banner
okt 5, 2025
53 Views
Reacties uitgeschakeld voor Het ergste dat een mens kan overkomen

Het ergste dat een mens kan overkomen

Written by
banner

Zoals aangegeven mobiliseert het Franse bewind de bevolking vanaf het jaar 1793. Deze algemene ‘levée’ gebeurt zowel in de steden als te lande. Alle mannen, getrouwd of niet, tussen de 16 en 50 jaar moeten optrekken met het leger. Ze zijn verdeeld in klassen. Aanvankelijk is er sprake van 500.000 mannen, later zullen dat nog eens extra 1.000.000 worden. Werkelijk iedereen is verplicht om mee te werken aan de verdediging van het vaderland. De getrouwde mannen moeten wapens vervaardigen en het krijgstuig ter plekke brengen.

De vrouwen naaien krijgskleren terwijl de kinderen de oogsten moeten binnenhalen en de ouderlingen hun liefde voor de republiek moeten gaan preken. Alle eigendommen, centen en zeker ook de paarden moeten dienen voor het leger. De vertegenwoordigers (representanten) van de republiek zijn verantwoordelijke voor de inrichting van het leger. Het zijn mannen die er niet mee lachen want de minste weigering bestraffen ze met de dood. Wie kan vluchten loopt het land uit. Hele huisgezinnen spoeden zich naar Vlaanderen, vragen geleidebrieven (paspoorten) aan de voorwachten van de Oostenrijkers en Hollanders zodat ze veilig verder mogen trekken in ons land.

Op enkele dagen tijd trekken er meer dan 15.000 vluchtelingen door Poperinge en Ieper. Het geeft aan hoe het er in het begin van de zomer 1793 aan toegaat bij onze zuiderburen.

Na de overwinning te Neerwinden sluiten de geallieerden een verbond. Ze komen op 5 april 1793 te Antwerpen overeen om Frankrijk de oorlog te verklaren en aan te vallen. De eerste stap in deze oorlog is de formatie van een leger van 125.000 mannen waar Oostenrijk, Holland en Engeland elk een derde van de manschappen zullen voor leveren. De staten van Brabant zorgen voor een financiële toelage van 1.200.000 frank om de kosten te helpen dragen. Na de bezetting van Valenciennes op 10 juli dringt de prins van Coburg binnen in vijandelijk gebied.

De Hollanders en de Engelsen komen samen in Menen. Van daaruit sturen ze afdelingen naar de verscheidene voorwachten die reeds door de Oostenrijkse voorwachten bezet zijn. Dat is het geval te Reningelst, Dranouter, Loker, Westouter, Poperinge, Watou enzoverder. Elke burger van die locaties krijgt op 16 juni zoveel krijgsvolk te logeren als hij of zij in zijn of haar huis of schuren kan herbergen. Wees er maar zeker van dat deze krijgslieden een zware last betekenen voor de inwoners.

Vriend of vijand, velen ervan zijn allemaal roofziek en behandelen onze landlieden met een schrijnende moedwilligheid. Te Reningelst biedt de pastoor onderdak aan een Oostenrijkse officier die er met zijn stok op los slaat als hij niet rap genoeg gediend wordt. De Engelsen stelen zowat al de schapen op de weide van weduwe Vandromme. Overal ziet men de veldvruchten platgetrappeld en vernield. Ja, het is niet eenvoudig om dit volk als vrienden te beschouwen…

Van dan af aan vertrouwen de landlieden enkel nog op zichzelf. Elke gemeente richt wel zijn eigen ‘compagnie’ vrijwilligers op om lijf en goed tegen gelijk wie te beschermen en indien nodig te verdedigen. Elke dag opnieuw moeten onze vrijwilligers optreden in de buurt van de grenzen. Ze doen dat zo dapper alsof ze dat al heel hun leven gedaan hebben. Op 25 augustus 1793 weerstaan ze in Loker samen met de Huzaren een aanval van de Fransen, de volgende morgen krijgen ze evenwel een bende van 1.000 vijanden op de hals.

De boeren snijden hen de weg af en sturen boodschappers op weg om hulp te halen. De geallieerden komen net op tijd om de indringers terug over de grenzen te jagen. Bij dat gevecht krijgt Pieter Lombaert van De Klijte een kogel in de schouder. Hij sterft in het Ieperse hospitaal aan de opgelopen schotwonde. Cornelis Room wordt krijgsgevangen genomen en naar Cassel gevoerd, maar later weer op vrije voeten gesteld. In Abele en Roesbrugge duiken de Carmagnolen op om te plunderen wanneer ze vernemen dat de Oostenrijkers vertrokken zijn.

De Fransen keren echter op hun stappen terug als ze vernemen dat hun kamp in Ghijvelde dreigt aangevallen te worden. Op 4 augustus komen ze terug naar Roesbrugge dat ondertussen bezet is door 30 Engelsen. Die moeten echter wijken waarop de Fransen hun woede koelen op de weinige mensen die nog in Roesbrugge achtergebleven zijn. Een herbergiers, met name Doncker, wordt in zijn huis doodgeschoten, samen met zijn dochter die een dodelijke steek van de bajonet krijgt. Brouwer Ameele loopt een levensgevaarlijke wonde op omdat hij bier had geleverd aan de Oostenrijkers. Voor hun vertrek steken ze nog vier huizen in brand.

In deze ongelukkige tijden trekken de mensen ’s nachts de velden in om een beetje veilig te kunnen slapen. Niemand is er immers zeker van dat hij heelhuids de ochtend zal halen. Op 10 augustus horen ze aan de grenzen in de verte de Franse kanonnen bulderen. Het zijn de Fransen die de nieuwe grondwet op luidruchtige manier afkondigen terwijl ze drinken op de gezondheid van de republiek. Het is helaas de voorbode van nieuwe gevechten. Ze proberen ondertussen al verscheidene dagen op rij om Abele te veroveren omdat hier slechts een militie van 20 Engelsen ligt.

Van daar willen de Fransen doorstoten voor een plundertocht in Poperinge. Op zondag 11 augustus om 4u in de ochtend stuurt commandant Omoran 600 man in de aanval op Abele. Vrijheer Brack, de bevelhebber van de Oostenrijkers staat ter plekke paraat om de Fransen op te vangen. Hij beschikt over 800 Huzaren en een kanon, allen in een hinderlaag opgesteld achter een bos. De Hollandse en Tiroolse jagers sluiten beide zijden af terwijl de Engelsen de weg van Abele verkennen. Bij het zien van de oprukkende vijand slaan de ‘Londons’ op de vlucht.

Ze brengen daarmee de Carmagnolen in de waan dat ze vrij spel krijgen. De Fransen zetten zonder dralen de achtervolging in op de vluchtende Engelsen tot ze van twee kanten aangevallen worden door de Huzaren die hen bestormen met het zwaard in de vuist. De kogels en het schroot brengen een verschrikkelijke moordpartij teweeg. De Huzaren achtervolgen de vluchtende Fransen en hakken ze neer of nemen ze krijgsgevangen. Op nog geen half uur tijd is de klus geklaard, de Fransen lijden de nederlaag en laten 200 dode makkers achter op het slagveld.

Nog eens 100 van hen eindigen de confrontatie als krijgsgevangene. Met onder hen vier oversten met inbegrip van de ‘commandant’, een gewezen lakenkoopman van Haezebrouk De Oostenrijkers brengen hun krijgsgevangenen via Poperinge naar Ieper. Ze voeren ook 17 gekwetsten en 224 doden met zich mee. Die laatsten begraven ze in de ‘pestebilk’ van Poperinge. Legeroverste Omoran krijgt de wind van voor in eigen land. Waar de conventie hem aanvankelijk altijd alle lof toestuurde kost deze misslag hem nu het leven. Ze laten hem op 16 augustus naar Parijs voeren waar hij op 6 maart 1794 onthoofd zal worden.

Op 18 augustus 1793 veroveren de Hollanders de Franse kant van Wervik. Nog diezelfde namiddag revancheren 6.000 Fransen zich. Tijdens de gevechten sneuvelen er 140 Hollanders en verliezen ze twee kanonnen. Twee bataljons Engelsen en Hollanders schieten ter hulp en zij doden op hun beurt 400 Fransen en maken daarbij 10 stukken geschut buit. Heel het Westland lijkt nu al op een onvervalst legerkamp. Op 19 en 20 augustus trekt een grote afdeling Engelsen met soldaten uit Hannover, Hessen en Ierland via Ieper en Poperinge naar Roesbrugge.

Dag en nacht volgen er zware legerwagens, kanonnen, mortieren, houwitsers. Munitie getrokken door vier of zes paarden per wagen. Men rekent dat er wel 20.000 mannen doorstomen naar de grens bij Roesbrugge. Een tweede legerbende slaat de weg op die via Elverdinge en Woesten naar Veurne leidt. Een derde eenheid onder het bevel van de hertog van York verhuist naar de regio van Diksmuide. De drie afdelingen zullen gezamenlijk het kamp van Ghyvelde aanvallen om zich dan achteraf meester te maken van het noorden van Frankrijk.

Ierse ruiters moeten zich tussen Roesbrugge en Stavele door de Ijzer waden om via Beveren-aan-den-IJzer Frankrijk binnen te vallen en de vijand de weg af te snijden. Spijtig genoeg voor de ruiters hebben de Carmagnolen de bomen gekapt en daarmee de wegen ernaartoe geblokkeerd, de mannen moeten er met hun paarden aan de teugel te voet voorbijkomen, verliezen ze kostbare tijd en komen ze te laat om de Franse nederlaag te bewerkstelligen. Van Cappel-vijfweg tot aan Sint-Winoksbergen, van Wormhoudt tot aan Veurne, overal liggen de hofsteden er verlaten bij.

De ongelukkige boeren zijn op de vlucht voor de Fransen en wanneer deze moeten wijken zijn het nu de legerbenden van de bondgenoten die er hun slag slaan. Levende zielen zullen er er niet vinden. Geen volk, geen paarden of vee. Hier en daar liggen nog wat vruchten opgestapeld in de schuren. Een bezoek aan de hofsteden achteraf is ontnuchterend; het huisgerief en het akkergereedschap ligt rondgestrooid en vernield in en rond de huizen. Kasten en koffers staan opengebroken. De hele streek is verlaten, een duidelijk bewijs dat van alle rampen die de mens kan overkomen de oorlog wel de verschrikkelijkste moet zijn.

Dit is een fragment uit Boek 10 van De Kronieken van de Westhoek

Article Categories:
fragment uit deel 10
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Comments are closed.