Het bos van Houthulst of Vrijbos en nog enige kleinere bossen zijn de enige nog bestaande overblijfselen van het uitgestrekte oorspronkelijk woud.
Onze streek in de oudste tijden
Als men ons rijk Vlaanderen doorloopt, met steden waar prachtige gebouwen en kunst overvloeien, en met bloeiende gemeenten, zo naar gelegen de ene van de andere, wie zou kunnen denken dat een zo schoon en gunstig hoekje van ons land eertijds met uitgestrekte bossen bedekt was en ook met vruchtbare weiden, waarvan de toegang zeer moeilijk was door de nabijheid van moerassige en ongenaakbare gronden.
Het bos van Houthulst of Vrijbos en nog enige kleinere bossen zijn de enige nog bestaande overblijfselen van het uitgestrekte oorspronkelijk woud.
Het is daar de oorzaak waarom de inwoners van deze streek van de Romeinse heerschappij bevrijd waren, lange tijd nadat de naburige streken reeds onder de dwang van de meesters der wereld waren.
Deze streken waren bewoond door twee volkeren, beroemd in de oude tijden: de Menapiërs en de Morinen. De eerste bewoonden oorspronkelijk de twee oevers van de Yahal; maar verjaagd uit hun woonsten door de Tenchters en de Usipeters werden zij achteruit geslagen tot bij de Schelde, die ze overvaarden. Ze spreidden zich ten westen tot aan de oceaan en ten zuiden tot aan de Morinen, en bezaten alzo het grondgebied later in het bisdom Doornik begrepen, dat een groot gedeelte van het oud Vlaanderen samenstelde. Te weten Rijsel, Kortrijk, Gent, zelfs tot Brugge en Oudenaarde, langs de linkeroever naar Antwerpen en ook de kusten tot aan de grenzen van de Morinen.
Hun verblijf in het westelijk einde van het land is klaar aangeduid door Virgilius, die ze noemt ‘Extremi hominum Morini’ en door Pomponus Mela ‘Ultimi Gallicarum gentium Morini’. Een Gallische of Keltische oorsprong is hun toegeschreven en hun naam is uitgelegd door het Keltische woord ‘mor’, dat wil zeggen zee, omdat ze ten noorden en ten westen begrensd waren door de oceaan; of door het woord ‘moëres’, of moeras, omdat hun streek ermee bedekt was. Er bestaan nog overblijfselen van deze moerassen in hetgeen men noemt de kleine en de grote Moere, gelegen tussen Duinkerke, Bergen en Veurne. De Morinen hebben hun naam overgelaten aan het machtig bisdom van Terwaan.
De Morinen, zoals de Menapiërs bewoonden geen steden. Ze leefden in afgezonderde hutten of hoogten, die ongenaakbaar waren door de moerassen die ze omringden. Ten tijde van Julius Caesar was hun streek verdeeld in kantons, door deze generaal ‘pagi’ benoemd. Ze woonden graag in de schaduw van de bossen, legden zich toe op het kweken van bomen en ze waren er in geslaagd plataanboom van Azië aan hun luchtstreek te gewennen, een prachtboom die maar diende om hun woonst te versieren en hun schaduw te verschaffen.
De Romeinen stelden een taks op deze boom, in de streek van de Morinen die zo het genot van de schaduw moesten betalen, zegt ons de geschiedschrijver Dewez.
De Morinen en meestal deze welke het gedeelte van ons hedendaags Vlaanderen bewoonden, waren deze van onze Belgische volkeren die het langst weerstand boden aan Caesar, verdedigd, zoals wij zegden door bossen en moerassen. Ze werden nochtans onderworpen, hetzij door Labienus, hetzij door Sabinus en Cotta.
–
Pyrès in de krant van 1936 – www.historischekranten.be – Op basis van Warnkoenig ‘Histoire de Flandre’, in het Duits vertaald door Lambin.


