Voor Caesar ligt in 56 voor Christus de weg naar Engeland wijd open. In deze nederlaag hebben onze voorouders zo veel schepen en zo veel volk verloren, dat ze niet in staat zijn Caesar nog verder het hoofd te bieden. In augustus van het volgende jaar onderwerpen ze zich aan Caesar. De Romeinse era is nu definitief aangebroken.
Ze zal vierhonderd jaar duren. Aanvankelijk gebeurt die onderwerping niet met echte overtuiging. Met lange tanden dus. Veel families wijken liever uit naar Engeland dan te leven onder de dwingelandij van de Romeinen. Het aanvankelijk passieve verzet verandert geleidelijk aan in gewapende rebellie. De Romeinen zijn echter te sterk, de opstanden worden keer op keer onderdrukt en stilaan sterft het verzet uit. Met de evolutie van de tijd en de komst van nieuwe generaties begint de lokale bevolking zich aan te passen aan de bestaande situatie. Geleidelijk aan zal zelfs de dag aanbreken dat de jonge Morinen vrijwillig dienst zullen nemen in het Romeinse leger, en ver van huis en haard, hun trots zullen opofferen voor de glorie van Rome.
Na de slag van Quiberon bezit Caesar het volledige meesterschap over de zee. Al snel zullen expedities opgestart worden om Engeland te veroveren. Het verhaal van de expedities naar Engeland is een niet onbelangrijk onderdeel van de wereldgeschiedenis en speelt zich af in onze Westhoek. Onze voorouders hebben dan ook die gebeurtenissen meegemaakt.
In het najaar van 55 voor Christus wordt een eerste verkennende expeditie uitgevoerd. 10.000 Romeinen wagen de oversteek en ontschepen aan de zuidoostkust van Engeland. Ze ondervinden weinig tegenstand, maar de tijd om Engeland te veroveren is nog niet rijp. Caesar besluit zijn grote kans te wagen in de lente van het volgende jaar (54 voor Christus). Met een armada van 36.000 soldaten, 4000 ruiters en 600 schepen wil hij Engeland binnenvallen. Op enkele maanden tijd moet alles klaargemaakt en verzameld worden. In alle kusthavens worden met man en macht schepen gebouwd, wegen aangelegd en gebeurt alles wat nodig is om de invasie van Engeland tot een succes te maken. Langs de Onie gonst het van de bedrijvigheid.
Caesar koestert geen illusies over de betrouwbaarheid van het vijandige kustvolk. Het bouwen van zijn schepen wordt daarom toevertrouwd aan de plaatselijke scheepswerven, die echter onder bestuur en toezicht staan van vreemde specialisten en vaklieden. De plaatselijke bevolking moet zich tevreden stellen met handenarbeid, eigenlijk is het dwangarbeid, uitgevoerd onder militair toezicht, en dat voornamelijk bestaat in het droogleggen van grond, het delven van dijken, het vellen van bomen en het vervoer. Op 10 juni van het jaar 54 voor Christus ligt de vloot klaar in Portus Icius om uit te varen. Het duurt tot 5 of 6 juli vooraleer de vloot kan uitvaren. De expeditie slaagt. Verscheidene Britse volksstammen onderwerpen zich, offeren gijzelaars en beloven oorlogsschattingen te betalen.
Toch heeft Caesar zijn plannen niet volledig kunnen realiseren. Hij blijkt over onvoldoende manschappen te beschikken om een bestendig garnizoen op Engelse bodem te behouden en de beschikbare mannen zijn immers van doen op het vasteland waar de dreiging van oproer zorgwekkend is. Hij moet zich dus met de formele onderwerping van de Britse stammen tevreden stellen en vertrouwen stellen in hun beloften. Hij trekt al zijn troepen terug.
In september van -54 is Engeland al opnieuw ontruimd. Onder geschiedschrijvers wordt er over de exacte ligging van Portus Icius nog altijd geredetwist. In de hele discussie wordt er onvoldoende aandacht besteed aan de Vlaamse Westkust. Volgens schrijver Dumon is het helemaal niet onmogelijk dat de oude haven van Koksijde de Portus Icius van Caesar is geweest. Maar waarom dan? Caesar zelf schrijft in zijn boek ‘De Bello Gallico’ de volgende passage: ‘Omnes ad Portum Icium, quo est porto commo-dissimum in Britanniam trajectus esse cognovit’. In mensentaal betekent dit dat er een bevel wordt uitgevaardigd om heel zijn macht op één enkel punt samen te trekken ter hoogte van Portus Icius.
Hij kiest deze locatie uit omdat hij geen andere haven kent die beter geschikt is om de overvaart naar Engeland te dragen. Het feit dat Caesar uitlegt waarom hij Portus Icius gekozen heeft, laat vermoeden dat zijn keuze enigszins onverwacht is. In militaire en politieke kringen zal men wellicht verwacht hebben, dat het inschepen zou plaats grijpen in een haven die zeer dicht bij Engeland lag. De kortste weg is ver genoeg.
Maar de kortste weg is niet altijd de beste weg en het is dat wat Caesar precies wil onderstrepen. Hij heeft Portus Icius gekozen, zo verklaart hij, omdat het de best geschikte haven is, de ‘porto commodissimum’. Geen gewone expeditie is het die voor de deur staat. Het is een grootse en buitengewone onderneming. De ogen van heel de wereld staan erop gericht. René Dumon is hier wat subjectief. Caesar zal gevoeld hebben dat hij een reden moet opgeven waarom hij geen van de dichtst bij gelegen havens kiest om in te schepen.
Niet te Bonen, niet in Wissant en niet in Kales. De kortste weg heeft ongetwijfeld bepaalde voordelen, maar 800 schepen en 40.000 man laten vertrekken op één en hetzelfde tijdstip is iets waarvoor men verder dient te kijken dan alleen maar de kortste weg. Het komt er op aan een haven te vinden die voor zulke onderneming geschikt is. ‘Portus Icius’ ligt verder dan de andere havens, maar is wel bijzonder geschikt voor zijn grootschalige plannen. De andere havens dus niet.
Die het dichtst bij Engeland mogen trouwens worden uitgesloten omdat de Romeinse armada enkel en alleen via de stranden van de mogelijke Franse havens zou kunnen vertrekken. En dat wordt kordaat tegengesproken door Caesar die effectief schrijft dat er vertrokken wordt vanuit een haven. In oostelijke richting kunnen wij niet verder gaan dan de Onie te Nieuwpoort. De Onie is de voornaamste haven in heel het land van de Morinen, en zelfs tussen de Rijn en de Seine.
De Onie functioneert als de voorhaven van de Rijn. Caesar hoeft dus niet verder oostwaarts te kijken om een geschikte haven te vinden die aan de gestelde voorwaarden voldoet. Nochtans maakt hij geen keuze voor de Onie. Hij kiest voor de haven die bekend staat als Portus Icius. De Onie en Portus Icius kunnen onmogelijk één en dezelfde haven zijn. Het zijn totaal verschillende namen. Waar de schrijver Strabo voordien gedetailleerd de reis van de Rijnschepen heeft omschreven zonder enige allusie te maken op Portus Icius, schrijft hij in latere geschriften ‘Apud Morinos est Itium, quo usus est navali Divus Caesar, in insulam transmittens…’
Strabo verklaart dus dat de haven Itium (Portus Icius) in het land van de Morinen ligt en dat Caesar die haven gebruikt voor zijn militaire aanval op Engeland. Strabo maakt dus een duidelijk onderscheid tussen Portus Icius en de haven van de Rijnschepen. Het staat vast dat Portus Icius en de haven van de Onie allebei in het land van de Morinen gelegen zijn, maar het is ook duidelijk dat Portus Icius verder westwaarts ligt dan de Onie. Welke havens lagen er westwaarts van de Onie? We tellen de havens die wij al eerder geëlimineerd hebben niet mee.
De haven van de Aa in Grevelingen of de Gersta in de buurt van Duinkerke die zich uitstrekt tot aan St.-Winoksbergen zijn kanshebbers. Maar hun namen gelijken in niets op het magische Icius. Het zijn nochtans oeroude namen, die al in de Romeinse tijd moeten bestaan hebben. Maar waar ligt Portus Icius dan wel, vraagt Dumon zich af. Laat ons even alle aandacht schenken aan het oude Koksijde dat in de middeleeuwen een haven bezit die gevoed wordt door het Langelis dat via Veurne uit westelijke richting komt.
De Langelis verzamelde in de vroege tijden het water dat diep uit het Westland kwam en bracht het naar het kustgebied ter hoogte van een grote havenmond te Koksijde. Pas vanaf het begin van de 7de eeuw en het begin van de duinenvorming zal de loop van de Langelis gaandeweg en grondig wijzigen. Al na honderd jaar gaat de Koksijdse havenmond door verzanding ten onder. De nieuwe loop van de Langelis zal een andere uitweg zoeken die uiteindelijk zal leiden naar Nieuwpoort.
Halfweg tussen Nieuwpoort en Wulpen ligt Steendam. In de 19de eeuw is daar een steenbakkerij actief waar bij het graven naar klei gedurende dertig jaar allerhande merkwaardige oude voorwerpen worden opgegraven. Eigenaar Isidoor Florizoone vindt het bizar dat op sommige plaatsen van het bedrijf er maar een zeer dun laagje klei aanwezig is.
In tegenstelling tot wat er op andere plaatsen wordt waargenomen, de kleilaag rust meestal op een laag veengrond, rust het kleilaagje hier enkel op zeezand. Van veengrond is er geen sprake. Florizoone ontdekt al vrij snel dat hij zich in de zaat bevindt van een verdwenen waterloop van meer dan honderd meter breedte, die komende vanuit oostelijke richting zich enkele kilometer verderop in zee zal gestort hebben. Het moet een waterloop van grote omvang geweest zijn, een waterloop van belang die beschikte ook over een machtige toevoer van stuwwater.
Metingen wijzen uit dat de waterloop zich tussen Oostduinkerke-Dorp en Koksijde-Bad in zee stort. Precies op de plaats waar zich nu Doornpanne situeert. Boringen in Doornpanne tonen aan dat er ook hier geen sprake is van veengrond. Het duinzand rust er op lagen zeezand en van klei is er amper sprake. Er kan ook geen twijfel bestaan dat er vroeger een waterloop heeft bestaan die zich te Koksijde in zee wierp. We komen even terug op de vondsten van onze bakstenenfabrikant Florizoone.
In de honderd meter brede zone tussen linker- en rechteroever van de verdwenen stroom, dus waar de stroom zich effectief bevond, wordt helemaal niets van oudheidkundige waarde gevonden. De oevers zelf bestaan uit zand, maar weg van de oevers, waar de bovengrond uit zware kleilagen bestaat, worden massaal veel voorwerpen opgegraven. Op géén andere plaats in de regio worden dusdanig veel oude schatten opgegraven. Deze voorwerpen worden alle gevonden onder de klei en rusten op de veengrond. Ze behoren tot de vroegste Romeinse tijden en zelfs tot het Frankisch tijdvak.
De vondsten vormen een uniek bewijs dat er langs die grote stroom gedurende zeer lange tijd sprake is van bewoning en dat die bewoning zo goed als verdwenen is bij de overstromingen van de 8e eeuw. De vondsten uit de Romeinse tijd zijn zo overweldigend en zo verschillend, dat het zelfs mogelijk is uit te maken hoe de gewoonten en de gebruiken van de bevolking, van tijd tot tijd, veranderingen hebben ondergaan, hoe bestaande producten door nieuwe werden vervangen, en hoe de mensen zich aan nieuwe gedachten en doorheen de nieuwe tijden hebben moeten aanpassen.
Op de linkeroever van de stroom wordt een vracht steenkolen opgegraven, net op hetzelfde peil als het Romeinse vaatwerk, de terra siggilata. Deze kolen moeten dus in de Romeinse tijd ingevoerd zijn. Onderzoek naar de oorsprong ervan laat geen twijfel over bestaan dat de kolen afkomstig zijn van het Engelse Newcastle. We staan hier dus effectief voor een haven die al in voorhistorische tijden bestaan heeft en die door de Romeinen als handelshaven werd gebruikt. Deze machtige en brede stroom kan onmogelijk van water voorzien zijn door de binnenwateren van de Westhoek.
Alleen een combinatie van Ijzerwater en de Westhoekse binnenwateren moet in staat geweest zijn om die massale waterstroom te produceren. De Ijzer moet in vroegere tijden een andere loop hebben gevolgd dan de koers die hij anno 2014 beschrijft. Hij heeft er trouwens, met een uitweg langs Koksijde geen behoefte aan zijn water noordwaarts in de richting Nieuwendamme te sturen. Ergens bij Stuivekenskerke ligt een veel gemakkelijkere weg open die leidt naar Koksijde en de zee. De weg naar Nieuwendamme is trouwens versperd door de zandbodem tussen Nieuwpoort, Koksijde en Mannekesvere.
De Ijzer moet deze versperring uiteindelijk doorboord hebben om de binnenwateren finaal tot aan de zee te brengen. Het zwakste punt van de zandbodem, de zandhoogte bij de Uniebrug te Sint-Joris zal het eerst begeven. Daardoor kunnen de Ijzer en de Onie zich verenigen en samen hun weg zoeken naar zee. Beroofd van het Ijzerwater, zal de havenmond te Koksijde nu op korte tijd volledig verzanden. De binnenwateren van de Westhoek zijn alleen niet bij machte om de monding open te houden. Op hun beurt moeten deze nu een nieuwe uitweg vinden naar zee. Dit lukt door de zandbodem door te breken te Nieuwpoort. Het zijn ingrijpende gebeurtenissen die zich voordoen in de loop van de 8e eeuw.
Maar we keren snel terug naar het Romeinse verleden. Is het mogelijk dat de illustere Portus Icius die verdwenen haven van Koksijde is? Die haven moet zich tot diep in het land ingesneden hebben. In Steendam is de geul nog altijd honderd meter breed en moet hij dus in staat geweest zijn tachtig aanmeerplaatsen voor de vloot te bezorgen. Op zijn oevers is er ruimte genoeg om 40.000 man troepen en 4.000 paarden een onderkomen te verschaffen. Allemaal in afwachting van hun afvaart naar Engeland.
En het leidt bovendien geen twijfel dat de havenmond ter hoogte van Koksijde in Caesars tijd een flink stuk breder is dan die honderd meter verder stroomopwaarts. Uit de berekeningen van René Dumon blijkt dat Caesar ongetwijfeld in staat moet geweest zijn te Koksijde heel zijn vloot op één enkel tij in zee te sturen. De schrijver roept nog even de hulp in van de plaatsnaamkunde, de toponymie. Wij spraken al over de gebeurtenissen uit de 8e eeuw, toen de rijzende binnenwateren zich genoopt zagen nieuwe uitwegen te zoeken te Sint-]oris en te Nieuwpoort. Deze toestanden hebben geleid tot een uitgebreide overstroming van de vlakte van de Westhoek. Op enkele uitzonderingen na was die vlakte, bij hoog tij, eigenlijk een uitgestrekt meer geworden.
Het hoeft daarom niet te verwonderen dat men heel de vlakte tussen Koksijde en Diksmuide als een delta, een golf, of een havenmond heeft kunnen beschrijven. Een plaats, gelegen op achttien kilometer van de huidige kust, Diksmuide, wordt in 961 beschreven als Dicasmutha wat eigenlijk betekent: de Icsmond, de monding van de waterloop met de naam Ics. Het is een benaming die zijn oorsprong vindt in de achtste eeuw. In Dicasmutha of d’ Icsmond, vinden wij hoogstwaarschijnlijk de oorspronkelijke naam van de stroom die Diksmuide met Koksijde verbond, de Ics. Het is immers dezelfde stroom die ten westen van Diksmuide bekend staat als de Ijzer. Heel dat westelijk gebied geraakt trouwens bekend als de IJzergouw of de Pagus Isseretium.
In de 9e eeuw doorboort het westelijke IJzerwater de zandbodem ter hoogte van de Uniebrug te Sint-Joris, met het gevolg dat het zich op de noordoostkant van Nieuwpoort uitspreidt. Het water mengt zich daar met dat van de Onie. Er ontstaat een nieuwe delta die in 840 omschreven wordt als ‘in sinum qui vocatur Isere Porrus’. In 961 wordt dat ‘Isere Portus in finibus Menapum’. Aan de kust, waar de Ics in de zee uitmondt, ligt Koksijde.
Vroeger werd deze naam Coxie uitgesproken. Het achtervoegsel ‘ijde’ of ‘ie’, ook bekend bij andere kustgemeenten, betekent ‘aanlegplaats voor zeeschepen’. Coxie Ide is dus een zeehaven, de monding van de Ics. Te Koksijde is het bestanddeel Ics echter hetzelfde niet meer als te Diksmuide. De ‘I’ is vervangen door een ‘O’. Dit is echter zonder belang, daar de klanken ‘IX’ en ‘OX’ verwisselbaar zijn. Ze zijn trouwens ook verwisselbaar met de klanken ‘EX’, ‘AX’ en ‘UX’. Al deze klanken spruiten immers voort uit de Keltische woordwortel ‘Uisge’ (of ‘llisc’), die de betekenis heeft van ‘water’.
Dit is een fragment uit Boek 1 van De Kronieken van de Westhoek


