Anno 1678 is binnen de stad van Ieper getrouwd een zekere Emmanuel Coolbrandt, met Catharina Pannekoucke, in de wandeling genaamd Calle Pannekoucke, welke wonderbare avonturen aldus beschreven werden.
Deze week maakte ik kennis met onderstaand bijzonder sappig (smeuïg) verhaal. Ter titel van inlichting: de Oude Kleermarkt waarvan sprake is nu de Merghelynckstraat (naast het Zilveren Hoofd). De Klierstraat waarvan sprake was een zijstraat van de Sint-Jacobstraat.
Ik heb bewust zoveel mogelijk de oude taal van dit handschrift behouden en slechts sporadisch wijzigingen aangebracht in de oude spreektaal.
………….
Anno 1678 is binnen de stad van Ieper getrouwd een zekere Emmanuel Coolbrandt, met Catharina Pannekoucke, in de wandeling genaamd Calle Pannekoucke, welke wonderbare avonturen aldus beschreven werden. Deze Catharina Pannekoucke was geboortig van de parochie van Ekelsbeke, van arme en slechte ouders dewelke ze jong verloren hebbende, van de dis besteed was bij een schaapherder, waar ze de koeien moest wachten en alle slechte diensten van het huis moest doen, slecht gekleed en daar kwalijk onthaald.
Maar na daar 5 à 6 jaar gediend te hebben is ze op een morgen weggelopen, uit vrees van slagen te krijgen, om dieswille dat ze een zwijn had verachtzaamd van het eten geven dat de moord gesteken was. Ze liep van de ene parochie naar de andere, levende met een bedelzak. Ten laatste is ze tegen de avond binnen Ieper gekomen en niet wetende waar te gaan slapen vermits ze geen geld had is ze gaan zitten op de grote hallentrappen waar ze weende van de honger.
Daar kwam Manten Coolbrandt voorbij, een jongman die bij zijn moeder, een weduwe woonde. Deze Manten was een biervoerder en was gewend de kolen te lossen en deze naar de burgershuizen te dragen waardoor hij vaak zo zwart was als een Moor. Deze man nu half dronken zijnde vond het gezeide meisje daar zitten en vroeg waarom ze weende. Ze antwoordde dat ze geen eten had en niet wist waar ze kon gaan slapen vermits ze geen geld had en hier in de stad niemand kende. Want ze was nog nooit binnen Ieper geweest.
Manten Coolbrandt kreeg medelijden met dat arm meisje en zei; ‘kom met mij mee, ik zal u eten, drinken en slaping geven. Calle Pannekoucke is dan met Manten naar zijn huis gegaan. En binnen komende zei Manten aan zijn moeder; ‘ge moet dit meisje eten en drinken geven en hier deze nacht laten slapen want ik heb haar op de straat gevonden, flauw van de honger en zonder geld. Nadat ze gegeten en geslapen had, vroeg de moeder van Manten ’s anderendaags wat Calle Pannekoucke beschikte van te doen in de stad en hoe ze aan de kost wilde geraken.
Ze zei dat ze niet het niet wist omdat ze geen handwerk kende en dat ze nooit iets anders gedaan had dan om te gaan met koeien en zwijnen. Waarop Mantens moeder haar vroeg of ze wilde gaan dienen. Ze antwoordde van ja, maar dat ze hier bij niemand geen kennis had en niet wist waar ze zich moest gaan presenteren. En daarop zei de moeder dat ze zelf voor haar een dienst zou kijken. Dan is Maarten Coolbrandts moeder gegaan naar een rijke juffrouw, met name Theodona Adriaensen.
Deze juffrouw was al voor de derde maal weduwe want alle drie haar mannen waren verongelukt. De eerste was de heer Jaesber Vandewynckel die met de juffrouw nauwelijks een jaar getrouwd was toen hij ging jagen boven het Hooghe waar hij van een dolle hond werd gebeten en waardoor hij stierf. De tweede man was de heer Quirinus Schoonaert die na een huwelijk van een half jaar met juffrouw Adriaensen, en lopende met schaverdijnen op de Leie te Menen verdronk. Haar derde man was de heer Alexis ….die na een huwelijk van twee jaar te Poperinge verongelukte met zijn eigen paard. Deze juffrouw was nu al meer dan twintig jaar weduwe en bij haar woonde een van haar nichten, een oude en gewezen geestelijke dochter die grote koopmanschappen bedreef in fijn spellewerk en kant, aan dewelke Manten Coolbrandts moeder gewend was handwerk te verkopen. Bij deze kennis ging de moeder naar de gezeide weduwe, haar vragende of ze geen arm meisje wilde aanvaarden als dienstmeid, welke ze uit medelijden deze nacht logies, eten en drinken gegeven had omdat ze niet over geld beschikte. Waarop de juffrouw antwoordde dat ze na de middag zou kijken naar dat meisje om te zien met welke postuur ze te maken had om haar eventueel in dienst te nemen.
Dus bleef Calle Pannekoucke bij Mantens moeder om het noenmaal te verorberen en na het eten zijn ze dan samen naar het huis van de juffrouw gegaan. Maar toen juffrouw haar bekeek en zag hoe slecht en armtierig ze gekleed was, alleen aanhebbende een slechte stropmuts vol scheuren en lappen, haar haar in ‘stessen’, een stoppenhemd met daarop een slecht roklijf van stoppekoorden in plaats van baleinen gemaakt en een paar rode roklijfmouwen, een slecht en kort flanellen rokske die nauwelijks tot haar knieën kwam, vuile en beslijkte wollen kousen en een paar slechte slaffers of versleten mansschoenen aan.
Toen deze juffrouw haar arme gesteltenis bekeek wilde ze het meisje geenszins aanvaarden. Maar Mantens moeder sprak voor haar en zei dat ze een werk van barmhartigheid zou doen, dat het een verloren meisje was die noch vader noch moeder had, dat ze geen handwerk kende en dat ze van alles onwetende was. Ze zou Calle kunnen leren naar haar hand en dat ze er niet aan twijfelde dat ze snel alles zou kunnen aanleren omdat ze nog maar 16 jaar oud was. En dat ze wel beleefd en gehoorzaam was geweest enzoverder, enzoverder.
Met al deze redenen was juffrouw Adriaensen nog niet te vermurwen en ze zei rechtuit dat zij dat meisje onder geen beding kon aanvaarden als dienstmeid omdat ze zo slecht gekleed was en omdat ze zo bot en plomp en er dus ondienstbaar uitzag. Maar die geestelijke oude loopvrouw van fijne kant die meewoonde bij juffrouw Adriaensen heeft door het schoon spreken van Mantens moeder uit caritate dat arm meisje als haar dienstmeid aangenomen, op voorwaarde dat ze nog acht dagen ten huize van Manten Coolbrandts moeder zou blijven om daar helemaal gekuist te worden en binnen deze tijd ook in nieuwe kleren verkleed te worden om dus eerbaar in haar dienst voor de mensen te kunnen verschijnen.
Ze huurde deze Calle Pannekoucke voor de tijd van drie jaren onder de voorwaarden dat ze het eerste jaar maar twee pond zou verdienen, drie pond voor het tweede jaar en vier pond voor het derde jaar. Alzo bleef het meisje nog acht dagen in Coolbrandts huis en ze werd geheel in het nieuw gezet, ten koste van haar meesteres, maar op een afverdienen. Dan is Calle Pannekoucke in haar dienst gegaan, waar ze goede dagen had, de ‘heuke’ naar de wind heeft gehangen en juffrouw zodanig wist te believen dat zij, na het derde jaar met juffrouw te hebben gewoond zo in haar gratie stond dat juffrouw aan Calle Pannekoucke beloofd heeft, ze in cas dat ze altijd haar best zou doen en bij haar zou blijven dienen tot juffrouw zou komen te sterven, dat ze in haar testament zou gegeven hebben van 1.600 kroonstukken in geld en al het garen dat ze in haar winkel zou gehad hebben. En dat ze de koopmanschap in fijne kanten zou aangeleerd hebben.
Nadat Pannekoucke, nu meer als winkeldochter in plaats van dienstmeid gediend had begon ze het hoofd in de lucht te steken, zich schoon op te tutten en op te pronken met allerhande nieuwe modekens zodat ze meer op een juffrouw geleek dan op een dienstbode. Daar en was voor haar niets te goed, te schoon noch te kostelijk, ja, ze ging zelfs volgens de nieuwe Franse mode met blote hals, blote schouders en blote borsten.
En waar ze toen ze voor het eerst nog voor ze diende in de stad gekomen was helemaal mager, blauw en ziekelijk was, bleek ze nu door de goede dagen zo wel vollijvig en fors geworden, dat ze dezelfde niet meer geleek. Ja; ze werd zo hovaardig dat ze zichzelf niet meer kende, zoals het spreekwoord ons leert; ‘als niets komt tot iets, iets kent zijn zelven niet’. Door haar buitensporige pronkwaarde die ver boven haar staat was, werd ze onder de mensen dewelke haar verworpen en haar slechte conditie maar al te wel kenden, en nu haar grote krop en hoogmoedigheid niet konden verdragen, door ruggespraak nu al beklapt en onder de hand beschimpt. In zover zelfs een beruchte poëet, met name Hubertus De Hollander, schoolmeester binnen Ieper en griffier van de prinselijke gilde van Sinte Anne, ten verzoeke van verscheidene personen en ter spot van deze vermetele en hovaardige Calle Pannekoucke dit volgend schimpdicht heeft gecomposeerd;
Daar was een boerenmeid in Ieper-stad gekomen,
geleden twee, drie jaar. Ze had dienst genomen,
was simpel, boertig en plomp, onnozel als een kind,
gelijk men op het land nog veel boerinnen vindt,
Ze kwam met een stropmuts aan, met stessenhaar daardeure,
callierblad tot de keel, gelapt met menige scheure,
een rood genaaide lijf- en rok tot de knieën,
waarvan men overal haar stoppenhemd kon zien,
twee kousen fjn gestopt gelijk een hommelbeele,
geel en groezelig geverfd van koestront en aale,
twee schoenen met hooi gevuld van voren als een schuit,
waardoor men lippen zag de groene koestront uit.
Dat gij nu zag deze meid, ’t is wel een ander dingen,
het haar op haar hoofd gesneden, bij krullen met stringen,
van achter à tégnon, van voren à fryser,
en het hoofd wit als een duif rondom bien poudrée,
met een doormoeste huid van kesp of fijne kanten,
gesneden van een stuk met een paar ingazanten,
een gouden keten met een kruis aan haar hals,
twee oorlingen fijn van stenen en niet vals,
met hals en schouders bloot , naar de mode van de Fransen.
Waarop dat cupido zeer geestig weet te dansen.
Men ziet haar van gelijk met blote borsten gaan,
zoals een action gezien heeft een indiaan.
Haar spraak is lieftalig, al vleien en al strelen,
net of zij vijftig jaar bewoond heeft de kastelen,
van Madril of Versailles bij Parijs,
zij windt met haar tong alom de opperprijs,
ze heeft een gemaakte stap en gaat als spertelbilken,
met het hoofd recht in de lucht, het kan niet veel schelen,
of wel, ze beeldt zich in dat ze wel vast en dicht,
van keizer Karels kat geworden is de nicht.
Draagt kousen fin couleur met goud of zilver klinken,
twee schoenen van Spaanse leer die naar geen koestront stinken.
Wat dunkt u van die meid, men laat deze pop staan,
want ze toont de wereld met een masker aan.
Aldus werd die waanzuchtige sloof, dewelke van een armoedige en verhongerde boeren koewachter veranderd was in een hovaardige juffrouw binnen de stad van Ieper uitwendig geëerd maar achter de rug van eenieder beschimpt. Ondertussen, nadat Calle Pannekoucke nu tien jaar met die devote juffrouw gediend had, is haar meesteres komen te sterven en ze heeft volgens het geschreven testament voor zich bekomen een som van 1.600 kroonstukken en al het garen van de winkel dat wel tweemaal 1.600 kroonstukken geschat werd. Met dit fortuin is Calle Pannekoucke een volmaakte juffrouw geworden en terwijl ze het koopmanschap van fijne kant geleerd had heeft ze voor haar eigen een schoon huis gehuurd en een dienstmeid aangenomen. Ze heeft de winkel van fijne kant aangehouden met welk koopmansschap ze heel rijk is geworden. Zodat ze niet meer Calle Pannekoucke maar juffrouw Pannekoucke genoemd werd.
In deze gelukkige staat werd ze door verscheidene treffelijke jongemannen en weduwnaars ten huwelijk gevraagd. Maar ze was zo vermetel dat ze met niemand wilde trouwen, tenzij met een edelman. Haar hoogmoed werd zodanig geminacht dat verscheidene treffelijke jongemannen die door haar geweigerd waren nu de hoofden bijeen staken en onder elkaar beraamden om deze opgeraapte juffrouw eens een wijd beroemde poets te bakken. Ze vergaderden eens tesamen in de hostellerie genaamd ‘De Hert’ in de Klierstraat en ontboden daar onze Manten Coolbrandt die zoals hierboven beschreven staat, nu al 12 jaar geleden deze juffrouw Pannekoucke als een bedelares gevonden had, zittende op de grote hallentrappen, en door zijn goedheid en zorg van zijn moeder haar zover hadden voortgeholopen dat ze aan die goede dienst en uiteindelijk aan dat fortuin geraakt was.
Ze vroegen aan Manten Coolbrandt of hij hun raad wel zou willen volgen om deze opgeraapte en waanzuchtige juffrouw Pannekoucke een befaamde poets te spelen en om haar hoogmoed te dempen en haar geringe staat te doen erkennen. Waarop Coolbrandt aanstonds antwoordde van ja, daarbij voegende dat hij dit zelfs graag zou doen om haar hovaardige kop te doen vernederen, om dieswille dat het hem speet dat ze zelfs veinsde van hem niet te kennen toen hij soms in haar huis ofwel een ton bier of kleinbier of enkele kolen moest binnendragen.
Ja; dat ze nooit voor hem een pint en zou getapt hebben, hoewel ze wel wist dat hij de oorsprong van haar geluk was. Nu zegden de jongemannen; we zijn zinnens van haar een lekkere koek te bakken, dewelke haar niet wel zal smaken. En ondanks het feit dat ze een fortuin bezit willen we zo veel teweeg brengen dat gij met haar zal trouwen, want we weten wel dat gij nog jongeman zijt en slim genoeg bent om ons voornemen uit te werken.
Ja, zei Manten, willen jullie mij daarbij assisteren en mij de middelen bezorgen die daartoe nodig zijn, ik zal me uitgeven voor een Spaanse edelman. Dat is ook onze mening antwoordden de jongelui want we weten dat ze niet met iemand wil trouwen als die uit geen edele familie stamt. Om dan haar trots te breken zullen we u op onze kosten een treffelijk edelmanskleed bezorgen en twee vreemde boerengasten met nieuwe livreien die zullen spelen als uw dienaren en ge hier in een kostelijke omgeving zal logeren.
En we zullen u genoegzaam geld en andere benodigdheden ter hand stellen om onze beschikte farce wel uit te voeren. Maar ge moet bij het biervoerdershuizeken laten weten dat ge tenminste voor een maand de stad uit zijt en naar Brussel moet gaan om uw vrienden te bezoeken en alzo een reden voor uw afwezigheid kunt geven. Zo moeten ze niet achterdochtig zijn dat ge u op die manier vermomd onder de kleding van een edelman verschuilt. Wij bidden u dat ge al uw krachten, al uw boosheid en verstand zou inspannen om ons ze beschikt plan uit te voeren en samen tot succes kunnen komen.
Twijfel niet, antwoordde Manten Coolbrandt of ik zal die vogel wel in het net zien te krijgen. Dus zijn ze na veel andere afspraken en opmerkingen van elkaar gescheiden. Acht dagen daarna is Manten Coolbrandt naar Brugge gereisd, pretenderende aan zijn gezellen van de bierwerkers en zelfs aan zijn moeder en andere bekenden dat hij naar Brussel ging om zijn vrienden te bezoeken, tenminste voor een maand. En Manten was in dit geval zo voorzichtig dat hij aan niemand zijn plannen veropenbaarde, denkende als ik het eerst kan zwijgen, een ander zal het nog gemakkelijker kunnen verzwijgen.
Hij werd daar als een edelman gekleed, kreeg twee vreemde boerengasten, dewelke van deze zaak niet afwisten en nu zijn dienstboden zouden worden, gekleed met vreemde en onbekende livrei. Met hen is Manten Coolbrandt in een carrosse naar Ieper gekomen en hij ging logeren inde gezeide herberg genaam ‘Den Hert’ in de Klierstraat, aan de hoek van het gevangenisstraatje, zuidwaarts, zich uitgevende voor een Spaanse edelman, onder de naam van Don Brandoloco in de plaats van Coolbrandt, zijnde als een anagram of letterwisseling van zijn toenaam.
Dezelfde jongemannen kwamen ’s avonds met hem het avondmaal nemen, veinzende dat ze met deze Spaanse edelman grote zaken deden, hem altijd zeer dikwijls noemende Seignoir Don Brandoloco. Tijdens het avondmaal beraamden ze op het allerbekwaamste middel waarmee ze hun doel zouden bereiken. ’s Anderendaags ging onze Don Brandoloco met zijn twee dienstboden door de stad naar het huis van juffrouw Pannekoucke waar hij vroeg of ze verscheidene schone en van de allerfijnste stukken kanten te verkopen had. Ze antwoordde van ja en leidde mijnheer in een kamer waar ze verscheidene stukken van fijne kant toonde, van dewelke hij er enkele kocht en seffens betaalde.
Daar hij nog tien of twintig andere stukken besprekende die juffrouw Pannekoucke moest wegleggen en voor hem bewaren tot hij naar zijn zusters, zo versierde hij een geschreven en antwoord ontvangen te hebben. Waarop juffrouw Pannekoucke een fles wijn deed brengen en die met mijnheer daar uitdronk. Onder andere gebloemde redenen verhaalde mijnheer Don Brandoloco dat hij een Spaanse edelman was, dewelke binnen Madril drie zusters had, dat hij dikwijls in Vlaanderen kwam om grote affairens te verrichten en dat hij altijd enkele kostbare stukken spellewerk kocht voor zijn zusters en zijn vrienden.
Hij vertelde ook dat hij nog jongman was en dat hij van zinnen was in Vlaanderen te blijven wonen en hoopte dat hij hier in Ieper zijn ware vrouw zou vinden hij wel van plan was om zich hier definitief te vestigen. Hij zei dat hij hier gelogeerd was in de herberg ‘Den Hert’ in de Klierstraat en dat hij wenste het geluk en de eer te hebben om juffrouw Pannekoucke uit te nodigen op het aanstaande avondmaal. Ter oorzake dat hij met haar wel graag tot een akkoord zou komen over de prijs van enkele stukken spellewerk en kant om zo in het geval deze kant te kunnen aankopen voor zijn vrienden. Hij had het over wel 25 stukken van elke soort, op korte termijn van de juffrouw aangekocht te hebben.
Samengevat: onze gemaakte Spaanse edelman wist juffrouw Pannekoucke zo ver te bepraten dat ze in de hoop van zijn toekomstige klandizie blijstemmig toestond om met hem het avondmaal te nemen. Hiermee is onze vermeende edelman naar zijn logies teruggekeerd, en tegen het noenmaal wisten enkele van de bewuste jongemannen zich bij Manten, in zijn hostellerie met hem het noenmaal te nemen. Toen vertelde hij hoever hij juffrouw Pannekoucke gekregen had dat ze met hem vanavond met hem een maaltijd zou nuttigen. En hij verhoopte om in korte dagen van nu die vliegende en trotse en hovaardige vogel welhaast in het net te krijgen. Waartoe de gezeide jonkers hem zeer gewillig toe opstookten.
Ze lieten trouwens overal door de stad aan alle bekenden weten en rondstrooien, de valse mare dat er een belangrijke Spaanse edelman in de stad gekomen was en dat deze logeerde in ‘Den Hert’. Ze zonden een vrouw uit die gewend was haar werk aan juffrouw Pannekoucke te verkopen met de opdracht om haar te gaan vertellen over die edele jongeman in de herberg ‘Den Hert’ in de Klierstraat die alle kantwinkels in de stad had afgelopen en overal menigvuldige stukken kant gekocht had. Die avond zond onze versierde edelman een carrosse met zijn twee dienstboden naar juffrouw Pannekoucke om haar naar zijn herberg te brengen en hij had de kok belast van een treffelijk traktaat klaar te maken omdat hij een juffrouw van de stad verwachtte. Juffrouw Pannekoucke stapte bij haar woonst met vol welbehagen en verwaande glorie in deze carrosse die haar ging voeren naar deze grote edelman. Ze had zich hiervoor zeer treffelijk opgezet en gepareerd met haar beste kleren, met blote hals, schouders en borsten, baggen en juwelen, als een aardse godin, want mogelijk was dit haar eerste reis van haar leven in een carrosse gevoerd werd.
Nu met die carrosse in de hostellerie aangekomen zijnde was onze gewaande edelman aanstonds vaardig om deze juffrouw vanuit de carrosse bij de hand te geleiden tot boven in de kamer. Manten wist met veel complimenten juffrouw zeer geestig te onderhouden, totdat het avondmaal opgedist werd waar niets aan ontbrak. Zowel in de lekkernij van de spijzen als van drank. Tijdens het avondmaal sprake onze edelman niet veel over het kopen van spellewerk en kant, maar zijn gesprekken concentreerden zich op niets anders dan om de juffrouw te believen en haar te verleiden tot een wederzijds gelukkig huwelijk.
Juffrouw, door de drank het hoofd verwarmd zijnde, en door zijn strelende en honingzoete vleierij was door haar onvervarenheid helemaal ondersteboven door zijn zeemstrijkende woorden en zijn goede redekavelingen te beantwoorden scheen aanstonds zeer gewillig om zijn verzoek te consenteren. En toen Manten dit begon te bemerken nam hij zijn slag waar en vroeg tussen een goede roemer wijn het jawoord van onze juffrouw om met haar te trouwen. Juffrouw Pannekoucke scheen in den beginne meer bedwelmd door deze vraag als onwillig en terwijl ze bij zichzelf dacht dat dit een goede occasie was omdat ze al zo vaak gewenst had om met een edelman te kunnen trouwen.
Ze wilde deze kans nu niet laten voorbijgaan en gaf hem voor antwoord dat zij zichzelf nog in de onverbrekelijke band van het huwelijk zou willen begeven. Maar dat ze zou willen verzekerd zijn van hier in de stad van Ieper te kunnen blijven omdat ze in geen geval uit de stad zou willen vertrekken om in een andere stad of in een ander landschap te gaan wonen. Als het maar dat is, zei onze vermeende edelman, hetgeen u zou kunnen weerhouden om met mij te trouwen is voor mij gemakkelijk om toe te geven, aangezien ik zelf van zin ben om in deze stad van Ieper, welke mij wonderlijk aanstaat te blijven en hier het einde van mijn leven te eindigen.
Dus gaf juffrouw Pannekoucke op deze conditie het jawoord aan Manten Coolbrandt van binnen de tijd van acht dagen met hem te trouwen en Coolbrandt, greep haar rechterhand vast, trok een gouden ring van zijn vinger en stak deze, op belofte van huwelijk aan haar vinger en zij van gelijke vereerde onze edelman met een van haar ringen. Ze besloten van op de dag van morgen, de voorwaarde van hun beschikt huwelijk te zullen voltrekken. Dus, als het nu omtrent middernacht was, werd juffrouw met dezelfde carrosse en dienstboden, met mijnheer aan haar zijde naar huis gevoerd. En aan de dorpel van haar voordeur met een minnezoen een geruste nacht toegewenst.
’s Anderendaags in de morgen waren de gezeide jongemannen nieuwsgierig om te weten hoe de opgezette edelman het met juffrouw Pannekoucke gesteld had. Nu ze uit zijn mond hoorden dat ze al haar jawoord gegeven had en dat hun contract nog diezelfde dag zou afgesloten worden, hebben ze Manten onderricht op welke wijze hij het contract zou moeten opstellen. Ze pepten hem op dat hij inderdaad het ijzer moest smeden terwijl het gloeiende was en die vogel in het net te stropen en er goed voor te zorgen dat er nergens een scheurtje in het net kon komen waardoor de vogel zich kon bedenken en zou wegvliegen.
Hij moest in geen geval de onkosten ontzien en daarop schonken ze hem een beurs van 29 gouden guineeën. Op de middag werd juffrouw Pannekoucke met de carrosse afgehaald en naar zijn herberg gebracht waar een notaris werd ontboden. De uitbater van Den Hert diende voor onze gewaande edelman voor getuige en de heer Godefroy ….., haar huismeester diende als getuige voor de juffrouw. Ze hebben dan de huwelijksvoorwaarden onder elkaar besproken en besloten. Onder de belangrijkste punten stond er geschreven dat wie het langste zou leven alles zou blijven behouden, uitgenomen dat hij of zij een schone uitvaart moest betalen tot lavenis van zijn of haar ziel en een heel jaar lang elke zondag een zielemisse te doen lezen en daarbij telkens aan de armen 50 witte broden van twee stuivers uit te delen. Ze droegen aldus al hun goederen aan malkander op, ter oorzake dat onze gemaakte edelman van Spanje was en hier geen vrienden noch familie had zoals hij beweerde. En zij gaf voor reden dat ze van geen vrienden wist en er ook geen kende. Ze deed dat uit hovaardigheid om verborgen te houden dat ze van van slechte en geringe familie was. Het contract werd zo ondertekend en nu beschikten ze kort en goed om op aanstaande maandag met elkaar te trouwen.
Onze jonkers die hun farce nu al zo ver gevorderd zagen waren ten zeerste verblijd en bedachten alle middelen om na het trouwfeest hun personnage te spelen om deze verwaande opgeraapte juffrouw Pannekoucke door heel de stad beschaamd te maken. De trouwdag aangebroken zijnde was juffrouw opgepronkt met een nieuwe damasten robe, baggen en juwelen, naar behoren zoals een aardse godin, ver boven haar staat en ze werd in de carrosse gevoerd naar het klooster van de Nonnebossen waar de ceremonie van het huwelijk moest geschieden, in welke kerk al de jongemannen die haar deze poets wilden spelen zich ongenodigd lieten vinden. En na de melding, lachten en spotten ze dat ze juffrouw veel geluk toewensten.
Tot nu toe was er niemand in de stad die wist dat deze versierde edelman onze Manten Coolbrandt was, biervoerder en kolendrager uit de stad. Zelfs zijn moieder en zijn gezellen, de bierwerkers, noch de waard waar hij gelogeerd was, noch zijn knechten die alleen maar vreemde boerengasten waren. En niemand van Mantens vrienden. Ondertussen werd de bruiloft gehouden op de Oude Kleermarkt waar de bruid tevoren woonde. In de namiddag ging de bruidegom naar zijn moeder en maakte haar kenbaar wat er geschied was. Van daar liet hij zich vinden, samen met de voorzeide jongemannen in het biervoerdershuizeken waar hij zijn kompanen vertelde dat hij vandaag getrouwd was. Zijn vrienden verzochten de biervoerders om tegen de avond met alle mogelijke en bedenkelijkste spotternij aan zijn voordeur te komen met de belofte dat ze te drinken zouden krijgen zo veel ze maar lustten.
De biervoerders die het nieuws horen dat hun compagnon Manten Coolbrandt, in de kleding van een edelman nu met juffrouw Pannekoucke getrouwd is waren niet zonder reden verwonderd, en door hen vloog de mare van dit trouwfeest op één uur tijd door de hele stad. Bij duizenden mensen liepen gedurig de Oude Kleermarkt over en weer terwijl ze de komst van de biervoerders afwachten. Bij het vallen van de avond, terwijl de bruidegom met zijn bruid en enige genodigden zeer vrolijk waren, kwamen de biervoerders, een deel in ’tornoyers’ en een deel in zakken van kolendragers aan terwijl ze een biervoerderswagen met zich meetrokken, achteraan voorzien van een groene ‘hobette’ (een huisje) van fijne en groene ‘lauwerie’ met daarbinnen een tafel gedekt met een tapijt, op welke tafel twee grote gemaakte posturen stonden.
De ene in de gedaante van een kolendrager en de andere als een wel opgetutte juffrouw, gevende de hand aan elkaar. Voor de buik van de kolendrager stond er met grote letters geschreven ‘Ik ben Manten Coolbrandt’ en voor haar buik ‘Ik ben Calle Pannekoucke’. Deze wagen was rondom versierd met brandende fakkels en werd gevolgd door ontelbare mensen. Op het geroep en geschreeuw van deze aankomende bende stak onze bruidegom Manten, dewelke wel wist wat er te gebeuren stond zijn hoofd uit de kamervenster. Hij riep zijn bruid en alle genodigden. deze opgepronkte wagen bleef voor zijn deur staan en alle biervoerder staken een tafel in het midden, met brandende kaarsen daarop, en begonnen rondom die tafel in een kring te dansen en overluid volgend lied te zingen:
Ieper zag ooit een bruiloftfeest
in uw lief schoon Iepers dal,
waardoor elk zeer blij van geest
in zijn hart wezen zal
alwanneer dat hij zal horen
dat hier Manten Coolbrandt
als een edelman achter voren
heeft de pannekouck bij de hand
–
Met die schone pronkmadame
genaamd Calle Pannekoucke
een jonkvrouw buiten faam
nu gekleed in zijden doek
die te voren liep als een slons
met een stoppen hemde rond
en een stropmuts rondom de oren
met haar schoenen vol koeienstront
–
Manten is in houw getreden
met deze wel gemaakte bruid
maar hij zal haar wel verkneden
dat de tempering ver uit
heel de kouckepot zal rijzen
maak de panne maar gereed
om die pannenkouck te knijsen
strijk ze plat, zeer wijd en breed
–
Raapt te samen ’t zijn verzake
vivat Manten Coolbrandt
die met juffrouw Pannekoucke
is getrouwd tot haar schand
Coolbrandt zal de rook blazen
dat zij staat haast al in vier
en de pannekouck doen razen
met een overgroot getier.
–
Lang leeft Calle met haar Manten
dienen Spaanse edelman
die niet lang zal langerfanten
van te doen al wat hij kan
om die pannekoucke zeer schoon
wel te bakken na de zwier
laat ons zingen op een toon
vivat Manten Coolbrandt hier!
De jonker Quirinus Heyse, filius Quirinus Theodonia Adriaensen, ontvanger van de domeinen, met jonker Bernardus Lauwiere, Gabriel Van de Wynckel, Thomas ….., jonker Arnoldus …, jonker Angelus ….,jonker Maximilianus … en enkele anderen, waarschijnlijk diegenen die Manten Coolbrandt tot deze farce opgewekt hadden. Ze kwamen gezamenlijk met enige knechten, dragende een mand vol wijnflessen en allerhande soorten van succaden en twaalf kandelaars met brandende kaarsen, dewelke ze rondom op die tafel stelden en ze gingen samen de bruidegom uitnodigen om met zijn bruid een dans te maken.
En hoewel de bruid onwillig leek omdat ze wel wist wie die jonkers waren die haar tot deze dans uitnodigden werd ze door haar man daartoe gepraamd. Dus hebben ze met de anderen brouwmensen dewelke in de bruiloft waren rondom die tafel een dans opgesteld, terwijl de gezeide biervoerders dewelke rondom de tafel zaten, het voorgemelde liedje zongen, waarmee al de omstaanders zo geweldig lachten en schetterden dat de ene de andere niet kon verstaan. En dat slecht hoofd van juffrouw Pannekoucke vatte nog niet dat dit gezang spottend over haar gezongen werd. Ondertussen liepen die jonkers allengskens weg, de ene voor, de andere na, zodat er uiteindelijk niemand aan het dansen bleef dan de bruidegom en zijn bruid samen met de biervoerders.
’s Nachts omtrent 2u zijn de getrouwden pas gaan slapen en nadat de biervoerders wel een uur daarna gedronken, gegeten, gedanst en gezongen hadden zijn ze pas dan met hun wagen weggegaan. De volgende dag ’s morgens omtrent de middag zonden die jonkers vier knechten naar hen om de geleende kleren terug te krijgen, zowel die van de bruidegom als van zijn knechten.
Onze geveinsde edelman lag nog in het bed vermits hij deze boodschap verwachtte. En toen juffrouw Pannekoucke met de gevonden knechten op zijn slaapkamer naar boven kwam, zo vroeg ze aan hem wat dat allemaal beduidde. Waarom deze dienstboden zijn kleren en die van zijn knechten kwamen ophalen? Ja, antwoordde Manten Coolbrandt, ik weet wel wie dit doet, laat de mensen naar boven komen met hun knechten in hun livrei. Toen deze boven kwamen zei Manten Coolbrandt die ondertussen was opgestaan uit zijn bed, ziet mijn twee trouwe knechten, ik bedank u beiden voor uw goede dienst, daar is het geld voor uw besproken diensten, en geef nu maar uw livrei aan deze dienstboden want ik heb voortaan geen dienstknechten meer nodig. Want gisteren was ik nog een edelman maar vandaag ben ik biervoerder en kolendrager.
En terwijl hij al zijn ‘gegallonneerde’ kleren oppakte zijn zijn de dienstboden met zijn kleren en de twee afgedankte knechten vertrokken. Juffrouw Pannekoucke was uiterst verbaasd over wat hier gebeurde en zei in volle gramschap; zo me dunkt zijt ge dus de biervoerder Manten Coolbrandt, hoe zijt ge zo stout geweest van me in de gedaante van een edelman zo schandelijk te bedriegen? Het is geen wonder dat gisterenavond het ambacht van de biervoerders hier voor mijn kamerdeur zo gezongen en beschimpt hebben.
Ge zijt een Judas, een valse verrader en ik zal u als een schelm in een ‘rasphuys’ steken (een tuchthuis waar ze hout moeten raspen). Luister, zei Manten Coolbrandt, ja ik ben inderdaad Manten Coolbrandt en gij zijt Calle Pannekoucke, dewelke ik voor zo vele jaren van de straat heb opgeraapt toen ge aan de hallentrappen van de grote honger zat te janken, gekleed als een ‘vragenege’, helemaal in slunsen en slempen. Ik ben het die dankzij mijn moeder voor u een goede dienst heb geregeld en het is dankzij mij, moet ge rekenen dat ge van een verloren, verarmde en weggelopen koewachtster nu zo een juffrouw zijt geworden. Daardoor zijt ge verplicht van mij, uw weldoener mij met deze tegenprestatie en klaarheid te vergelden. En aangezien ik nu uw man geworden ben, zo moet ge naar de wet en de natuur onder mijn bevel staan. Dus, zo ge wilt redenen verstaan en u wil voegen naar de tijd en staat waar ge u nu heden in gesteld hebt, zal ik van mijn zijde tonen dat ik mij met een goed oordeel zal voegen, zoals een eerlijk man met zijn gezelschap verplicht is te doen.
Tussen al deze argumenten door deed juffrouw Pannekoucke niets anders dan razen en tieren. Ze zag in dat haar hoogmoed zo schandelijk neergesmeten was en terwijl ze in de mening verkeerde van met een edelman te trouwen werd ze doelbewust bedrogen. In een vrouwelijke gramschap ontstoken wilde ze Manten van de trappen en uit het huis jagen. Maar zie! Mantens moeder was ook helemaal opgejut door de gezeide jonkers en kwam de trappen opgelopen. Ze kwam met zijn kolendragerkleren want hij stond totnogtoe in zijn hemd vermits ze zijn edelmanskledij hadden weggedragen.
En terwijl Manten zijn zwarte linnen broek aantrok, was juffrouw bezig met Mantens moeder uit de kamer te willen gooien. Hij nam nu zijn zwarte kolendragers ‘casaque’ en begon de juffrouw daar zo hevig af te trommelen dat ze genoodzaakt was van de trappen af te lopen en zo zwart van het kolenstof als een duivelin uit het huis weg te lopen. Ze stond daar nu op de Oude Kleermarkt, zo zwart als een ijzeren pot tussen een bende volk uit het gebuurte die Manten weerhielden om haar nog verder te slaan.
De roep van dit kwade huwelijk vloog als een bliksem door geheel de stad. Een half uur nadien kwam het scharminkelkraam, van een troep ongebonden jongens die met ijzeren pannen, waterketels en flensen aan een koord gevlochten bakkerskoren dolen met ijselijk geraas en gerammel, dat niet alleen dolende door alle straten en wijken maar zelfs buiten de stad gehoord werd.
Ondertussen zat juffrouw Pannekoucke die sinds gisteren een edelmansvrouw was en vandaag het wijf van een kolendrager binnen in haar huis, krijsende als een kind en zwerende als een Schot. Ondertussen had het kwaad vierendeel van Sint-Pieters boven, zowel mannen als vrouwen een kar klaargemaakt en daar twee posturen in gesteld, gevuld met hooi en met kleren aan, die een kolendrager verbeeldden die met een roede naar een gemaakte juffrouw wees.
En deze posturen werden Calle en Manten genoemd ten opzichte dat de bruid genaamd Calle was en haar man Manten. Manten en Calle. Daardoor is het naderhand binnen de stad van Ieper altijd in gebruik gebleven dat men ’s avonds in de wandelingen Calle en Manten uitstalt. Ze trokken deze opgepronkte kar, vergezeld met waterketels, boeravezekens, flensen en violen dewelke gedurig speelden, tot voor de bruiloftsdeur, op de Oude Kleermarkt waar ze rondom de kar dansten en zongen.
En van daar liepen ze rondom de stad, door alle straten en wijken zodat heel Ieper overeind stond en het zo een Ieperse mestdag werd. Want zodanig aangejaagd zijnde door het abominabel geroep en geschreeuw en het gesleep van duizenden mensen die hun werk verlieten en de troep volgden, in het bijzonder het vrouwvolk dewelke hun spellewerk, kussens en kant neerlegden en met hele benden achterliepen en zo de hele namiddag in laken en gabberen doorbrachten.
Ondertussen had Manten Coolbrandt, helemaal vol van genoegen met juffrouw Pannekoucke, halfdood van schaamte, op de raad van sommige deugdzame personen alle deuren en vensters afgesloten en zijn ze beiden verkleed zijnde om niet door het gemeen herkend te worden langs een achterpoortje en langs de refuge van Voormezele in de Hondtstraat uitgekomen. En beiden zijn ze met een schip naar Diksmuide gevaren waar ze in de herberg genaamd St. Joris gelogeerd zijnde, naar de raad van geleerde personen luisterden en in vriendschap overeenkwamen.
In zover dat juffrouw Catharina Pannekoucke met haar getrouwde Emmanuel Coolbrandt overeenkwamen om voortaan tevreden en in vrede te leven, en om alle uitlachen voortaan te voorkomen zou hij zich helemaal in het nieuw en zeer treffelijk doen kleden. Dus liet ze binnen Diksmuide voor haar man een rood fijne panen kleed en een rode scharlaken mantel maken. Ondertussen had het scherminkel de hele namiddag rond de stad gezworven en kwamen ze nu die avond voor hun deur, nog altijd aan het scherminkelen met een groot deel lantaarns die ze op hoge stokken rondom de gezeide kar droegen opdat hun Calle en Manten te beter zouden gezien worden.
En hoewel men hen vertelde dat de nieuw getrouwden niet thuis waren en ja, al reeds uit de stad vertrokken waren en dat ze dus vruchteloos aan het spotten waren, bleven ze verder ‘het scherminkel jagen’. Ze wilden het eerst niet geloven en bleven de halve nacht voor de deur op de Oude Kleermarkt staan rammelen, schreeuwen, tieren, dansen, springen en de ganse stad was uitgelaten van een ontelbare menigte van volk. Want het scheen als een avondwandeling van een grote en vermaardez ‘juceleye’. ’s Anderendaags in de morgen zag men aan de voordeur van juffrouw Pannekoucke een schilderij geplakt waar op papier geschilderd was een treffelijk opgetutte juffrouw en een zwarte kolendrager dewelke een trouwring aan haar vinger stak met onderstaand schimpdicht:
Wel mevrouwe Pannekoucke
staat die edelman u wel aan
die gij nu te uwe verzoeke
hebt zo snel en trouw ontstaan
Zo mij dunkt hij is herschapen
in een zwarte Moriaan,
durft gij juffrouw, groot in wapen
met zo-een wel slapen gaan?
Is het maar vrij dan op de blaren
want gij hebt uw gat verbrand
en vertel deze nieuwe maren
het zal u dienen tot meer schade
Ik wens u veel geluk en zegen
en dat gij de kop en nek
en de benen krom geslegen
wordt door Manten op een trek.
Hiermee is het scherminkel geëindigd en nadat de nieuwgetrouwden acht dagen binnen Diksmuide vertoefd hebben, zijn ze wederom naar Ieper teruggekeerd en Manten Coolbrandt bleef voortaan gekleed gaan als een heer zodat men hen in het vervolg niet anders meer gekend heeft als mijnheer en juffrouw. En nu mijnheer Coolbrandt ondervond dat zijn vrouw een uitnemende grote nering had in haar koopmanschap van fijne kant, heeft hij om die nog meer aanwas te geven door de hele stad doen uitklinken dat alle spellewerksters die hun kant zouden komen verkopen 2 of zelfs 4 stuivers zouden krijgen volgens de grootte of de schoonheid van hun werk met daarbovenop nog een premie van 1 schelling als drinkgeld.
Hierdoor is zijn winkel machtig voorzien geworden en menigvuldige kooplieden, zowel uit Spanje als uit Frankrijk kwamen naar zijn winkel de kant kopen zodat hij een rijke man is geworden. Hij liet zijn oude moeder in zijn huis wonen dewelke hij tijdens haar leven eerlijk heeft onderhouden. Deze getrouwden hebben samen in vrede en aarbaarheid geleefd. Want Emmanuel, haar man, heeft haar ontraden om nog verder die zotte en schandaleuze mode te volgen van de Franse juffrouwen, in het gaan met blote schouders, blote hals en naakte borsten, welke raad juffrouw Pannekoucke heeft waargenomen, en op een eerbare wijze gekleed gegaan, afleggende en achterlatende al die belachelijke Franse modekens dewelke zo ergerlijk waren dat zelfs de bisschoppen en pastoors in veel plaatsen aan de juffrouwen dewelke met blote borsten aan de communiebank knielden verboden hebben om Onze Heer te geven. Dus heeft juffrouw Pannekoucke zich altijd modest en eerbaar gedragen zodat niemand nog redenen vond om haar nog te beschimpen om of haar ruggenspraak te verkleinen.
Nadat ze enige tijd getrouwd waren, deed Manten Coolbrandt haar openhartig belijden of ze nog arme zusters of broeders, ooms of moeien in het leven had. Ze verklaarde dat ze noch broers noch zussen gehad had vermits ze kind alleen was geweest, maar dat ze toen ze nog te Ekelsbeke woonde een oude oom had waarvan ze niet wist of hij nog leefde. Op dit zeggen is Coolbrandt in eigen persoon naar Ekelsbeke gegaan om haar oom te gaan zoeken. Het bleek een man van honderd jaar min drie weken die daar door de dis onderhouden werd maar nog fris en gezond was. Want hij ging elke dag de mis horen.
Manten heeft hem bewilligd om bij zijn nicht te komen wonen en beloofde hen zijn hele leven lang te onderhouden. Deze oude man nu binnen Ieper wonende werd drie weken later 100 jaar, tijd voor Manten Coolbrandt om zijn jubilee te vieren. Hij nodigde al de biervoerders uit om het feest mee te komen vieren. Ze kwamen aan voor zijn deur, niet met gemaakte posturen van Calle en Manten maar met een levende laurierboom behangen met kronen, oranjen en citroenappelen welke ze geplant hebben recht voor zijn deur.
Aan de takken van deze boom hingen ze evenveel ‘blindevinkhutten’ zoals de jubilaris oud was, te weten honderd. Daarenboven richtten ze daar een tornooispel op hetwelke men ‘schuttelken springen’ noemt, hetwelke als volgt te werk ging: daar stond een grote waskuip vol water en daar lag op de grond een plantsoenstuk met een plank daarover. aan welke einde een houten schotel vol water lag, welke schotel de ’tournoyer’ stampende op het andere einde van de plank hoog in de lucht deed vliegen, en diegene die zes keer na elkaar zulk een schotel kon vangen zonder plat te laten vallen kreeg die dan een tinnen talloor van twee pond zwaar als prijs.
Daar waren alzo 20 talloren te winnen, dewelke juffrouw Pannekoucke zelf voor prijs had gegeven. Als het nu avond werd kregen al deze biervoerders een ton bier, kaas en wittebrood. En dan begonnen ze de halve nacht rond de gezeide laurierboom het lof van de jubilaris te zingen, terwijl ze dansten en zongen.
Twee jaar later is juffrouw Pannekoucke in de kinders komen te sterven, waardoor Manten Coolbrandt in het goed bleef vermits het langstlevend al was. En drie maanden nadien is ook Coolbrandt overleden, waardoor zijn oude moeder in het bezit kwam van haar zoons bezittingen en ze bleef al die rijkdom beheren.
–
Uit een oude Ieperse kroniek van Pieter Martinus Ramaut


