banner
apr 30, 2018
7011 Views

Krottegem en het Strontstraatje

Written by

Roeselare. Vanaf de oudste tijden stonden de grote huizenagglomeraties als ‘wijken’ bekend, terwijl de ‘gehuchten’ de kleinere woninggroepen omvatten.

banner

Roeselare. Vanaf de oudste tijden stonden de grote huizenagglomeraties als ‘wijken’ bekend, terwijl de ‘gehuchten’ de kleinere woninggroepen omvatten. Afgezonderde huizengroepjes, doorgaans aan de ‘uutkant’ der stad of op de buiten, werden in de middeleeuwse oorkonden ‘hoeken’ of ‘jegenoden’ genoemd; en waar verschillende straten samen kwamen, was er een ‘knok’.

Alle wijken en gehuchten en elke van de 48 jegenoden hadden hun naam. De wijken heetten Bijstierveld, Bruane, Coillie, Kouters, Krasselaar, Maalpaaie, Porno, Rekenstukken, Tasse, Vrouwenstraat, Vullebeek, Zevekote en Zilverberg, terwijl de wijk Oostrem (= oostkwartier) de meest uitgestrekte was van alle, en heel het oostelijk gedeelte van Roeselare besloeg dat later de O.L.Vr.-parochie zou worden.

Vanaf de 17de eeuw zijn talrijke nieuwe wijk- en gehuchtsnamen opgekomen, terwijl van de oudere alleen de Tasse en de Zilverberg zijn blijven bestaan. In de loop der tijden heeft Roeselare in totaal 125 wijken, gehuchten en hoeken gekend, waarvan er thans nog 19 in de binnen- en 22 op de buitenstad bestaan.

Het huidige ‘Krottegem’ (= armoedige) is een kunstmatige spotbenaming voor de O.L.Vr.-parochie die, als jonger stadsgedeelte, door spoorweg en vaart van de oude Roeselaarse stad afgescheiden, zich benadeligd voelde, terwijl men alleen aan het ‘oude’ Roeselare scheen aandacht te schenken. In de laatste tijd heeft de volksfantasie de ‘Marokken’ in de Gitsstraat gelocaliseerd, terwijl de nieuwe woningengroep die, in het uiterste noorden van Roeselare, van alle betrekking met het stadscentrum schijnt af gesloten te zijn, ‘Siberië’ werd geheten!

Vóór 1914 werden sommige huisjes in groepen rond een gemeenschappelijk ‘marktje’ of ‘koerken’ gebouwd; het waren kleine, rond een open pleintje bijeengehurkte huisjes, die midden en achterin het gebouwencomplex van een of andere straat genesteld zaten. De bekendste waren ‘Jules Nounckele’s Koerken’, het ‘Camionsgi’, het ‘Kauwennest’ en de ‘Pollepelmarkt’ ; de ‘Gerre’ is het enig overblijvende ervan.

Daarnaast waren hier en daar in de stad kleine, nauwe straatjes, zoals het Citroenstraatje (of ‘Strontstraatje’), het Ganzestraatje, de Kafhoek, Krasselaar, het Loverhoeksken, het Spiegelstraatje en de Zevekote, te vinden, waarin petieterige huisjes stonden met poortje en gangetje aan de zijkant, waardoor men op de binnenplaats kwam zonder door het huis heen te gaan.

Even gering als de voorgaande, maar zonder zijgangetje, zijn nu nog de Drie Hoven, de Drie Kaven, de Drie Klinken, Krasselambacht, het Scharestraatje, het Wortelstraatje of Seva’s Straatje, het Zwanestraatje en de thans verdwenen Bijsteeg en het Pastoorstraatje.

Straatjes die niet waren bewoond, waren het Dekenstraatje en heden nog het Duivenstraatje. Sommige huizenrijen, zoals Bakkers Reek, Brouw’s Reek, Derdeijn’s Reek, enz. werden, in de huidige tijd, naar de oorspronkelijke eigenaar benoemd, terwijl in Achterreek, Astreek en Pilderreek de ligging wordt bepaald. De Rijke Reek, de Witte Reek en de Zwarte Reek verwijzen naar de toestand van bewoners en gebouwen, en spreken ten duidelijkste voor zich zelf.

Een dichtbevolkte stad vergt uitgebreide maatregelen om haar van onheil en brandgevaar te vrijwaren. In de middeleeuwen was het verboden ‘by avonde nachte ende ontijde buyten alle behoirlicke maniere van leuen te loopen achter straete in dronckenschap bedrivende veele onverdraghelicke insolentien ende onghereglieltheden, met roepen, tieren, kieuen, sweren ende andersins, afbreken ende ontdraghen van bancken, baillien ende ander vande lieden goet’.

Het was daarom, ’tot ghemeene ruste vande inwoonders deser stede’, niet toegelaten ‘naer den thien uren by auonde te gaene sonder licht achter straete in eenighe ongheschicktheit ofte insolentie alsvooren’, op de boete van 6 p.p. Door de stad werd een stadswachter betaald om elke avond ‘het wyngeroen scelle te ludene een half ure ende snachts het trompet te stekene alle huere ende te wakene te zomer totten iij uren ende jnde winter totten vyf uren smorghens’.

In 1764 moesten de nachtwakers ’s nachts elk op hun wijk rondgaan en er tenminste éénmaal het uur afroepen. Zij hadden tot plicht het ‘voorcommen van brandt, straetschenderien, schaden aen kercken, huijsen, bruggen, steenputten’ en zij-moesten ‘dieften ende ander crim’ beletten.

De nachtwakers bleven ook in de volgende eeuwen bestaan, en nog na de oorlog 1914-18 werden aan de huisdeuren plaatjes van de ‘Nachtwakersdienst’ opgehangen.

Om het brandgevaar te voorkomen waren de lakenwevers verplicht alle bedrijvigheid stil te leggen bij het luiden van de avondklok: ‘es te wetene dat nyemant binnen der stede van Rousselaere eeneghe ketene of gaerne bomen noch knopen anden drom, noch jnden cam noch weue naer den tyt dat de bede clocke vanden auonde gheluyt js upde boete van xx s.p. alzo dickent alsmen beuondt’.

Het was de wever verboden bij kaarslicht te werken, zoniet werd hem de uitoefening van zijn ambacht gedurende veertig dagen ontzegd: ‘item datmen van nu voortanne niet en zal wulle weven noch doen weven by nachte met keerssen ofte ghemaecten luchte upde boete van xx sch. par. ende tvoors. ambacht hem verboden xl daeghen, diet doet weven alzo wel als de ghene die weift, ende die leeren zonderlinghe’.

Zoals boven gezegd, moesten de strodaken door leien of schaliën worden vervangen. Elke maand werden, door daartoe aangestelde personen, de schouwen, ovens en haarden onderzocht: ‘betaelt de brantheers van alle maende eens omme te gaene’, en iedereen was verplicht het nodige bij de hand te hebben om een gebeurlijke brand te kunnen blussen: ‘de brantheers van dat zy jnde droochte metten heeren omme ghinghen ende diligentelic bezochten op de huusen en alle de stofferinghen die elc sculdich js te hebbene ten brande’.

Vóór het aanbreken van de winter werden de schouwen gereinigd door de schouwvegers, die nog in het vooroorlogse Roeselare als ‘Savoyards’ bekend stonden. In geval van brand werden de ‘brandheren’ of eerste Roeselaarse pompiers ter hulp geroepen, en het nodige water kon door hen worden getrokken uit de ’tonputten’ of tonnen die in vele straten in de grond waren geplaatst en als waterbak dienden bij brandgevaar.

In 1784 schreef de Stad naar de heer Maubeuge, meester-zadelmaker te Rijsel, om hem te vragen de schets van een kleine brandspuit op te maken. Toen de schets werd voorgelegd, werd zij geweigerd, wijl zij te groot was en onmogelijk in de huizen kon worden binnengebracht, en ook omdat de stad er reeds een soortgelijke bezat.

In het Stadsarchief zijn verder nog twee tekeningen te vinden van een draagbare brandspuit, met bijgaande beschrijving in het Vlaams en het Latijn.

De vooroorlogse Roeselaarse pompiers hadden twee ‘speitekoten’ te hunner beschikking, het ene op de Houtmarkt, het andere in de Zuidstraat, nabij de Coillievijverbeek waar een brandspuit was ondergebracht. Op 19 April 1896 werd het nieuw Roeselaars brandweerkorps ingehuldigd, dat beter was ingericht en flinker gedrild dan het oude pompierskorps.

In 1903 werd het Arsenaal opgericht dat, als tuighuis, ter berging moest dienen van het materiaal, hetwelk sindsdien met de allermodernste apparaten is uitgerust geworden. Gaandeweg heeft de stedelijke brandweer zich tot één der eerste korpsen van het land opgewerkt, zodat het in 1927 te Aalst, in 1928 te Namen en in 1929 te Molenbeek de beker van de brandweerfederatie van België mocht behalen.

Uit ‘Het Roeselaarse Volksleven’ van Désiré Denys (1955)

Article Categories:
vergeten geschiedenis
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *