banner
dec 3, 2018
2359 Views

Meningsverschil aan de Nonnenbossen

Written by

De schepenen van Ieper hebben in 1215 de immuniteit van de proosdij van Sint-Maartens aanvaard. Zo is er een einde gekomen aan de grove aanvaring tussen de wereldlijke en de kerkelijke machthouders in Ieper.

banner

De aflatendag brengt geld in het bakje van de kerk
De schepenen van Ieper hebben in 1215 de immuniteit van de proosdij van Sint-Maartens aanvaard. Zo is er een einde gekomen aan de grove aanvaring tussen de wereldlijke en de kerkelijke machthouders in Ieper. Maar Hugo is nog niet aan het eind van zijn Latijn. Er zijn al nieuwe moeilijkheden op komst met de schepenen, maar dan wel van een heel andere aard. Maar daarover later. De proost houdt zich al een hele tijd bezig met de uitbreiding van het achterdeel van het koor in de kerk van Sint-Maarten. De grootschalige werken worden uitgevoerd in opdracht van het kapittel die ze ook financiert. Het hout en de stenen die de schepenen in 1214 gebruikten om hun versterkingen te bouwen en waarvoor ze aanvankelijk die boete van 63 pond moesten betalen, waren onderdeel van het bouwmateriaal dat diende voor de bouw van het koor van de Sint-Maartenskerk. Dat vermoeden Feys en Nelis in elk geval als ze de Rubrum registers bestuderen.

De uitbreiding van de kerk kost handenvol geld. Het is waarschijnlijk in die optiek dat Adam, de bisschop van Terwaan, op 29 september 1219 naar sacrale gewoonte een ‘aflatendag’ organiseert om zo geld in het bakje te brengen. Burgers kunnen er die dag 40 dagen kwijtschelding van kerkelijke boetes of van straffen afkopen die ze na vergeving van hun zonden nog in het vagevuur zouden moeten ondergaan. Het is een eenvoudig concept: de Ieperlingen die op die dag ter offerande gaan, in het bijzijn van de relieken van de Heilige Ursula van Keulen en haar 11000 maagden, die onder het kerkgestoelte rusten, krijgen er hun gratis aflaten bovenop. Dat die 11.000 maagden in werkelijkheid 11 martelaren waren uit de 4de eeuw konden de aanwezige sponsors op dat moment in 1219 nog niet vermoeden.

Abt Hugo laat een graftombe bouwen voor zichzelf
Abt Hugo heeft last van wat grootheidswaanzin. In 1221 laat hij in het koor zijn persoonlijke graftombe bouwen waar zijn naam in gebeiteld wordt. De kerk van Sint-Maarten is volgens de geschiedschrijver Schayes in die tijd de meest monumentale kerkelijke constructie van België. Opgetrokken in Romaans-Gotische stijl, oogt het koor grandioos. De proporties van het schip zijn aanzienlijk. Boven de zijbeuken zijn er gangen aangebracht. De Rubrum files omschrijven de nieuwe kerk tot in de kleinste details. Hugo laat bij de vernieuwde kerk nog een kapel tegenaan bouwen. De kapel wordt op 5 januari 1233 ingewijd door Pierre de bisschop van Terwaan. Voortaan zullen de heiligen Nikolaas, Elooi en Egidius hier vereerd worden. Wie hier de week van Pasen zijn offerandegift komt afgeven, wordt beloond met 40 extra dagen aflaten. Naast de bouwwerken aan de Sint-Maartenskerk, wordt ook de kerk van Sint-Niklaas verheven tot parochiekerk.

Volgens de kronieken werd de kerk in 1180 gesticht door Margaretha van de Elzas, de dochter van graaf Diederik. In 1202 staat ze bekend als een kapel. Op 23 april van het jaar 1220 wordt Sint-Niklaas op het zelfde niveau geplaatst als de andere kerken in de stad. Er zijn nu zes parochiekerken in Ieper. De kerken van Sint-Kruis en van Sint-Michiel zullen pas later opgetrokken worden. De Ieperse Tempeliers claimen in die dagen in toenemende mate hun rechten op de kapel van O.L.V.-ten Briel en de grond waarop ze gebouwd is. Een commissie van geestelijken moet in opdracht van de paus uitsluitsel brengen. Onder hen de kanunniken van Loos en van Mesen. En ook een tempelier. De debatten zullen gehouden worden op 10 oktober 1222 in de kapittelzaal van Sint-Maarten. Het oordeel van de commissie is duidelijk: de kapel bevindt zich op grond van de O.L.V.-kerk van Brielen en staat dus op kerkelijk grondgebied. De tempeliers hebben niet de minste rechten op de kapel en op de gronden. De uitspraak wordt bekend gemaakt op 12 augustus 1223.

Boudewijn van Haveskerke gaat de confrontatie aan
En dan is er eigenaardige historie rond de adellijke Boudewijn van Haveskerke die blijkbaar moedwillig de confrontatie aangaat met Hugo. Eerst laat hij via zijn schepenen te Calonne een bediende van de proost veroordelen. Arbeiders die in opdracht van de abt aan het graven zijn bij de terreinen rond de kerk van Calonne worden er door van Haveskerke weggejaagd. De kerk ligt aan een zijrivier van de Leie. De burgers vissen zonder toelating op de geestelijke wateren en houden de gevangen vis voor zich. Hugo is vanzelfsprekend woedend om de vrijpostigheid van Boudewijn van Haveskerke en de zijnen en brengt de zaak te berde bij Bertin de abt van Sint-Aubert en bij meester J. de Hermes, de kanunnik van Cambrai.

Die kiezen natuurlijk de kant van de proosdij en ze veroordelen Boudewijn op alle punten. Hij wordt verplicht om alle aangerichte schade te herstellen, wat hij blijkbaar al discreet had laten gebeuren. Hij had zelf zilvergeld aangeboden aan de abt, maar dat volstaat allemaal niet voor Hugo. Hij wil een boetestraf. Hij moet aan den lijve ondervinden wat het is om in te gaan tegen de heilige kerk. Na veel vijven en zessen slaagt Boudewijn van Haveskerke er in om de straf over te dragen aan één van zijn vazallen die in zijn naam de straf zal ondergaan. Het is de symboliek die telt.

De boetestraf van Willem van Calonne
1230. De derde zondag na Pasen. Willem de heer van Calonne stapt op blote voeten, ontkleed tot op zijn hemd en met een roede in de hand binnen in de kerk van Sint-Maarten. Hij gaat knielen voor de voeten van abt Hugo. Het onrecht dat de heer van Calonne heeft aangedaan aan de kerk moet op die manier hersteld worden in het bijzijn van het volk en de schepenen van Ieper die voor de gelegenheid opgetrommeld zijn om getuige te zijn van de publieke boetedoening. Willem van Calonne zweert dat hij en zijn medewerkers nooit nog handelingen zullen verrichten die ingaan tegen kerkelijke goederen. De Ieperse schepenen zorgen ervoor dat de eed diezelfde dag nog in een officiële akte wordt neergeschreven. De vissenhistorie moet volgens Feys en Nelis ergens zijn oorsprong vinden in een achterliggend dispuut tussen de heer van Calonne en het kapittel van Sint-Maarten. Want blijkbaar volgt er nog een aanvullend verdict in 1231.

Willem van Calonne pretendeert dat er op de tienden van Calonne rechten en een vrijgeleide rusten om jaarlijks één keer een zekere hoeveelheid vis te vangen in de rivier langs de kerk van Calonne en dat daarvoor een jaarlijkse cijns van 12 denieren werd voorzien. De rechterlijke uitspraak van juni 1231 gaat niet in op de claim van Willem van Calonne. De voorbije 40 jaar is er geen spoor geweest van die cijns van 12 denieren en de kerk heeft er ook nooit naar gevraagd. Twee jaar later, in oktober 1233, zweert Willem van Calonne in het bijzijn van Sibille, de dame van Wavrin en van ridder Gilbert van Haveskerke, dat hij definitief afziet van zijn rechten op de viswateren van de kerk en dat hij zich bereid voelt om schadevergoedingen te betalen indien hij zijn belofte niet nakomt. De kerk van haar kant belooft dat ze de rivier tussen de brug van de Calonne tot aan de Leie niet zal blokkeren zodat daar vrij kan worden gevist. Schepen en vissers krijgen nu vrije doorgang.

Het meningsverschil met de Nonnenbosschen
Schrijvers Feys en Nelis keren nu terug naar november 1223 waarbij een meningsverschil tussen het kapittel van Sint-Maarten en de geestelijken van de Nonnenbossen wordt bijgelegd. Het conflict draait rond de parochiale rechten en de tienden op de dieren van een hofstede met de naam Westhof, gelegen dicht bij Ieper. De arbitrage van de proost van Lo, de deken van Rijsel en de Ieperse schoolmeester Arnold wordt ingeroepen door beide partijen. De scheidsrechters beslissen dat de religieuzen die op Westhof wonen, en er geen bezittingen hebben, niet verplicht zijn om parochiale bijdragen te betalen aan Sint-Maarten. Arbeiders die door de abdij van de bossen voor minstens één jaar aangesteld werden om te gaan werken op Westhof moeten evenmin betalen, op voorwaarde dat zij of hun families niet woonachtig zijn in één van de Ieperse parochies.

Alle anderen worden verplicht om de kerkelijke taksen te betalen aan de proosdij van Sint-Maarten. De dieren van Westhof die ontegensprekelijk eigendom zijn van de abdis van de Nonnenbossen, worden niet meegeteld voor de heffing van Sint-Maarten. Op de rest moet er wel betaald worden. Alle Ieperse parochianen die werken op het Westhof moeten in hun respectieve parochies begraven worden. Tenzij ze er vooraf voor kiezen om een grafsteen te hebben in de bossen van Zonnebeke. In deze gevallen wordt de begrafenisdienst gehouden in de parochiekerk van de overledene en wordt die achteraf begraven in de bossen.

Het hospitium van Lambert Voet
In het begin van 1224 verwerft het kapittel tiendenrechten in Reningelst. De verkoper is Daniël van Denterghem. Hij krijgt hiervoor de toestemming van zijn echtgenote Béatrix, zijn zoon Lambert en zijn dochter Adelise met haar man Gerard. De verkoop wordt op 17 februari 1224 geofficialiseerd door Adam, de bisschop van Terwaan. In Ieper wordt in 1226 het Sint-Katharinahospitium opgericht. Een instelling waar stervende mensen naartoe kunnen wanneer ze niet langer thuis kunnen blijven. Het gesticht wordt bekend als het Lambert Voethospitium. Het centrum is de eerste van een reeks liefdadigheidsinstellingen die de komende jaren het licht zullen zien in het exploderende Ieper. Het Voethospitium ligt in de Rijselstraat waar zich einde van de 19de eeuw een brasserie bevindt van een zekere M. Verheylewegen.

In 1227 wordt het huis geopend in aanwezigheid van de schepenen en van Margaretha Medem, de weduwe van de weldoener Lambert Voet. De instelling is er gekomen dank zij een verzoening tussen de gegoede Ieperse families Medem en Voet. Aan de ene kant zien we de clan van Jean Medem, de broer van Margaretha. Aan de andere kant de familie Voet en hun achterban. Jean Medem en Lambert Voet zetelen allebei in het schepencollege van de lichting 1225. Maar tussen de twee woedt een heuse privé oorlog, één van de ergste uit de geschiedenis van Ieper. Zelfs gravin Johanna van Constantinopel ziet zich op 7 oktober 1225 verplicht om tussen te komen en beide families te verzoeken om een einde te maken aan die bittere strijd en vrede te brengen tussen de families.

Het nieuwe Ieperse hospitium

De opening van het Lambert Voethospitium volgt 15 maanden na die verzoening. Margaretha verklaart aan de schepenen dat ze haar woning voortaan zal aanwenden als verpleeghuis voor zieke en arme ouderen. Bij de opstart zijn er 20 bedden voorzien en dat aantal zal mee groeien met de beschikbare fondsen. Het budget bedraagt 100 ponden die vrijkomen dank zij een borgstelling op de woning. Margaretha regelt dat haar broeders en zusters na haar dood een jaarlijkse rente van 7 pond zullen ontvangen. Haar eigen broer Henri en zuster Adelise krijgen in ruil voor de inpandstelling jaarlijks 14 pond. Na een reeks van officiële akten en goedkeuring wordt de regeling op 25 januari 1228 door Paus Gregorius IX aan Margaretha Medem bevestigd. Het nieuwe Ieperse hospitium wordt een heikel aandachtspunt voor abt Hugo. Als er sprake is van geestelijke zorgen, dan willen die van Sint-Maarten de controle houden. Je mag niet vergeten dat hij hier oog in oog komt te staan met de machtigste families van de stad.

Zij die het voor het zeggen hebben. Er wordt twee jaar onderhandeld met de schepenen over passende bijdragen van het Lambert Voetgesticht. Uiteindelijk komen de partijen er uit. De proost krijgt algemene zeggenschap over de geestelijke zaken. De broeders en de zusters van de instelling krijgen elk hun habijt van Sint-Maarten en moeten zich schikken naar de wetten van de proosdij. Ze moeten zich onberispelijk en eerlijk gedragen. Na de dood van Margaretha Medem zullen de schepenen de autoriteit krijgen over de praktische beslommeringen van het ouderentehuis. De broeders en zusters zullen gezamenlijk in eer en geweten keuzes maken over de voordracht van hun nieuwe chef (magister) of de aanstelling van nieuwe broeders en zusters. Er worden procedures voorzien voor de gevallen dat dit niet lukt op het niveau van de broeders en zusters.

Er mogen geen klokken en bellen gehoord worden
Noch de proost, noch de schepenen zullen in de toekomst op geen enkele manier inbreuk mogen doen aan de waarde van de instelling of zaken ervan gebruiken voor andere doeleinden. De proost of de kapelaan zullen de biecht horen van de zieken en indien nodig de werking van het gesticht bijsturen. Het nieuwe reglement wordt van kracht in de meimaand van het jaar 1230. Ook Pierre, de bisschop van Terwaan, moet op verzoek van Margaretha de akte goedkeuren. Naast die ene akte zien we in mei 1230 nog een tweede exemplaar verschijnen. De broeders en de zusters van het tehuis leggen hun geloften af in de handen van de proost. Hierbij doen ze afstand van hun eigendommen.

De daaropvolgende maand regelt Margaretha voor de schepenen van de stad een jaarlijkse betaling van 20 pond aan de kerk van Sint-Maarten. Daarvan gaan 15 pond naar de kapelaan die de missen zal celebreren in het gesticht. Vijf pond gaan naar zijn assistent. Het geld komt uit pandstellingen van verscheidene huizen waaronder drie woningen in de Bukkerstraat die zich rechtover gronden van Sint-Maarten bevinden. Ook haar gronden gelegen bij de stadswallen, dicht bij het Lambert Voetgesticht, zijn betrokken bij de transactie. Proost Hugo wil niet het minste risico nemen. In juli 1230 dient Margaretha voor de bisschop van Terwaan nog zelf een aantal beloftes te doen. In het hospitium mag er maar één altaar staan, dat van de kapel. Geen klok (campana) en geen bel (nola) mag gehoord worden.

Alleen kruisbeelden in de ziekenzalen
Alleen een cimbaal (cymbalum) mag de broeders en zusters oproepen om zich te begeven naar hun slaap- of bidplekken. Of naar de mis. Er mag geen offerblok opgesteld staan. Alle offerandes die gehouden worden voor het altaar van de kapel komen integraal toe aan Sint-Maartens. De kosten van kaarsen en kandelaars worden gedeeld. De overste moet zweren dat ze op geen enkele tijdstip geld zal verduisteren dat toebehoort aan de kerk. Als er kruisen of afbeeldingen van heiligen hangen buiten de kapel, dan mogen die enkel en alleen opgehangen worden in de ziekenzalen. Het hospitium zorgt voor de gewaden van de priester en voor al het materiaal die hij nodig heeft voor zijn misvieringen. Als tegenprestatie vanwege de kerk, zorgt bisschop Pierre ervoor dat de nieuwe kapel gewijd wordt.

Tijdens zijn laatste jaren krijgt Hugo het opnieuw aan de stok met de schepenen. Waarom? De registers zorgen niet echt voor klaarheid ter zake. Een eerste conflict lijkt te draaien rond de visvangst in de gemeenschappelijke stadsgrachten. Gravin Johanna en de schepenen hadden tussen 1223 en 1228 een regeling uitgewerkt rond de visvangst in de binnenste en buitenste grachten van de stad waarbij de rechten bij het stadsbestuur kwamen te liggen. Vermoedelijk moeten de geestelijken gesteigerd hebben bij die regeling, want de grachten werden ook doorheen kerkelijk goed aangelegd en er kon geen sprake van zijn dat de rechten op de stadsgrachten op hun territorium zouden toebehoren aan de stad. Een tweede struikelblok blijkt nog belangrijker en gaat over de heerlijkheid van de abdij binnenin de stadsmuren. De abdij had oorspronkelijk de autoriteit betreffende de hogere jurisdictie toegewezen gekregen.

De jurisdictie over de Slachthuisstraat
Die belofte kwam van Robert van Jeruzalem en van Karel de Goede en was daarna regelmatig herbevestigd geworden. Het betekende dat Sint-Maartens recht kon spreken in haar verworven gebieden. In de respectieve parochies, in de Upstal, in de Tempelstraat, het kwartier bij de Kaasstraat en de Slachthuisstraat. Om recht te spreken, heeft de abdij haar eigen rechtbank opgericht. Een baljuw en zijn medewerkers, eigen schepenen, strafpleiters, aanklagers en rechters voeren hun opdracht uit zonder enige tegenspraak van de burgerlijke machten in Ieper. Het conflict moet draaien rond een dispuut dat zich voordoet in de Kaasstraat en de Slachthuisstraat. Het is niet helemaal duidelijk wat er aan de hand is. In 1231 komt er in elk geval een klacht aan de oppervlakte. De klacht komt natuurlijk weer eens van Hugo. Ze is gericht tegen de manier waarop de schepenen zich gedragen tegenover de kerkelijke macht.

Een schadeclaim van maar liefst 500 pond wordt op tafel gelegd en die zal wat later zelfs oplopen tot 700 pond wanneer ook de kwestie van de visrechten er bij betrokken wordt. Zoals gebruikelijk moet een scheidsrechterscommissie zich buigen over de claim van de proosdij tegenover het stadsbestuur. De partijen komen in augustus 1231 in het bijzijn van Pierre, de bisschop van Terwaan, overeen over de te volgen procedure. Het kapittel zal meester Jacques, de aartsdiaken van Vlaanderen en meester Arnold, kanunnik van Ieper afvaardigen. De stad kiest Gerard van Torhout en Everard, de zoon van Reine. De bisschop kiest schoolmeester Arnould. Opnieuw zien we hier dat de scheidsrechterscommissie uit een meerderheid van kerkelijk geïnspireerden behoort.

De Rumatra op het Hooghe van Geluveld
Maar deze keer geraken ze er wel uit in unanimiteit. Op 22 september 1231 beslissen ze eenparig dat de stad Ieper een eeuwigdurende rente van 12 Vlaamse ponden moet betalen aan Sint-Maartens. De helft half maart en de rest met de naamdag van de heilige Remi (13 januari). In ruil kan de stad recht spreken en krijgt de graaf de inkomsten van het kwartier van de Slachthuisstraat. Echt veel waarde moet de abdij dus eigenlijk niet geven aan het gebied rond de Kaasstraat want wat later verkoopt Hugo een stuk grond voor de kerk van Sint-Maarten voor een jaarlijkse vergoeding van 23 Vlaamse ponden. Precies 70 jaar later zal Filips de Schone, in september 1301, de schepenen vrijstelling verlenen van betaling van die 12 ponden.

De Rubrum files vermelden nog enkele akten die als minder belangrijk worden beschouwd. In september 1215 maken Frumald, de abt van Zonnebeke, Lambert de proost van Voormezele en Hugo een einde aan een meningsverschil tussen de kerk van Lo en de erfgenamen van Philippe Beier. In mei 1218 schenkt gravin Johanna van Constantinopel twee hectare grond, zowat een derde van het dichte bos van de Rumatra op het ‘Hooghe’ richting Geluveld. Willem de Warde en zijn vrouw Margaretha brengen het leen aan, met instemming van hun broers Galter en Friulfe. Het enige wat ze er voor in ruil willen van de kerk is een half pond peper, in die dagen een gegeerde specerij. Op 8 september 1218 fungeert Hugo als getuige bij een akte waarbij, onder voorzitterschap van de bisschop van Terwaan, een geschil geregeld wordt tussen Beatrix, de abdis van de Nonnenbossen en het klooster van Sint-Winoksbergen betreffende tiendenrechten van Warhem. Op 16 oktober 1220 is hij nogmaals getuige, opnieuw met de bisschop als scheidsrechter.

De gronden in Reninge van Jan Waghenaere
Het betreft een officiële transactie van gronden in Reninge die door de Ieperse familie van Jan Waghenaere worden overgemaakt aan de abdij van Ter Duinen. Waghenaere zelf is al overleden en het zijn nu zijn erfgenamen die de transactie laten officialiseren. Er is sprake van 6 zonen en 2 dochters: Jan, Hugo, Walter, Willem, Nicolas, Margaretha en Christine. Ook weduwe Agnes is van de partij. In 1224 schenkt Christine Waghenaere, de vrouw van Jean de Vroede, in ruil voor een jaarlijkse mis op haar verjaardag een firton (= 4 cent) rente aan Ter Duinen. Ze gebruikt hiervoor haar woning die zich situeert op de hoek van de straten die naar de Tempel- en de Boterpoort lopen. Haar moeder Agnes verdubbelt de schenking met haar woning in de Noordstraat. In 1223 krijgen de kanunniken van Sint-Maarten van Boudewijn van Komen de eeuwige vrijstelling van taksen die normaal moeten worden betaald voor de doorvoer van goederen die via de Leie aan Komen voorbij moeten.

De monniken van Cyzoing zijn al evenzeer vrijgevig in 1229 wanneer ze een hoeve te Boezinge schenken aan Sint-Maartens. Het betreft een goed dat hun in 1192 nog geschonken werd door Lambert, de bisschop van Terwaan. De boerderij zal nog eeuwen bekend staan als de ‘Grote scure’ tot dat ze zal afbranden in 1566. Op 12 maart 1230 is proost Hugo getuige van een schenking die Aleaume de Scotes en zijn vrouw Margaretha doen aan de abdij van de Nonnenbossen. Het gaat over 2,5 hectare grond te Zillebeke, waar ze volgens het Rubrum hun ‘wallum’ (een wal met voorhof) en enkele gebouwen hebben opgetrokken.

Uit deel 2 van ‘De Kronieken van de Westhoek’.

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *