banner
okt 4, 2019
1663 Views

Muizenplaag in het Blootte

Written by

De Sint-Sebastiaansgilde in Diksmuide organiseert dit jaar een groot tornooi voor de handboog en nodigt alle gilden uit Vlaanderen uit om te strijden voor de titel van beste schutter.

banner

Dat de Westhoek nu echt wel deel uitmaakt van Frankrijk ondervinden de inwoners bijvoorbeeld aan de ‘Code Louis’. Lodewijk XIV stuurt een pakket nieuwe wetten en procedures in verband met de criminele zaken toe aan de raad van Doornik die deze ‘Code Louis’ in het begin van 1680 doorstuurt naar het magistraat van Veurne. Met deze nieuwe wetgeving uniformeert de koning de diverse wetgevingen die er tot op heden bestonden in zijn koninkrijk.

Het lijkt een verstandige en logische zet, maar een die wel snijdt in de oude gewoonten van de oude Vlaamse steden. De nieuwe code ondergraaft danig het gezag van de wetheren. In die zin dat ze wel de processen mogen voeren maar dat de uitspraken voortaan zullen genomen door de raadsheren van Doornik om dan vervolgens uitgevoerd te worden in Veurne. Veel keuze krijgt het magistraat niet; wie er zijn voeten aan veegt mag zich verwachten aan grote boetes. Ik moet direct denken aan de ontelbare keren dat de Vlaamse stedelingen gevochten hebben om het behoud van hun eeuwenoude vrijheden die ze nog bekwamen in de tijd van de eerste graven. In Parijs maken ze nu een definitief kruis over die verworvenheid.

En dat is nog maar een begin. Op 2 juli 1680 ontvangen ze in Veurne een plakkaat van de koning waarbij hij de transfer eist van de lenen in het bezit van onedele personen, de zogezegde vrij lenen of ‘Francs-fiefs’. Vrij leen of niet, maar Lodewijk XIV eist voortaan elke tien jaar de pacht van welgeteld één jaar. Het betekent in feite dat hij zich als koning al die vrije lenen persoonlijk toe-eigent en er op zijn beurt nu huur voor vraagt.

En om de zaak nog op de spits te drijven eist ‘Le Roy’ nog eens een voorschot van drie jaar pacht als zijnde de huur van de voorbije dertig jaar. De eigenaars van dergelijke lenen zijn in shock. Daar hebben ze in Vlaanderen nooit eerder over gehoord. Veel pachters stammen nog wel uit oude en edele geslachten maar mankeren de nodige documenten om hun afkomst te bewijzen. Wie zal dat nu gaan denken?

Het magistraat belooft om tussen te komen in de kwestie en stuurt een verzoek aan de intendant om uitstel van betaling te krijgen van de geëiste sommen. Ondertussen roepen ze een vergadering samen met hun collega’s van de West-Vlaamse kasselrijen om aan te tonen dat Vlaanderen nooit of te nimmer dergelijke lasten heeft moeten betalen. Iets wat wel het geval was in Artesië en de andere Waalse landen. De intendant laat de kwestie onderzoeken, het plakkaat van de koning blijft gelden tot hij verdere instructies krijgt. Gelukkig dient er dus niet betaald te worden in 1680 want dat zou heel veel landlieden van Veurne-Ambacht eenvoudig geruïneerd hebben.

De Sint-Sebastiaansgilde in Diksmuide organiseert dit jaar een groot tornooi voor de handboog en nodigt alle gilden uit Vlaanderen uit om te strijden voor de titel van beste schutter. De Veurnenaars sturen er vier van hun gildebroeders naartoe om hun kunstjes te tonen aan hun collega’s. De oproep van de Diksmuidenaars krijgt veel respons, maar liefst 27 gilden uit de omliggende steden en dorpen schrijven zich in voor het tornooi.

En, ondanks dat groot aantal deelnemers slaagt de Veurnse delegatie er op 20 oktober 1680 in om de eerste prijs in de wacht te slepen. Sterk! Bij hun thuiskomst wacht hen een blijde intrede. Aan de Zuidpoort wensen de busschieters (de ‘busseniers’) hen proficiat en zijn ze best kwistig met wijn en succaden (een soort geconfijte citrusvruchten). Terwijl de busschieters hen rondom de stad begeleiden schieten ze kwistig hun geweren leeg.

Aan de Steendam in de Zuidstraat komen de leden van de retoricagilde hen tegemoet, een aantal creatievelingen debiteren er een schoon lofdicht en daarna kronen ze de bogen van de handboogschutters met laurierkransen. Van de rederijkers krijgen ze ook al wijn aangeboden en vandaar gaat de stoet van de overwinnaars naar hun clubhuis, het gildehof waar de leden van de gilde van Sint-Joris hen ook al opwachten met wijn en succaden en bergen gelukwensen. Gelukkig moet er dan al lang niet meer geschoten of gemikt worden.

De gilde van Sint-Sebastiaan organiseert de volgende dag voor zijn eigen altaar een plechtige gezongen en muzikale mis. De zegevierende leden maken er stoetsgewijs hun intrede. Na de dienst gaan de prijswinnaars hun prijs – een zilveren boog met een gewicht van anderhalve kilo – presenteren aan het magistraat. De wetheren bekijken het geschenk met volle interesse en schenken het dan terug aan de fiere schutters met daarbij nog een extra premie van 10 ponden zodat ze toch deels hun kosten en verteer kunnen vergoeden.

Tijdens de zomer van 1680 beleven ze in het Blootte een onvervalste muizenplaag. Het moet zo te lezen wel erg gesteld zijn met deze diertjes. Op veel akkers bederven ze het gaan. Ze vreten het gras op sommige weiden zo kaal dat er nauwelijks nog eten overschiet voor de koeien. In de daaropvolgende winter woekert dat gedierte nu volop in de graanschuren. Een catastrofe voor sommige landlieden.

Van muizen zal de koning wel geen last hebben als hij en zijn koningin op officieel bezoek komen in Duinkerke. In het gezelschap van heel hun hofhouding bereiken ze de stad op 26 juli 1680. Lodewijk XIV komt speciaal van Parijs om de grote infrastructuurwerken in de haven te komen bezichtigen. Het betreft de uitdieping en versterking van de Risban of de Rijsbank. De vorst blijft er tot 30 juli en vertrekt dan naar Ieper. Zijn reisroute verloopt via Sint-Winoksbergen, Rexpoede en Roesbrugge.

Uit deel 10 van ‘De Kronieken van de Westhoek’ – verschijnt einde 2020 –

Article Categories:
terug naar het verleden
banner
http://www.dekroniekenvandewesthoek.be

Vlaamse geschiedenis zoals je die nog nooit beleefd hebt!

Geef een reactie

Uw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *