banner
Jun 12, 2020
2063 Views

Herberg ‘Het Boerenhol’

Written by
banner

Anno 1914, op de 22ste november, de laatste zondag van het liturgisch jaar. Het evangelie praatte over de verwoesting van Jeruzalem en het einde van de wereld. Een treurig beeld voor wie probeerde te overleven in onze arme stad. Wat zou er van zijn vroegere glorie overblijven?

Vanaf 6u begon een bombardement in regel. Drie uur later richtte de vijand zijn vizieren op de lakenhalle. Een eerste obus tuimelde op de toren van het belfort, de derde op de horloge. Rond 11u donderde de beiaard naar beneden en stond de halle in vuur en vlam. Het was een vreselijk spektakel, het duurde niet lang of het hele gebouw was omgetoverd in een hels inferno. De kerk van Sint-Maartens vatte op zijn beurt vuur.

Onze pastoor liep er om 18u naartoe, drong binnen in de sacristie. Het dak van de voornaamste beuk en de kapel van het Heilig Sacrament brandde. Met de hulp van Frederic Hardin, juffrouw Cloostermans en een Belgische brigadier slaagden ze er in om meerdere kostbare voorstukken (het antependium) van het altaar te redden, waarvan sommige kostbaarheden uit de 12de eeuw. Ze brachten die over naar herberg ‘Boerenhol’.

Ik arriveerde net op tijd om nog wat extra voorwerpen te redden uit de kerk: enkele mooie tapijten en beelden die ik naar de derde sacristie droeg. De objecten van grote waarde werden weggehaald van de lakenhalle en naar het Boerenhol gebracht, ofwel naar de kelder van het kasselrijhuis op de markt en naar de kelder van burgemeester Colaert. De pastoor ging op zoek naar wat water. Met de grootste moeite van de wereld kon hij twee volle emmers bemachtigen die hij binnendroeg in de kerk. Met een natte doek slaagde hij er in om het vuur te blussen dat al aan het knabbelen was aan de preekstoel.

Enkele Franse soldaten die een rustdag hadden hielpen mee met de reddingsactie, vooral in de lakenhalle. Rond 20u in onze keuken praatten we onder elkaar over de rampen die we vandaag meemaakten, als het ware onder de gloed van de vlammen die altijd maar verder hun destructief werk verderzetten. Zuster Marie Berchmans wierp de vraag in ons midden of iemand het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne gered had. Niemand van ons herinnerde het beeld gezien te hebben, dus veronderstelden we dat het nog op zijn gebruikelijke plaats moest te vinden zijn in de kerk.

We moesten dus op onze stappen terugkeren want morgenochtend zou dat ongetwijfeld te laat zijn. Onze pastoor vond dat we eigenlijk al meer dan genoeg gewroet hadden vandaag en wilde wachten tot morgen. Maar we drongen er op aan dat het onze plicht was om de goede maagd van Thuyne te redden, want het beeld werd ondertussen al 550 jaar door onze zusters in processie rondgedragen, want ze was de patrones van onze stad. Priester Delaere gaf dan toch de toestemming om het beeld te gaan halen.

Het bombardement was weer verschrikkelijk. We holden voorbij het Nieuwwerk dat in lichterlaaie stond. Onderweg stootten we op de dappere brigadier die ons vandaag geholpen had en opnieuw bereid was om ons te vergezellen in onze opdracht. Hij vertelde dat hij in zijn kindertijd nog koorknaap geweest was in Sint-Maartens. Het geweld van de exploderende shrapnels was zo furieus dat we ons verplicht zagen om ons gedurende een half uur te verschuilen tegen de kerkmuur.

Pas rond 21u waagden we ons er binnen. We moesten ons trotseren door een regen van vonken en neervallende brandende balken. Tot onze grote spijt konden we het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne niet vinden. Iemand moest haar reeds in veiligheid hebben gebracht. We konden alleen maar de ‘Thuyne’ meenemen. We slaagden er nog in een kostbaar schilderij los te snijden uit zijn kader en nog enkele kostbaarheden te recupereren uit de derde sacristie en brachten die naar het kasselrijhuis en vervolgens naar het Boerenhol.

We speurden nog overal naar het verdwenen beeld maar dat leek van de aardbodem verdwenen. We keerden dan ook met sombere gevoelens terug naar ons klooster waar we de pastoor en de zusters Marie en Antoinette in gebeden verzonken terugvonden. Een soort van vaag voorgevoel verwittigde ons dat we nog een nieuwe tegenslag tegemoet gingen.

Vanmorgen al had het Belle Godshuis een obus op zijn dak gekregen, net op het moment dat ik er voorbijliep. Moest ik daar één enkel minuutje later geweest zijn dan zou ik nu zelf onder het puin liggen. Bij het vallen van de avond vatte ons schoon museum eveneens vuur. Van al de Ieperse zo erg gekoesterde schatten zou er niets meer overblijven.

Het spektakel was tegelijkertijd triest en spectaculair, letterlijk alles werd door het vuur opgevreten. De halle, de kerk, de woningen vielen ten prooi aan de vlammen. De lijken stapelden zich op. Onze harten riepen luidruchtig dat de moordenaars moesten stoppen met hun destructief werk, dat de Duitsers niet het recht hadden om hun wraakzuchtige hand te leggen op de ziel van onze voorouders! De rijkdom en de milddadigheid van onze oude stad konden hier toch onmogelijk tot een eindpunt komen? En wat nog gezegd van onze arme mensen die niemand kwaad toewensten?

Uit ‘De Grote Kroniek van Ieper’ (werk in opbouw)

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *