De voorbije dagen ben ik begonnen aan een nieuwe kroniek: ‘De Kroniek van Brugge’. Alvast een voorproefje (heet van de naald)
In het jaar 1849 verschijnt in Brugge ‘Kronyk der stad Brugge sedert derzelver oorsprong tot op heden, naar het achtergelaten handschrift van Bruggeling Bernard-Joseph Gailliard (1771-1848) en verrijkt met aantekeningen van de uitgever.’ Dat boek is een kolfje naar mijn hand. De geschiedenis van Brugge maakt een onmiskenbaar deel uit van die van de Westhoek. Het lijkt me een schitterend idee om de volgende weken eens naar Brugge te trekken en me onder te dompelen in zijn rijk verleden. Na een ruime inleiding over het oude Vlaanderen, pik ik in op het feitelijk ontstaan van Brugge. De naam is afkomstig van een houten brug, genoemd ‘Brugstock’. Volgens een klein handschrift uit de 15de eeuw ligt deze brug op de plek aan de Burg waar nu de kapel van het Heilig Bloed staat. Het brugje bevindt zich over de waterloop waar later de eerste vesting van Brugge zal verschijnen. Deze waterloop leidt in de richting van de Oudenburgse aardeweg buiten de Smedenpoort, langs waar de kooplieden die van Rodenburg (Aardenburg) komen zich naar Oudenburg begeven. Rodenburg en Oudenburg zijn zoals hun namen lieten vermoeden twee versterkte steden en al vermaard om hun bloeiende koophandel. Naast de ‘Brugstock’ staan er twee herbergen gebouwd, samen met een vesting of een soort kasteel dat toen de naam ‘Bruche’ draagt. Hier begint de stad Brugge aan zijn rijke geschiedenis. Het begint met kooplieden die het interessant vinden om zich te hier te vestigen op deze centrale plaats tussen Rodenburg en Oudenburg. Hun woningen worden door een vesting beschermd om zich toch enigszins te verdedigen tegen vreemde indringers. Dat primitieve dorp zal al in de vijfde eeuw uitgroeien tot een eerste versterkte stad.
De puberjaren van Brugge worden beschreven door een aantal notoire chroniqueurs. Op het einde van de jaren 200 schrijven Montanus en Canisius in hun ‘Acta Sanctorum’ dat de toenmalige paus Marcellinus de heilige Chrysolius naar Brugge zond om er het heilig Evangelie te verkondigen. Volgens Johannes Vredius is Brugge in 366 al een vesting of een kasteel met de naam ‘Bruche’ die al in de tijd van Pharamond zou gebouwd zijn. Die eerste koning van de Franken leefde tussen 370 en 427, dus lijkt het mij de bouw van de vesting eerder te bevestigen rond het jaar 400. Vredius baseert zich hoe dan ook op de tekst uit een oud perkamenten boek: ‘Sainte Donaes waert Bisschop van Rhiemen, ende was de zevende Bisschop in ’t jaer 366, en zoo was Brugge els niet dan een casteel (Fland. Ethn. fol.405)’.
Brugge ligt op 2u30 van de zee, 4u van Oostende, 8u van Kortrijk, 9u van Gent en 18u van Brussel. Nostalgische reistijden uit een ver verleden. Brugge zwaait wel de scepter over zijn ‘subalterne’ steden. En dat zijn Oudenburg, Damme, Aardenburg, Torhout, Sluis, Diksmuide, Nieuwpoort, Veurne, Grevelingen, Duinkerke, Sint-Winoxbergen, Poperinge, Broekburg, Mardijke, Monnikerede, Hoeke, Gistel, Blankenberge, Oostende, Muide, Wervik, Lo, Oostburg en Lombardsijde. De wapenschilden van elk van deze steden staan nu nog altijd prominent afgebeeld aan het stadhuis van Brugge.
Wanneer Boudewijn met de Ijzeren Arm in 865 het bestuur over Vlaanderen overneemt, laat hij Sint-Omer achter zich en komt zich vestigen in Brugge. Het oude kasteel ‘Bruche’ ligt er vervallen bij. Veel meer dan een hoop stenen is het niet meer, de nieuwe graaf laat het helemaal afbreken, de stenen zullen deels dienen voor de bouw van een nieuwe burcht (de Burg). Het kasteel krijgt muren en versterkingen om zich te beschermen tegen de vijanden. Op de plaats waar de vroegere ‘Bruche’ stond bouwt hij zijn paleis, de ‘Oudenburcht’ met ernaast een hofkapel die deel uitmaakt van het paleis. Die kapel bestaat nog altijd en bevindt zich naast de kapel van het Heilig Bloed.
