In de 13de en 14de eeuw is de kerk onverbiddelijk tegenover ketters. De rechtbank van de inquisitie, samengesteld door de pauselijke afgevaardigde, speelt het hard om alle ketterijen uit te roeien. Ze gaat proactief op zoek naar mogelijke ketters omdat die de veiligheid van de staat in gevaar brengen.
In de 13de en 14de eeuw is de kerk onverbiddelijk tegenover ketters. De rechtbank van de inquisitie, samengesteld door de pauselijke afgevaardigde, speelt het hard om alle ketterijen uit te roeien. Ze gaat proactief op zoek naar mogelijke ketters omdat die de veiligheid van de staat in gevaar brengen. Als de betichte schuldig wordt, levert de kerkelijke rechtbank die uit aan de wereldlijke rechter die de doodstraf toepast. In Ieper valt het al met al nog mee met ketters in de 13de en 14de eeuw. Pas met de komst van het protestantisme in de 16de eeuw zal de ketterij over heel Vlaanderen woekeren. De ketters worden door het vuur ter dood gebracht. “1377. Pool le Haestigghe, foullon, convaincis de hérésie, pardevant les inquisiteurs commis de la sainte Eglise et par eaulx rendu oultre au seigneur et jugés fuars sour le marquiet d’Yppre”.
Het befaamde Ieperse laken is voorzien van een officieel kwaliteitslabel: een zegel. Wie het aandurft om die zegels te vervalsen veroorzaakt “schâ en schande” aan stad en volk. De schepenen verbannen de dader. Tijdelijk of zelfs definitief. Als iemand het aandurft om drie jaar of langer zijn heil te zoeken in valse zegels, dan wordt hij ter dood verwezen. Ook verraad wordt in Ieper met de dood bestraft. Beschuldiging van moord leidt ofwel naar verbanning ofwel naar de doodstraf. Moorden begaan op de openbare weg worden met de dood bestraft. Als de doodslag een stempel van afschuw en afgrijzen draagt, wordt de schuldige ook tot de doodstraf verwezen.
Zo eist de baljuw de doodstraf door vuur en vlam van een ontaarde moeder die haar pasgeboren kind levend heeft begraven. Personen die zich schuldig maken aan roof en diefstal worden onmiddellijk met de dood bestraft. Op voorwaarde dat er geen twijfel bestaat rond hun schuld, “sans constrante de paine et de fers”. Als er geen 100% zekerheid bestaat, wordt de doodstraf vervangen door verbanning. Als er geen twijfel is wordt de dader gehalsrecht en soms geradbraakt. Zo ook in 1363: “…furent justieiet Andries le Medem et Thiri Capon de l’espee et de le rave de rober sour chemin”.
Helers worden op dezelfde manier berecht als dieven. Het principe “de heler is zo goed als de steler” wordt consequent toegepast. Zo wordt Andrieux Brunel gehalsrecht en wordt Chris van Menine opgeknoopt omdat hij gestolen voorwerpen gekocht en verkocht heeft. Ook een zelfmoordenaar krijgt postuum de doodstraf: hij wordt onthoofd. “Memoire que Jehan Bagehin qui se meisines avoit strangulé et pendu en sa maison au Briel fu justieret au temple le XXJ jour de febrier.
Brandstichters worden voor eeuwig verbannen. Wie het op de hele stad heeft gemunt, ondergaat de doodstraf. De straffen op verkrachting zijn de voorbije eeuwen ietwat lichter geworden maar speciale omstandigheden kunnen de misdaad wel erger maken dan die al is. Personen die elkaar helpen bij een verkrachting lopen de doodstraf of. Er is een geval waar twee Ieperse poorters ’s nachts een huis binnendringen, een gehuwde vrouw meesleuren tot aan de Halle en één van hen beiden haar daarna verkracht. De persoon die meegeholpen heeft aan de ontvoering en verkrachting wordt door de Ieperse schepenen tot de dood veroordeeld.
Er bestaan een aantal varianten op de uitvoering van de doodstraf. Na de uitspraak van de schepenen geeft de baljuw de opdracht aan de beul en zijn beulsknechten om de straf uit te voeren. Een “roeper” kondigt de voorziene uitvoering in het openbaar aan. In Ieper wordt de opknoping, de dood door het zwaard, het vuur, de ketel, het radbraken en het begraven toegepast. De opknoping en meer bepaald de galg zien er schrikwekkend uit in de middeleeuwse stad. Veel verbannenen lopen de straf op bij hun onwettige terugkeer naar de stad. Ook voor veel misdaden wordt de “galghe” gebruikt om de schuldige te straffen. Na de uitvoering blijven de opgeknoopte lijken een tijdje hangen. Tot afschrik van jong en oud. De minst pijnlijke variante wordt het meest toegepast: de halsrechting.
De radbraking echter is een echte folterstraf. De ledematen van het slachtoffer worden uitgerokken en gebroken. Er moeten echt verzwarende omstandigheden bestaan om de radbreking te moeten ondergaan! De ongelukkigen doorstaan de ijselijkste pijnen voor ze de dood vinden. Brandstichters krijgen van hetzelfde laken een pak: het vuur. Soms wordt een misdadiger in een ketel kokend water gedompeld.
Levend begraven worden! Een ijzingwekkende dood. De misdadiger wordt letterlijk in de grond geplant en bedolven tot aan zijn hals. Dan blijft het afwachten tot de dood. Sterven van honger en dorst maar ook vaak van het krankzinnig afgrijnzen van wat er nog te wachten staat. Hoe is het mogelijk dat er zulke straffen kunnen worden toegepast in een eeuw waar de invloed van de kerk op de maatschappij op haar hoogtepunt is? Ondanks de toenemende verfijndheid van de rechtspraak blijft het voor het stadsbestuur echter broodnodig om met barbaarse strengheid de orde in de maatschappij te bewaren.
Het “oog om oog, tand voor tand” principe wordt ook toegepast bij de verminking van daders. In de 14de eeuw worden in Ieper voorbeelden teruggevonden van vuistafhouwing, tongverkorting, amputatie van oren of ogen. Waultier Ademare wordt veroordeeld tot het afhouwen van zijn vuist nadat hij de baljuw heeft aangevallen: “il est jugiés en le volenté du seigneur de perdre le puing pour ce qu il mist main au seigneur vilainement..”. De baljuw veroordeelt een onterecht teruggekeerde banneling als volgt “zijne vuist afhauwen, daernaer onthoofden ende den lichaeme legghen up een wiel”. Godslasteraars worden meestal gestraft met verbanning maar krijgen ook een symbolische straf; de tongverkorting. Godslasteraars worden meestal gestraft met verbanning maar krijgen ook een symbolische straf; de tongverkorting.
In 1375 “Meulin Heerbrecht est jugiet d’ acourtir le langhe et est bannis VIJ ans pour les despiteuses parolez blasfèines qu’il dist sour notre Seigneur Jhesus Crist et de le glorieuse Vierge Marie”. Filips van den Elzas maakt uitvoerig gewag van de verbanning in zijn keure van 1171. De straf is inderdaad eeuwenoud, afkomstig van het Germaanse recht die van de misdadiger een “outlaw” maakt. Het is voor de schepenen en bestuurders een gemakkelijke straf, het “nimby”, not in my back yard syndroom van de middeleeuwen. Het probleem wordt simpelweg op een ander gestuurd. De Ieperse archieven puilen uit van de verbanningen.
De verbanning is natuurlijk menselijker dan de doodstraf. Toch is het een meedogenloze straf. Ongelukkigen worden weggejaagd van hun geliefde geboortegrond, hun vaderland. Burgers worden weggejaagd van hun thuis, hun veilige samenleving. Ze worden verstoken van de veiligheid van een gemeenschap. Verbanning betekent een ramp voor de slachtoffers. Wanhopig en moederziel alleen weggestuurd worden naar onbekende oorden.
De 14de eeuw. Er heerst een slechte sfeer in Ieper. Er is maar één middel om hier wat aan te doen: de slechte elementen verwijderen uit de stad en het graafschap. De magistraten bepalen het type verbanning en hoelang die zal duren. Soms is het “uten lande van Vlaenderen”. Soms “IIJ milen van der poort als verre als de gravelijcheide strect. Soms “hors le ville trois lieues loin de le ville”. Vaak “hors de le ville d’ Ypres”.
Naast de verbanning wordt er telkens een voorwaardelijke straf bijgevoegd, een sanctie die de uitspraak kracht moet bijzetten en moet verzekeren dat de bannelingen terug zullen keren voor het einde van de opgelegde termijn. De doodstraf is meestal de stok achter de deur. Mannen worden verbannen op hun hoofd, op de galg, op het rad of soms op de ketel (sour le caudron) of op de put. Die laatste bestraffing, de levende begraving wordt altijd toegepast op vrouwen. Soms wordt gedreigd met amputatie van lichaamsdelen of met een verdubbeling van de straf. En dan bestaat er nog het risico om voor eeuwig verbannen te worden. En toch is de drang naar het vaderland zo sterk dat bannelingen niettemin terugkeren naar hun roots en hun straf riskeren.
De zwaarste bestraffing is de verbanning voor altijd. Daarnaast worden in Ieper verbanningen uitgesproken tussen de één en de tien jaar. Soms ook van onbepaalde tijd of van enkele dagen. Iemand die zijn schulden niet kan betalen en niet als gevangene opgeëist is door de schuldenaar, wordt voor onbepaalde termijn verbannen. Zolang hij zijn schulden niet heeft betaald kan hij niet terugkeren.
Slechte gesprekken (“male antise”) en laster worden veroordeeld naar gelang de slechtheid van het gevoerde gesprek. Middeleeuwse roddelaars, zoals een zekere Joris de le Soetesteide worden verbannen voor zeven jaar “..de horrible antise en lieu privé”. Te Ieper schijnen de vrouwen een voorliefde te koesteren voor zulke gesprekken. Ze worden niet gespaard: “Kalle de Dickemue, Kalle Coene, caseure est bannie trois ans hors le ville….de male conversacion et antise, sur leurs oreilles”. Zoals we kunnen zien riskeren de dames om hun oren te verliezen als ze voortijdig terugkeren naar de stad.
Het tarief voor Goddelijke majesteitsschennis en herhaaldelijk woekeren, bedraagt gewoonlijk zeven jaar verbanning. Het zedelijk peil in de 14de eeuw staat in Vlaanderen en in Ieper op een laag pitje. Er worden veel straffen uitgesproken voor ontucht. Eén, drie, vier, zeven jaar verbanning. Het bederf verspreidt zich over de hele stad via een reeks van slechte herbergen en bordelen. Er wordt ook streng opgetreden (tot tien jaar verbanning) tegen de poorters die opstand prediken en de rust verstoren. Willame le Hoyeopere wordt verbannen voor drie jaar omdat hij gewogen heeft met valse gewichten en dan komt hij er nog goed van af.
Landloperij. “Hommes non profitables”. Om verlost te zijn van hele bendes individu’s die alleen maar last betekenen voor de stad en in niets hun voordeel aanbrengen, verbannen de Ieperse schepenen de landlopers voor jaren uit het graafschap. Er moeten tamelijk veel van die niet gegeerde gasten geweest zijn als we de veroordelingen nakijken. Soms worden ze met veertien tegelijk verbannen; “ilz furent bannis VI ans hors le pays de Flandres, chacun sour sa tieste, d’estre moins proffitable en le ville”. Het spelen van niet toegelaten spelen, vooral met de teerlingen, wordt bij het eerste vergrijp bestraft met een boete die al dan niet gepaard gaat met een verbanning van veertig dagen uit de stad. Als ze hervallen wordt de verbanning verhoogd tot één jaar of meer. Te oordelen naar het groot aantal veroordelingen kunnen we gerust besluiten dat Ieper een onvervalst speelhol is.
En of het allemaal nog niet volstaat, ondergaan veroordeelden nog aanvullende straffen. Boetes, ambtsverlies. In bepaalde gevallen worden ze gebrandmerkt of zelfs tentoongesteld Het valt voor dat de bannelingen voor hun vertrek onder water worden gedompeld of publiekelijk verminkt worden. Geleidelijk aan doet ook de verplichting tot strafbedevaart zijn ingang.
De gevolgen van de verbanning zijn verschrikkelijk. Iedereen mag bannelingen doden, niemand mag hen herbergen, zijn vrouw is weduwe, zijn kinderen zijn wezen. Alleen het bos blijft over als schuilplek. De verbannene is wetteloos, ex lex. Hij staat buiten de wet, een outlaw. Hij bestaat niet voor de wet. Iedereen mag hem aanvallen, kwetsen. Niemand mag hem herbergen of helpen voor dat zijn verbanning is afgelopen.
Eens de verbanning afgelopen kunnen ze (met geld) hun burgerrechten terugkopen. Vaak zijn de mensen moegetjoold en komen ze vol heimwee naar hun thuis terug. Als ze gesnapt worden door het gerecht zijn ze echter de klos. De talrijke verbannenen “op hun hoofd” worden direct overgeleverd aan de baljuw. De Ieperse magistraten spelen het hard. De uitvoering van de straf is primordiaal: zelfs in de gevallen waar de onwettigen door poorters worden gedood, eisen de magistraten de uitvoering van het vonnis op het dode lichaam.
In sommige gevallen wordt de verbanning ingetrokken door de schepenen. Als bijvoorbeeld de openstaande schulden betaald zijn. De graaf vernietigt persoonlijk jaarlijks enkele verbanningen. En ook de nieuwe bisschop kan gratie verlenen; “..ute gratie ende niet van rechte”. De schepenen kunnen ook bedevaartstraffen uitspreken. Naar Schotland, Gallicië, Marseille, Napels, Rocomadour, Rome, Tours, of binnen Vlaanderen. Als de schuldige verplicht wordt om op bedevaart te trekken, moet hij zich op een afgesproken tijdstip melden voor het vertrek. Doen ze dit niet, dan worden ze verbannen. Bij hun terugkeer van de opgelegde bedevaart moeten ze bewijsbrieven meebrengen die staven dat ze hun straf hebben volbracht. Bedevaarten opgelegd door de wereldlijke macht, kunnen trouwens meestal afgekocht worden “sour âine de IIIJ lb. de gros”.
Het middeleeuwse strafrecht wordt in grote mate geschraagd door de boete als straf. Filips van den Elzas legt de hoogte van de boetes vast in zijn keure van 1171. Zware overtredingen worden beboet met zestig pond. Minder erge vergrijpen kosten zestig sous. De rest zweeft ergens tussen beide bedragen. Iemand verwonden resulteert in een boete van veertig pond. Iedereen die Ieper binnenkomt met een zwaard of verboden wapens krijgt een boete van zestig sous.
De opbrengst van de boetes wordt onder vier partijen verdeeld. Het grootste deel gaat naar de graaf die dat als zijn feodaal recht beschouwt. Een belangrijk deel van de boetes gaat naar de schepenen die op die manier vergoed worden voor de uitoefening van hun ambt. De rest wordt verdeeld door de stad en door de benadeelde partijen. We komen trouwens regelmatig voorbeelden tegen van opgelegde boetes die moeten betaald worden aan de kerk. In de 14de eeuw is er in Ieper regelmatig sprake van “onterende straffen”, de ereboete en de straf van de ladder. Maar we zien ook brandmerking, onderwaterdompeling en de schandpaal opduiken. Bij een ereboete moet de schuldige zich voor de vierschaere begeven en er openlijk en blootshoofds vergiffenis vragen aan diegenen die hij beledigd heeft.
De straf van de ladder gaat steeds gepaard met verbanning. De gestrafte wordt een tijd aan een ladder gebonden en tentoongesteld vooraleer hij in ballingschap moet vertrekken; “Jehan le Bake, Arnoud de Jonckere furent jugiet de mettre en l’ eschielle à le 1Je heure diner et la ester J heure…”. Goddelijke majesteitsschennis wordt steeds bestraft met verbanning en tentoonstelling op de ladder. Ook poging tot moord en valsheid voor het gerecht worden op die manier bestraft.
Zo heeft een vrouw gepoogd om haar buurvrouw te vergiftigen. Pannenkoeken gebakken en er gif aan toegevoegd. Ze laat op een brief uitschijnen dat de pannenkoeken een geschenk zijn van een vriend en laat die bij haar buurvrouw afleveren. De misdadige vrouw wordt veroordeeld tot zeven jaar verbanning en de straf van de ladder. Tijdens haar tentoonstelling worden een pannenkoek en de fameuze brief aan haar hals opgehangen; “et luy estant en l’ eschiele on mist un tourteel et une lettre à son col”.
Een van de meest eerberovende straffen, de brandmerking, wordt ook hier toegepast in de 14de eeuw. De gebrandmerkte misdadiger zal voor de rest van zijn leven spot en afschuw van klein en groot moeten ondergaan. De laatste straf die we op westhoek.net behandelen is die van de huissloping. Het is een gemeentelijke straf bij uitstek. De schepenen hebben de keuze tussen verbranding (arsin) of sloping (abattes). De straf heeft een specifiek karakter: het is de wraak van de Ieperse burgers tegen vreemden die de gemeente hebben beledigd. Een wettelijke gemeenschappelijke wraak op een wel erg doortastende manier.
Wanneer een vreemdeling zonder reden een Ieperse burger aanvalt, kwetst of doodt, dan wordt nagegaan of de man een huis bezit binnen de kasselrij van Ieper. Indien dit het geval is, begeven de baljuw, de voogd en de schepenen en de mensen van de gemeente met wapens en banier de stad uit naar het huis van de dader. De baljuw roept met luide stem; “par mon et par sourmon une fié, autre, et tierce”. Als de dader naar buiten komt, wordt hij gevangen genomen en berecht. Komt er niemand naar buiten, dan steken de baljuw of de mensen (het is hun burgerrecht om dat te doen) zonder pardon het vuur aan de woonst.


