassen.
–
Uit deel 1 van ‘De Kronieken van de Westhoek’