Na het versterken van de Burg laat Boudewijn ook de omliggende woningen insluiten met vestingen, bolwerken en muren. De gordel begint aan de Breidelstraat en loopt tot aan de Sint-Pietersbrug, de voormalige Wynkel en nu Wisselbrug, verder tot aan de Kranenbrug, de Sint-Jansbrug oostelijk van de academie. En dan gaat het verder via de Koningsbrug, de Strooibrug, de Stokvisbrug, de Sint-Annabrug, De Molenbrug, De Peerdenbrug, de Kelkbrug, de Braembergbrug (nu de Blindezelbrug) en de Hoogbrug.
In 919 breidt de stad uit. De nieuwe grenzen zijn dan aarden wallen waar zich later de volgende bruggen zullen bevinden; De Strooibrug, De Rumunds- of de Blankaertsbrug (later de Carmersbrug), de Goudenhandburg, de Torrebrug, de Augustijnenbrug, De Vlamingbrug, de Ezelsbrug, de Leeuwenbrug, de Oliebrug (later de Sleutelbrug), de Noordzandbrug, de Zuidzandbrug, de Losschaertsburg, de Westbrug, de Oostmeerschbrug, de Wijngaardbrug, de Begijnenbrug, de Wal- en de Mariabrug, langs Groeninge tot aan de Gruuthusebrug, de grote Eeckhoutbrug en ten slotte de Blindezelbrug. De Vlamingbrug en de Noordzandbrug zijn versterkt met versterkingen en poorten. De Carmersbrug, de Ezelsbrug en de Zuidzandbrug worden voorzien van afgesloten poorten. De waterloop onder de Groeningbrug, de Vlasbrug, de kleine Eeckhoutbrug en de Pandbrug in de richting van het Pandreitje tot onder de Koekuitbrug wordt in dat jaar eveneens verder uitgedolven en vernieuwd. Die waterloop mondt aan de vermelde Koekuitbrug uit in ‘den Hollander’.
De dynamiek en de groei van het jonge Brugge moet verbluffend zijn. In 1040 voegt men opnieuw een extra gebied toe aan besloten centrum. Een oppervlakte waarvan de omtrek een waterloop is waarover opnieuw diverse bruggen liggen: de Molenbrug, de Houtenbrugskens, de Moerkensbrug en de Jeruzalembrug. Van daar gaat de nieuwe omwalling verder via de Roodestraat, onder de Langestraat, de Koopmansstraat, de zuidzijde van de Vulderstraat tot aan de huidige stadsvesting. En ook het gebied tot aan de watermolen, tussen de Sinte-Catharinapoort en het binnenwater (later het Minnewater) wordt nu opgenomen in het stadscentrum.
In 1270 gaan de Bruggelingen over tot een vierde vergroting. Het gebied tussen het Minnewater, de Boeveriepoort, de Smedenpoort, de Ezelspoort en de Sint-Leonardpoort tot aan de Langereie, van aan de Sint-Leonardpoort topt aan de voornoemde Carmersbrug. In 1332 volgt de definitieve uitbreiding. De oostelijke kant van de Vulderstraat, van aan de Molenbrug tot aan de Koolkerkse poort (later wordt dat de Dampoort) en heel het deel oostelijk van de Langereie tot aan de Molenbrug. Brugge-centrum wordt omwald door dikke aarden muren of vestingen die met bomen beplant zijn. De wandelroute langs de vestingen is versierd met talrijke windmolens. Negen poorten geven toegang tot de stad: De Smedenpoort, de Ezelspoort, de Sint-Leonardpoort, de Koolkerkse poort (Dampoort), De Speipoort, de Kruispoort, de Kruispoort, de Gentpoort, de Sinte-Catharinapoort en de Boeveriepoort.
Het centrum beschikt over zes waterpoorten sluizen die het water van de drie bevaarbare vaarten volgens de behoeften van de stad regelen. Meer concreet betekent dat het inlaten of het lozen van water. De eerste vaart is de Damse of de Sluise vaart. Deze wordt aangewend om de zeeschepen die zich aan het Zwin of in Sluis aandienen via Damme tot in de haven of de Kom van Brugge te leiden. Die waterloop is gegraven naast de weg die naar Koolkerke leidt en die in de jaren 1800 al tot bouwgrond is getransformeerd. Dan hebben we nog de Gentse vaart die de stad van water voorziet en dan nog de Oostendse vaart die dient om het overtollig water uit de stad te laten wegvloeien. Die laatste twee vaarten zijn maar voor sommige zeeschepen bruikbaar maar daar wordt in de 13de eeuw hard aan gewerkt.
Er is best een grote variatie aan sluizen. Soms zijn het gewone luikdeuren, nu en dan eens schoven en hier en daar regelen liggende balken de waterstand. Aan het Minnewater houdt een sluis het water van de Gentse vaart tegen. Het water van de Damse vaart wordt tegengehouden aan het einde van de Potterierei, dat gebeurt naast de Speipoort. Een derde sluis vinden we bij Koespeit, in de volksmond ‘Speitjen’ genoemd. Onder de stadsvesting tussen de Minnebrug en de Sinte-Catharinabrug zien we een grote ijzeren arcade. Het water naar de Oostendse vaart moet voorbij aan de sluis tussen de Kom en de Dampoort. En tot slot bevindt er zich nog een zesde sluis aan de Coupure.
Tweehonderdzestig schone en pittoreske straten doorkruisen de stad. Ze leiden kriskras naar een heel aantal plaatsen en markten. Ik kijk eerst nog een keer naar de fameuze Burg. Graaf Boudewijn zorgt voor de eerste sterke ommuring en voor brede wallen rond deze cirkelvormige burcht. Drie zwaar bewaakte onbreekbare poorten (de west- oost- en zuidpoort) bieden toegang tot de Burg. Op het einde van de 18de eeuw zullen die hier nog altijd prijken. De Oostpoort leidt naar de Hoogstraat. De zuidpoort mondt uit halverwege de Andjoenstraat (later de Blindezelstraat) en de westpoort bereikt men via de Breidelstraat. De eerste twee poorten worden daarbij nog extra versterkt door ophaalbruggen en verschansingen. De Burg en zijn muren zijn zowat het hart van de stad. De binnenkant van de ajuin waar met verloop van tijd steeds maar meer extra schillen zullen ontwikkelen. Vlakbij de binnenste schil ontstaan een aantal belangrijke gebouwen. Aan de noordkant van de muur staat er aanvankelijk een Mariakapel maar dat zal in 863 vervangen worden door de Sint-Donaaskerk geflankeerd door het bestuurlijk gebouw van de proosdij die in die dagen de heerlijkheid van ‘den Proossche’ genoemd wordt. Aan de oostkant van de Burg prijken het kasteel van de Love met enkele belendende gebouwen, een domein dat later nog zal dienen als woonplaats van de graven. Aan de westelijke zijde staan het Steen, de gevangenis en het kasteel Oudenburg waar de eerste graven gaan wonen.
De opvolgers van graaf Boudewijn dragen zeker hun steentje bij om meer aanzien te geven aan de Burg. Diederik van den Elzas laat een nieuwe hofkapel bouwen waar het Heilig Bloed kan rusten. De vervallen oude gevangenis (het gijzelhuis) maakt onder impuls van Lodewijk van Maele plaats voor het stadhuis dat nu nog altijd te zien is. Keizer Karel zorgt voor de vermaarde trap (de steger) van de Heilige Bloedkapel. Het gebouw van de Burg zelf dient als zitplaats voor de zeven magistraten welke met hun eigen raadsheren zorgen voor rechtspraak en bestuur in de wijde omgeving van de stad. Zeven gerechtskamers met volgende divisies: de wet van de stad Brugge zelf, de wet van het Brugse Vrije (de buitenomgeving), de wet van de proosdij, de kanunnieke wet, de wet van het Houtland, de wat van het Sijsseelse en tot slot het prinselijk leenhof. Daarbij huizeniert tevens het krijgsgerechtshof in een afzonderlijke vergaderkamer in het Steen.
Schrijver Gailliard geeft ons nog een heel uitgebreide en interessante uitleg over de manier waarop Brugge bestuurd wordt en gaat dan eindelijk over naar het begin van zijn ‘kronyk van Brugge’. Ook voor mij begint hier de echte geschiedenis van de stad. Onder het bestuur van Liederik de Buck komt de heilige Amandus via Frankrijk aan in het jonge Vlaanderen. Na een doortocht in een reeks steden en dorpen vestigt hij zich in Gent waar hij veel werk aan de winkel heeft om de inwoners daar van de afgoderij te doen afzien. Nadat zijn job hier afgelopen is concentreert hij zich nog op de bevolkingskernen tussen de Schelde en de Leie. Pas in het jaar 637 arriveert hij in Brugge waar hij het woord van God verkondigt. Hij adviseert aan Liederik om hier alvast een kapel ter ere van Onze-Lieve-Vrouw te laten bouwen. Deze Liederik de Buck is daar helemaal niet tegen maar hij sukkelt met een gebrek aan autoriteit om dat aan de inwoners te kunnen opleggen.
De forestier vraagt aan de heilige Eligius, de bisschop van Noyon en Doornik of hij niet bereid zou zijn om hier te lande het christelijke geloof te verkondigen. Zijn sermoenen hebben hier en daar tot gevolg dat de inwoners zich bereid tonen om de tempel die opgetrokken was ter ere van de afgod Mercurius af te breken en te vervangen voor een kapel voor Maria. De schrijver zegt het niet met zoveel woorden maar ik begrijp dat deze tempel zich op het grondgebied van Brugge moet bevinden. In Kortrijk gaat het Eligius veel minder voor de wind. De inwoners zijn nog beginnelingen wat betreft het katholiek geloof en zijn helemaal niet enthousiast voor de zedenpreken van de bisschop. Hij ontmoet hier de grootste moeilijkheden en moet veel vervolgingen doorstaan.
In het jaar 650 komt Trudo naar Brugge. Mijn kroniekschrijver heeft het graag over heiligen en sinten. Ikzelf ben nu niet bepaald gek op de mirakeltoestanden waar de katholieke kerk de goegemeente zelfs op de dag van vandaag maar blijft belazeren. Niet dat ik geen respect heb voor die predikers maar ik moet ze nu niet precies ophemelen alsof ze geen doodgewone pioniers van vlees en bloed, goede bedoelingen en menselijke zwakheden zijn. De zogezegd heilige Trudo noem ik net als al zijn collega’s bij hun voornaam. Trudo bezit een uitgestrekt bos in de omgeving van Brugge. Op de plaats van deze bossen zullen later de abdij van den Eekhoute, Sint-Trudo, de kloosters van de Jacobinessen, de Arme Klaren, het hospitaal, de Bogaerde School en de cellenbroeders hun thuis vinden. Het woud strekt zich uit tot voorbij de Steenbrug langs de kasseiweg van Oostkamp. Centraal in dat bos van Trudo staat een standbeeld van Jupiter die precies zoals bij de Grieken en de Romeinen als de opperste van al de goden beschouwd wordt. Trudo steekt zijn nek uit en laat dat heidens geval afbreken en op diezelfde plek sticht hij een klooster. Later zal dit klooster doorgroeien tot een heuse abdij. En omdat het gebouw omringd wordt door eiken krijgt het de naam Eeckhoute. Trudo zorgt voor de middelen en na enkele jaren is daar een levendige kloostergemeenschap van zeker tachtig monniken actief. De broeders leven en werken onder de noemer van Augustinus.
Eligius houdt het in 652 voor bekeken in Kortrijk en keert terug naar Brugge. Hij ziet tot tevredenheid dat de inwoners hier wel grote vooruitgang hebben geboekt in hun godsvrucht. Hij laat hier op verzoek van de Frankische koning Dagobert een tweede kerk bouwen. Die kerk wordt toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw en eveneens aan Wulfrand, de bisschop van Sens. Ten behoeve van de lezer wil ik toch meegeven dat die bewuste koning Dagobert al overleed in 639 en dat de bouw van de Wulfrand-kerk toch op een wel heel erg oud verzoek moet gebeurd zijn. Forestier Liederik I (+678) die hier omschreven staat als opperhoutvester zal vermoedelijk wel iets te maken hebben met dat verzoek. Dank zij zijn huwelijk met Richilde, de zuster van Dagobert beschikt hij ondertussen wel over de nodige autoriteit over Artesië en Vlaanderen. Liederik zit geplaagd met aanslepende verwoestingen en plunderingen door vreemde volkeren die hier aan de Noordzee ontschepen. Om dat enigszins te beletten laat hij in Brugge een sterkte optrekken: de Love. Na de dood van Amandus laat Eligius het huis waar hij woonde ombouwen tot een kapel. De Sint-Amandstraat zal later herinneren aan die fameuze kapel. Op die plaats zal trouwens de Sint-Amandplaats met zijn bezemmarkt ontstaan.
De maagd Maria krijgt in 745 nog een kapel in Brugge. Ze dankt dat aan de geloofsprediker Bonifacius. Diezelfde man sticht ook de heerlijkheid van Sijsele die hij ook opdraagt aan haar. Om verwarring te vermijden met de twee O.L.V.-kapellen in Brugge krijgt de nieuwe van Sijsele de naam van Onze-Lieve-Vrouw ter Reien, verwijzend naar het feit dat het gebouw opgetrokken staat dicht bij de stadsrei. Na de dood van Bonifacius zal de kapel voortaan de kapel van Sint-Bonifacius genoemd worden en speelt Maria haar gebouw kwijt. Enkele van zijn beenderen blijven hier als relieken achter. Bij de uitbreiding van het centrum zal de Bonifacius-kapel voortaan binnen de palen van de stad vallen. Bonifacius staat er tijdens zijn leven niet alleen voor. Hij krijgt hier in Brugge de assistentie van Walburga. Volgens geschiedschrijver Vredius sticht die laatste madame hier in 745 ook haar kapel. Mijn kroniekschrijver vindt daar zelf geen bewijzen van maar weet wel dat deze kapel al vanaf 792 bekend staat als de Walburga-kapel.
Liederik II, de kleinzoon van de eerste forestier Liederik krijgt vanaf 792 de nodige autoriteit van Karel de Grote die hem vanuit Aken aanstelt als nieuwe bestuurder over Vlaanderen. Liederik II krijgt daarbij de titel van ‘zeeprefect’. Hij gebruikt zijn machtspositie om gronden te schenken aan de inwoners van Vlaanderen en van Brugge-Ambacht. De mensen krijgen zo veel land als ze kunnen beploegen of bezaaien en dat zorgt ervoor dat het land rond Brugge op korte tijd helemaal in cultuur staat. Er hangt wel een tegenprestatie aan vast voor de nieuwe eigenaars. Bij hun overlijden moeten hun erfgenamen een zekere som geld schenken aan de forestier. Een belasting die bekend staat als ‘het beste hoofd’.
In 832 volgt Inghelram zijn vader Liederik II. Ook hij voert nauwgezet de opdrachten van Karel de Grote uitvoeren. Zo moeten de onderdanen nauwgezet zijn wetgeving, de ‘capitularia’ naleven. Inghelram promoot verder het christendom en pakt de zeerovers aan Hij wordt in 852 opgevolgd door zijn zoon Odoacer die het goed bestuur van zijn vader verderzet. Cassel, Torhout en Oudenaarde worden verder hersteld. Gent krijgt stadsmuren. Het kasteel van Wijnendale krijgt stilaan vorm. Bossen ruimen plaats voor landbouwgronden. Terwijl veel buitenlandse families worden aangetrokken om zich in Vlaanderen te vestigen.
Boudewijn van de Ijzer volgt zijn vader Odoacer op in het jaar 862. Hij is trouwens zijn enige zoon. Op dat moment erft hij de titel van forestier of opperhoutvester van Vlaanderen. Kroniekschrijver Gailliard heeft niet in de gaten dat forestier helemaal niet verwijst naar ‘forêt’ of bos maar wel naar ‘vorst’ of ‘fürst’. Dat van die opperhoutvester is dan ook kwakkel vanjewelste. En terwijl ik het nu toch heb over kwakkels zet ik de dwaze naam van Boudewijn met de Ijzeren Arm ook meteen recht: de man werd geboren in Sandeshoved (Zandhoofd) aan de monding van de Ijzer, op de plek waar later Nieuwpoort zal ontstaan. Zijn naam is dan ook ‘Boudewijn van de Ijzer’ en niets anders. De pennenlikkers van die tijd hebben ‘ijzer’ gewoon vertaald in ‘fer’. Geen enkele historicus is doorheen de geschiedenis achteraf gestruikeld over deze bok.



Bovenstaand verhaal wordt ook gelinkt aan het kasteel van Rumbeke, die daardoor de naam ‘Wieg van Vlaanderen’ kreeg. Boudewijn en Judith zouden in Rumbeke verbleven hebben op de plaats waar nu het kasteel staat.
Leuke bemerking en zeker de moeite waard om toe te voegen aan de tekst. Hartelijk dank!
Ivan